We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:231 Hof van Discipline 's Gravenhage 250453

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:231
Datum uitspraak: 17-07-2026
Datum publicatie: 21-07-2026
Zaaknummer(s): 250453
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Regels die betrekking hebben op de juridische strijd
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Welwillendheid in het algemeen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Het betreft een klacht van een advocaat over de advocaat van de wederpartij. Het betreft een geschil tussen buren over een erfdienstbaarheid waarbij ook de gemeente betrokken is geraakt als (privaatrechtelijk) eigenaar van twee naburige percelen. Verweerder treedt op voor een van de buren en klager treedt op voor de gemeente. Verweerder heeft in verband met het erfdienstbaarheidsgeschil een Woo-verzoek ingediend bij de gemeente. Klager verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 25 het Woo-verzoek zonder vooraankondiging, medeweten of goedkeuring van klager rechtstreeks bij de gemeente heeft ingediend, dat verweerder inbreuk heeft gemaakt op de geheimhoudersrelatie tussen klager en de gemeente en onjuiste beweringen heeft gedaan tegenover de gemeente bij indiening van het verzoek. De raad heeft gegrond bevonden dat verweerder zonder kennisgeving aan klager een Woo-verzoek had ingediend. De overige klachten heeft de raad ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 

Beslissing van 17 juli 2026
in de zaak 250453

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1    INLEIDING

1.1    Het betreft een klacht van een advocaat over de advocaat van de wederpartij. Het betreft een geschil tussen buren over een erfdienstbaarheid waarbij ook de gemeente betrokken is geraakt als (privaatrechtelijk) eigenaar van twee naburige percelen. Verweerder treedt op voor een van de buren en klager treedt op voor de gemeente. Verweerder heeft in verband met het erfdienstbaarheidsgeschil een Woo-verzoek ingediend bij de gemeente. Klager verwijt verweerder dat hij in strijd met gedragsregel 25 het Woo-verzoek zonder vooraankondiging, medeweten of goedkeuring van klager rechtstreeks bij de gemeente heeft ingediend, dat verweerder inbreuk heeft gemaakt op de geheimhoudersrelatie tussen klager en de gemeente en onjuiste beweringen heeft gedaan tegenover de gemeente bij indiening van het verzoek. De raad heeft gegrond bevonden dat verweerder zonder kennisgeving aan klager een Woo-verzoek had ingediend. De overige klachten heeft de raad ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort 
’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom zowel klager als verweerder in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-453/DB/LI) op 24 november 2025 een beslissing gewezen. In deze beslissing is klachtonderdeel a) gegrond verklaard en zijn de klachtonderdelen b) en c) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:162 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 23 december 2025 door de griffie van het hof ontvangen. Dat van verweerder tegen de beslissing is op 22 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    de verweerschriften van klager en verweerder.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 22 mei 2026. Daar zijn klager en verweerder, bijgestaan door mr. D. Stikkelbroeck verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2    Verweerder treedt op als advocaat van de eigenaren van een perceel. Deze eigenaren hebben een geschil met de buren over een erfdienstbaarheid. De gemeente is hierin ook betrokken geraakt als (privaatrechtelijke) eigenaar van twee naastgelegen percelen.

3.3    Bij tussenarrest van 4 juni 2024 heeft het gerechtshof bepaald dat twee andere eigenaren en de gemeente in het geding geroepen dienden te worden overeenkomstig artikel 118 Rv. Verweerder heeft dit gedaan. Daarop heeft klager zich als advocaat van de gemeente gesteld voor deze privaatrechtelijke procedure en een memorie van antwoord ingediend.

3.4    Verweerder heeft het voorstel gedaan om met alle partijen aan tafel te gaan om afspraken te maken. Op 3 juli 2024 heeft klager per e-mail het standpunt van de gemeente overgebracht en laten weten dat de gemeente geen rol voor haar ziet weggelegd in een bespreking, omdat bemiddeling een gepasseerd station is.

