We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:234 Hof van Discipline 's Gravenhage 260270

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:234
Datum uitspraak: 23-07-2026
Datum publicatie: 23-07-2026
Zaaknummer(s): 260270
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen:
  • Voorzittersbeslissing
  • Verwijzing
Inhoudsindicatie: Verzoek om verwijzing klacht op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet afgewezen.  De voorzitter constateert dat de klachten van klager betrekking hebben op procedurele voorschriften van de deken die bedoeld zijn om het klachtonderzoek door de deken op zorgvuldige wijze te laten verlopen. Het klachtrecht is niet bedoeld om dergelijke voorschriften/beslissingen van procedurele aard van de deken in het kader van een lopend klachtonderzoek ter discussie te stellen. Klager kan zijn klacht over bedoelde advocaten na afronding van het onderzoek door de deken, en na betaling van het griffierecht, door de deken ter kennis laten brengen van de Raad van Discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klager desgewenst ook naar voren brengen waarom het onderzoek door de deken naar de mening van klager niet deugt. Daarom zal de voorzitter de klachten over de deken niet verwijzen.  

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
    
van 23 juli 2026

in de zaak 260270
    
naar aanleiding van een klacht van:
    
    

klager
    
tegen:

mr. E.A.C. van de Wiel
advocaat en deken van de Nederlandse Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland
    
de deken

1    HET VERZOEK

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 5 juli 2026 van klager. Daarmee heeft klager bij het hof een klacht ingediend over de deken. In een als bijlage meegestuurde brief van eveneens 5 juli 2026 heeft klager zijn klacht nader onderbouwd. 

1.2    Klager schrijft dat zijn klacht ziet op het door de deken niet voortvarend behandelen van zijn bij de deken ingediende klacht van 25 mei 2026 over een tweetal advocaten, het weigeren van bewijsstukken door de deken, door de deken niet binnen de gestelde termijnen reageren en het op onrechtmatige wijze vertragen van de voortgang van het onderzoek. Dit heeft er volgens klager toe geleid dat de klachtprocedure feitelijk is stilgevallen.


2    DE BEOORDELING

2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 Uit de door klager met zijn klacht meegestuurde stukken leidt het hof af dat de deken klager na ontvangst van zijn klacht heeft verzocht eerst de interne klachtenregeling van het advocatenkantoor te doorlopen, en klager - met een verwijzing naar de Leidraad dekenale klachtbehandeling - heeft geïnformeerd hoe stukken kunnen worden aangeleverd en hem heeft verzocht de door hem ingediende klachten nader toe te lichten dan wel te onderbouwen. Klager stelt dat de deken met het stellen van deze vormvereisten in strijd handelt met de op de deken rustende onvoorwaardelijke onderzoeksplicht. Verder voert klager aan dat de deken de ontvangst van zijn klacht niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft bevestigd. 

2.3    De voorzitter constateert dat de klachten van klager betrekking hebben op procedurele voorschriften van de deken die bedoeld zijn om het klachtonderzoek door de deken op zorgvuldige wijze te laten verlopen. Het klachtrecht is niet bedoeld om dergelijke voorschriften/beslissingen van procedurele aard van de deken in het kader van een lopend klachtonderzoek ter discussie te stellen. Klager kan zijn klacht van 25 mei 2026 over bedoelde advocaten na afronding van het onderzoek door de deken, en na betaling van het griffierecht, door de deken ter kennis laten brengen van de Raad van Discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klager desgewenst ook naar voren brengen waarom het onderzoek door de deken naar de mening van klager niet deugt. Daarom zal de voorzitter de klachten over de deken niet verwijzen.


3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 23 juli 2026 door mr. J. Blokland, voorzitter.


Voorzitter

De beslissing is verzonden op 23 juli 2026.