We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:232 Hof van Discipline 's Gravenhage 250380

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:232
Datum uitspraak: 17-07-2026
Datum publicatie: 21-07-2026
Zaaknummer(s): 250380
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Het betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Het verwijt dat in hoger beroep nog van belang is ziet op de vraag of verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan het zogezegde “ongeoorloofd napleiten”. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de kantonrechter nader te informeren nadat de zaak was aangehouden voor het beproeven van een minnelijke regeling zonder dat een datum voor een beschikking was bepaald. 

Beslissing van 17 juli 2026
in de zaak 250380

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klagers

1    INLEIDING

1.1    Het betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. Het verwijt dat in hoger beroep nog van belang is ziet op de vraag of verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan het zogezegde “ongeoorloofd napleiten”. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de kantonrechter nader te informeren nadat de zaak was aangehouden voor het beproeven van een minnelijke regeling zonder dat een datum voor een beschikking was bepaald. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en waarom het hof het oordeel van de raad vernietigt.   


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummer: 25-104/A/A) op 6 oktober 2025 een beslissing genomen. In deze beslissing is klachtonderdeel a) gegrond verklaard en zijn de klachtonderdelen b), c), d) en e) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:178 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 4 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van klagers.

2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 22 mei 2026. Daar zijn klagers en verweerder, bijgestaan door mr. V, verschenen. Partijen hebben hun standpunt mondeling toegelicht. 


3    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast. 

3.1    Klagers zijn eigenaren van een appartementsrecht en in die hoedanigheid lid van een Vereniging van Eigenaren (VvE). De VvE bestaat feitelijk uit twee stemgerechtigden, namelijk klagers en G.J. van H(...) (verder: H.). H. heeft binnen de VvE een meerderheidsaandeel.

3.2    Op een vergadering van de VvE zijn besluiten genomen waar klagers het niet mee eens waren. Op 21 december 2022 heeft de advocaat van klagers (mr. D) een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank te Den Haag, strekkende tot nietigverklaring dan wel vernietiging van de door de VvE genomen besluiten, althans het verlenen van vervangende machtiging om bepaalde besluiten te nemen.

3.3    Verweerder stond H. en de VvE bij in dit geschil. Verweerder heeft op 13 februari 2023 een verweerschrift namens H. en de VvE ingediend dat, kort gezegd, strekte tot afwijzing van het grootste deel van de verzoeken.

3.4    Op 20 februari 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De procedure is daarna aangehouden om te bezien of partijen op minnelijke wijze hun geschil konden beslechten. In het proces-verbaal is daarover het volgende opgenomen: 

‘Kantonrechter: Maar u zit nu hier. Wellicht beter om uit elkaar te gaan. 

Kantonrechter: Wellicht dat u samen tot een regeling kunt komen. Even bespreken en dan wellicht de zaak aanhouden om te kijken of het geregeld kan worden. Ik kan wel een beschikking geven over die 12 punten. Maar u schiet er niet zoveel mee op. 

S: Ik heb wel nog wat punten voor mijn 2de termijn. 

Kantonrechter: Wellicht helemaal niet nodig. 

S: Maar stel we komen er niet uit en we hebben na aanhouding een 2de termijn nodig, dat is niet handig. 

Kantonrechter: Zegt u het maar 

S: Ik handhaaf het bewijsaanbod. Eigen onderhoud was gebruikelijke route. Niet helemaal niets betaald, wel betaald eens in de zoveel tijd. Laatste puntje langere bewoning, ik kan niks over bestuursrechtelijke bezwaren zeggen die weg ken ik niet. 

*De kantonrechter schorst de zitting* 

D: We willen de zaak graag aanhouden. We hebben over een oplossing gesproken, opheffing van de VVE. Dit gaan we onderzoeken. 

Kantonrechter: Hoe lang heeft u nodig? 

D: 4 weken 

Kantonrechter: Dan houden we de zaak aan tot 22 maart 2023 en dan hoor ik graag van u.’

3.5    Op 17 maart 2023 heeft de advocaat van klagers de rechtbank bericht dat het niet is gelukt een minnelijke oplossing te bereiken. Er wordt om beschikking verzocht.