3.5    Op 8 juli 2024 heeft verweerder diverse vragen gesteld aan klager, waaronder:
“(…) 3. De gemeente staat iedereen toe op haar pad, maar vindt het bezwaarlijk om het pad te belasten met een zakelijk recht. Hoe verhoudt dat met elkaar? Wat zijn de gestelde bezwaren? Hoe verhoudt zich dit standpunt met het voorstel van de gemeente om cliënten een recht van overpad te verlenen? Wat is uw betrokkenheid hierin?
4. Partijen zullen tijdens de mondelinge behandeling verzocht worden om overleg te voeren. Waarom wenst de gemeente niet van te voren overleg te voeren? Wat is uw betrokkenheid hierin, gezien de gemeente mij vorige week heeft laten weten open te staan voor dergelijk overleg? (…)”

3.6    Op 28 augustus 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“(…) De gemeente is al jaren betrokken bij dit dossier en heeft meermaals en uitvoerig met de betrokken partijen en wijkagent overleg gevoerd. De gemeente heeft partijen voorts meermaals thuis bezocht. Desondanks en na kennisname van het procesdossier bleef de gemeente bereid tot minnelijk overleg, hetgeen veranderde nadat de zaak aan u werd uitbesteed. Wat is daarvoor de reden en wat is uw rol hierin geweest? (…)”

3.7    Op 5 september 2024 heeft klager inhoudelijk gereageerd en heeft kort gezegd toegelicht dat hij voor de gemeente geen rol ziet weggelegd om deel te nemen aan een minnelijk overleg met de buren die het onderlinge geschil hebben.

3.8    Op 13 november 2024 heeft verweerder bij de gemeente een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) gedaan, waarin hij onder meer verzoekt om:
“alle correspondentie tussen [klager], advocaat van de gemeente in deze kwestie en/of een of meer kantoorgenoten, en de burgemeester;
alle correspondentie tussen [klager], advocaat van de gemeente in deze kwestie en/of een of meer kantoorgenoten, en het college van B&W;
alle correspondentie tussen [klager], advocaat van de gemeente in deze kwestie en/of een of meer kantoorgenoten, en een of meer ambtenaren in dienst van of werkend in opdracht voor de Gemeente Valkenburg;”.

Daarbij heeft verweerder opgemerkt:
“Volledigheidshalve merk ik op dat ten aanzien van de correspondentie tussen de gemeente en haar advocaat geen uitzonderingsgronden aan openbaarmaking in de weg staan. Deze correspondentie dient daarom openbaar gemaakt te worden. Ik acht u bekend met de vaste lijn in de jurisprudentie (zie ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:605). In voornoemde uitspraak overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer dat de in artikel 11a van de Advocatenwet neergelegde geheimhoudingsplicht zich niet richt tot ontvangers van een door een advocaat opgesteld stuk.”

3.9    De gemeente heeft het Woo-verzoek op 18 november 2024 doorgestuurd aan klager als belanghebbende.

3.10     Op 21 november 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“In opgemelde zaak ontving ik via cliënte tot mijn verbijstering bijgaand verzoek dat u gemeend hebt te moeten indienen.

1. Ik constateer allereerst dat u zich in deze zaak achter mijn rug om rechtstreeks tot mijn cliënte hebt gewend, zonder enige vooraankondiging of kennisgeving aan mij, en zelfs zonder mij gelijktijdig een afschrift toe te zenden.
2. Met uw verzoek om openbaarmaking van de correspondentie bedoeld onder de eerste drie bullet points van uw verzoek maakt u inbreuk op de geheimhoudersrelatie tussen mij en mijn cliënte, althans tracht u stukken in handen te krijgen die onder geheimhouding vallen en waarvan u geen kennis mag nemen.
3. U doet zulks bovendien onder het doen van onjuiste mededelingen dat zich ten aanzien van correspondentie tussen cliënte en haar advocaat geen uitzonderingsgronden van toepassing zijn en dat deze correspondentie daarom openbaar gemaakt moet worden, waarbij u ten onrechte suggereert dat zulks conform vaste jurisprudentie zou zijn.

Ik acht alle drie bovengenoemde elementen in strijd met hetgeen een behoorlijk handelen advocaat betaamt. (…)”

3.11     Diezelfde dag heeft verweerder gereageerd:
“Uw verbijstering doet vermoeden dat u voorafgaand aan het WOO-verzoek onbekend was met het gegeven dat stukken tussen een gemeente en een advocaat op grond van de Wet open overheid openbaar zijn, althans dat u de gemeente daarover niet in kennis heeft gesteld (dat zal blijken uit het WOO-verzoek). Ik kan mij namelijk niet voorstellen dat u als advocaat of de gemeente als overheidsorgaan verbijsterd kunnen zijn van een beroep op een uit artikel 110 Grondwet voortvloeiend recht op informatie.

Dit is niet de plek om over het WOO-verzoek van standpunten te wisselen. U bent belanghebbende in het WOO-verzoek. Indien u wenst op dit verzoek te reageren, dan dient u daarvoor gebruik ter maken van de door de Wet open overheid geboden mogelijkheid van het indienen vaneen zienswijze.

Het staat u en uw kantoor niet vrij de gemeente te adviseren over het WOO-verzoek. U bent belanghebbende in dit WOO-verzoek. Ik veronderstel u hiermee bekend.