3.6    Op 20 maart 2023 heeft verweerder het volgende e-mailbericht aan de rechtbank gestuurd, onder gelijktijdige verzending aan de advocaat van klagers:

“Aanvullend op onderstaande, bericht ik u namens cliënten, de VvE en de heer [H.], dat partijen er inderdaad niet op minnelijke wijze uit zijn gekomen en dat zij eveneens vragen beschikking te wijzen.
Ter toelichting, geef ik mee dat cliënten heel dicht bij zijn gekomen. Bijgaande voorstel door [klagers] is na een discussie tussen partijen ter plaatse – overigens zonder advocaten – uiteindelijk geaccepteerd door cliënten, maar [klagers] hebben laten weten geen genoegen te nemen met ‘slechts’ een erfdienstbaarheid op het blauwe driehoekje zoals verwoord onder punt 3 van de bijlage. Meer dan een erfdienstbaarheid op die blauwe driehoek is voor de heer [H.] echter niet acceptabel, omdat alsdan een eventuele uitbouw op de begane grond achter zijn eigen gevel onmogelijk zal zijn. Het belang van het kunnen plaatsen van een uitbouw kan immers niet opwegen tegen het belang van het incidenteel onderhoud verrichten aan een raam. Bovendien kunnen [klagers] alleen maar makkelijk bij het raam als er een uitbouw geplaatst is.
Hoe het ook zij: [H.] betreurt het dat partijen er niet uit zijn gekomen en vroeg mij u op de hoogte te brengen van het feit dat [klagers] hem hebben laten weten dat zij, nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt, bezwaar zullen maken tegen de omgevingsvergunning die ziet op de coffeeshop van [H.]. Nu deze coffeeshop in het geheel niets te maken heeft met de VvE of onderhavige discussie, voelt [H.] zich erg onder druk gezet om in te stemmen met het ter elfder ure gewijzigde voorstel van [klagers], terwijl het eerdere bijgevoegde voorstel door [H.] al akkoord is bevonden. Ondanks deze druk, kan [H.] simpelweg omwille van praktische bezwaren met het gewijzigde voorstel niet akkoord gaan.”

3.7    De advocaat van klagers heeft op 21 maart 2023 aan verweerder geschreven dat hij met zijn toelichting verder is gegaan dan een weergave van het overleg. Hij heeft er daarbij onder meer op gewezen dat verweerder gedragsregel 21 heeft geschonden door zonder zijn toestemming zich tot de rechter te wenden als uitspraak is bepaald. 

3.8    Verweerder heeft daarop vrijwel direct gereageerd en aan de advocaat van klager bericht dat hij spijkers op laag water zoekt: “ik had u vorige week al aangekondigd dat ik mij maandag tot de rechter zou wenden met een verslag. Dat u in de tussentijd verzoekt aan de rechter om beschikking te wijzen doet daaraan geen afbreuk en maakt ook niet dat de zaak inmiddels voor beschikking staat. “

3.9    Daarop heeft de advocaat van klager bij de kantonrechter bezwaar gemaakt tegen het bericht van verweerder van 20 maart 2023 en verzocht het bericht buiten beschouwing te laten en voor zover de kantonrechter dat niet doet een aanvullende toelichting gegeven. 

3.10     Op 1 mei 2023 heeft een tweede mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Tijdens deze zitting zijn partijen overeengekomen over te gaan tot het opheffen van de VvE en aan een notaris opdracht te verstrekken de daartoe benodigde aktes op te stellen. Daarop is opdracht aan een notaris verstrekt en zijn nadere onderhandelingen tussen partijen begonnen.

3.11     Op 29 april 2024 hebben klagers de onderhavige klacht tegen verweerder ingediend.

3.12     Bij beschikking van 30 juli 2024,met verbetering van de beschikking op 25 september 2024, heeft de kantonrechter H. veroordeeld de ter zitting van 1 mei 2023 gemaakte afspraken, zoals deze ook in de beschikking zijn weergegeven, na te komen en de akte opheffing splitsing en de akte verdeling na splitsing te ondertekenen.


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij 
a)    zonder instemming op 20 maart 2023 de rechter een eigen toelichting heeft gegeven op de inhoud van de schikkingsonderhandelingen;
b)    …;
c)    …;
d)    …;
e)    ….


5    OMVANG HOGER BEROEP
    
Verweerder heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat het hoger beroep enkel is gericht tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel a) en de opgelegde maatregel. Nu klagers geen hoger beroep hebben ingesteld is de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b), c), d) en e) door de raad onherroepelijk. 


6    BEOORDELING RAAD

Onderdeel a)

6.1    De raad heeft geoordeeld dat de toelichting die verweerder op de zitting van de raad heeft gegeven, te weten dat hij een uitgebreide toelichting in zijn bericht van 20 maart 2023 noodzakelijk vond omdat zijn cliënt belang had bij een hervatting van de mondelinge behandeling en verweerder dat op deze manier voor zijn cliënt probeerde te bewerkstelligen, niet valt te rijmen met de inhoud van zijn bericht van 20 maart 2023. In dat bericht vraagt verweerder immers uitdrukkelijk om een beschikking te wijzen. Nu in de nadere toelichting van verweerder in zijn bericht van 20 maart 2023 inhoudelijk wordt ingegaan op de posities van partijen kan dit worden gezien als ongeoorloofd napleiten waarop gedragsregel 21 lid 3 ziet. Volgens de raad had de mondelinge behandeling ter zitting immers al plaatsgevonden, waren de standpunten over en weer al uitgewisseld en was de uitspraak hierna slechts aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen de zaak in der minne te regelen. Daar behalve verweerder ook de advocaat van klagers al op 17 maart 2023 de kantonrechter had verzocht om beschikking te wijzen was het volgens de raad bepaald niet denkbeeldig dat de kantonrechter na voornoemde verzoeken over was gegaan tot het wijzen van een beschikking. 

6.2    De raad is dan ook van oordeel dat het bericht van verweerder moet worden gezien als een poging om de kantonrechter alsnog te beïnvloeden, hetgeen in strijd is met gedragsregel 21 lid 3. De raad verklaart klachtonderdeel a) daarom gegrond.

6.3    De raad voegt daar nog aan toe dat geen sprake is van schending van gedragsregel 27, die voorschrijft dat omtrent de inhoud van tussen advocaten gevoerde schikkingsonderhandelingen aan de rechter aan wiens oordeel de zaak is onderworpen, niets mag worden meegedeeld zonder toestemming van de advocaat van de wederpartij. Deze gedragsregel is niet van toepassing aangezien het hier gaat om schikkingsonderhandelingen tussen partijen.


7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

7.1    Verweerder heeft er onder verwijzing naar de inhoud van gedragsregel 21 op gewezen dat de e-mail van 20 maart 2023 gelijktijdig aan mr. D is gestuurd en dat de wederpartij voldoende tijd had om op dit bericht te reageren. Bovendien blijkt volgens verweerder uit de e-mails van 20 maart 2023 en die van 21 maart 2023 die hij aan zijn beroepschrift heeft toegevoegd dat mr. D eerst met verweerder hierover heeft gecommuniceerd en zich vervolgens ook (zonder toestemming van verweerder) tot de kantonrechter heeft gewend op 21 maart 2023. 

7.2    Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is onderbouwd dat de kantonrechter de zaak al voor beschikking had geagendeerd en dat volgens zijn eigen bericht van 20 maart 2023 mr. D zelf ook van mening was dat de zaak niet voor beschikking stond, maar louter was “aangehouden om te bezien of partijen op minnelijke wijze eruit konden komen.” Volgens verweerder wordt dat ook bevestigd door de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 20 februari 2023, nu daarin staat opgenomen dat mr. D zelf vraagt om de zaak aan te houden om een oplossing voor het geschil te onderzoeken en de kantonrechter vervolgens de zaak aanhoudt tot 22 maart 2023. Volgens verweerder staat dus vast dat de zaak niet voor beschikking stond en daarom is het oordeel van de raad dat gedragsregel 21 lid 3 is geschonden onjuist. 

7.3    Volgens verweerder stond het bovendien niet vast dat de kantonrechter over voldoende informatie beschikte om tot een uitspraak te komen bij het niet bereiken van een schikking. Dat beide advocaten in hun e-mails verzoeken om beschikking te wijzen, maakt dit niet anders. Verweerder wijst er ook op dat de kantonrechter na de berichtgeving van partijen geen datum voor beschikking heeft bepaald maar bij brief van 27 maart 2023 een nieuwe mondelinge behandeling heeft bepaald op 1 mei 2023. 

7.4    Aldus staat volgens verweerder vast dat op 20 maart 2023 geen datum voor uitspraak was bepaald, zodat geen sprake kan zijn van schending van artikel 21 van de gedragsregels en klachtonderdeel a) ongegrond moet worden verklaard. 

Verweer klagers

7.5    Klagers hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Overwegingen hof

8.2    Het hof stelt voorop dat in gedragsregel 21 lid 3 is bepaald dat het een advocaat niet geoorloofd is om zich zonder toestemming van de wederpartij tot de rechter te wenden nadat de uitspraak is bepaald. Het is niet toegestaan om, nadat de zaak voor uitspraak staat, nog nieuwe argumenten aan te voeren (het zogezegde napleiten, zie HvD 30 mei 20216, ECLI:N:TAHVD:2016:96).  

8.3    Verweerder heeft tegen de beslissing van de raad, dat zijn nadere toelichting in zijn bericht van 20 maart 2023 als ongeoorloofd napleiten kan worden gezien, ingebracht dat hij de aanhouding van de mondelinge behandeling door de kantonrechter zo begrepen heeft dat het inhoudelijke debat nog niet was afgerond en de kantonrechter de zaak nog niet voor beschikking had geagendeerd. Volgens verweerder beschikte de kantonrechter ook niet over voldoende informatie om tot een uitspraak te komen bij het niet bereiken van een schikking. 

8.4    Voor deze stelling van verweerder ziet het hof aanknopingspunten in de inhoud van het proces-verbaal van de behandeling van de zaak bij de kantonrechter op 20 februari 2023. Het hof leidt uit dat proces-verbaal immers af dat verweerder, nadat de kantonrechter de suggestie opwerpt dat partijen wellicht samen tot een regeling kunnen komen, opmerkt dat hij nog punten heeft voor zijn tweede termijn, waarna vervolgens de zaak wordt aangehouden om een oplossing te onderzoeken, en de kantonrechter de zaak voor bepaalde tijd aanhoudt en zegt graag van partijen te horen. 

8.5    Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof dat verweerder heeft mogen begrijpen dat het inhoudelijke debat nog niet was afgerond en dat de zaak ook nog niet voor beschikking stond, indien het overleg niet tot een schikking zou leiden. De kantonrechter heeft het verdere verloop van de procedure min of meer open gelaten. Verweerder heeft, zo leidt het hof af uit de e-mail van 21 maart 2021 van verweerder, ook voorafgaand aan zijn e-mail van 20 maart 2023 aan de advocaat van klagers laten weten dat hij de kantonrechter nader (aanvullend) zou informeren. De advocaat van klager heeft daarna, ondanks zijn bezwaar, ook nog een aanvullende toelichting gegeven waarna de kantonrechter een tweede mondelinge behandeling heeft bepaald. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van het hof niet gehandeld in strijd is met artikel 46 Advocatenwet.  

Slotsom

8.6    Het hof komt tot de conclusie dat klachtonderdeel a) ongegrond is. Het hof zal om die reden de beslissing van de raad vernietigen en klachtonderdeel a) ongegrond verklaren. Ook zal het hof de beslissing vernietigen voor zover die ziet op de reis-en proceskostenveroordeling en de veroordeling tot het vergoeden van het griffierecht in eerste aanleg. Nu de klacht in zijn geheel ongegrond wordt, is voor die veroordelingen geen grondslag meer. 


9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1    vernietigt de beslissing van 6 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-104/A/A, voor zover die ziet op het klachtonderdeel a), de reis- en proceskostenveroordeling en de veroordeling tot het vergoeden van het griffierecht, 

en doet opnieuw recht:

9.2    verklaart klachtonderdeel a) ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 17 juli 2026.