Ik veronderstel u ook bekend dat de geheimhoudingsplicht uitsluitend op u als advocaat van toepassing is. Deze is niet van toepassing op de gemeente als ontvanger van uw stukken. Deze geheimhoudingsplicht zet de verplichting van de gemeente om op grond van de Wet open overheid de verzochte informatie te verstrekken ook niet opzij. Uw geheimhoudingsplicht ten opzichte van de gemeente is ook niet van toepassing op mij. De gemeente is immers niet mijn cliënte (maar die van u).”


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij
a)    heeft  gehandeld in  strijd  met  gedragsregel  25,  door  zonder vooraankondiging aan, medeweten van of goedkeuring van klager rechtstreeks een Woo-verzoek in te dienen bij de gemeente;
b)    inbreuk heeft gemaakt op de geheimhoudersrelatie tussen klager en zijn cliënte, door een Woo-verzoek in te dienen bij de gemeente;
c)    ten onrechte heeft beweerd dat het vaste jurisprudentie is dat er geen uitzonderingsgronden in de weg staan aan openbaarmaking van correspondentie tussen een gemeente en diens advocaat.


5    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel a)
5.1    Volgens de raad heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het Woo-verzoek rechtstreeks bij de gemeente in te dienen en zonder daaraan voorafgaand verweerder om toestemming te vragen. Wel is de raad van oordeel dat verweerder klager van het verzoek in kennis had moeten stellen. De raad heeft in dit verband vooropgesteld dat gedragsregel 25 niet van toepassing is omdat klager de gemeente slechts bijstond in een privaatrechtelijke kwestie en een bestuursrechtelijk Woo-verzoek daar niet onder valt. De raad overwoog verder dat verweerder het verzoek op grond van de wet moest indienen bij het bevoegde orgaan. Volgens de raad had verweerder klager ook niet om goedkeuring hoeven te vragen.  

5.2    De raad heeft geoordeeld dat verweerder klager wel had moeten informeren over het gedane Woo-verzoek. Het verzoek raakte aan de privaatrechtelijke aangelegenheid waarin klager de gemeente bijstond, omdat verweerder onder meer vroeg naar de correspondentie tussen klager en de gemeente. De raad heeft overwogen dat verweerder dit niet achter de rug van klager om had mogen doen, zeker niet nadat hij daarover al met hem had gecorrespondeerd. De raad heeft daarbij verwezen naar gedragsregel 24 en gesteld dat van verweerder mocht worden verwacht dat hij met open vizier streed door klager te informeren dat hij het Woo-verzoek zou gaan doen, dan wel had gedaan. Aan die verantwoordelijk van verweerder heeft niet afgedaan dat klager daarover uiteindelijk ook geïnformeerd zou worden als belanghebbende in het kader van de Woo-procedure.
De raad heeft klachtonderdeel a) gegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.3    De raad heeft geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht op de advocaat rust en strekt ter bescherming van de cliënte, in dit geval een gemeente. Volgens de raad was de gemeente, via haar bestuursorganen, verplicht om informatie openbaar te maken als werd voldaan aan de regels van de Woo. Daarbij geldt dat als het bestuursorgaan tot openbaarmaking besluit de informatie vervolgens voor iedereen toegankelijk is en dus niet meer geheim is en dat ook verweerder die informatie dan mag inzien en gebruiken. De raad heeft daarbij overwogen dat als de wetgever in formele zin de geheimhoudingsplicht uit artikel 11a van de Advocatenwet had willen laten prevaleren boven de Woo, hij daartoe een uitzonderingsgrond had kunnen opnemen in de Woo. Dat is volgens de raad met een verwijzing naar een voorbeeld van een uitspraak (ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870, onder 9.2) niet gebeurd. Volgens de raad kon verweerder dus niet worden verweten dat hij inbreuk heeft gemaakt op de vertrouwelijkheid tussen klager en zijn cliënte. De raad heeft  klachtonderdeel b) ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

5.4    Volgens de raad ziet gedragsregel 8 op het verstrekken van onjuiste feitelijke informatie, hetgeen niet inhoudt dat verweerder geen ander juridisch standpunt in mag nemen over het al dan niet bestaan van jurisprudentie. 
Het argument van klager, dat de vaste rechtspraak waaraan verweerder heeft gerefereerd feitelijk niet bestaat en daarom onder gedragsregel 8 valt, slaagt niet, omdat het daarmee in de kern alsnog gaat over een andere interpretatie van de jurisprudentie. De raad heeft klachtonderdeel c) ook ongegrond verklaard.

5.5     De raad is tot de conclusie gekomen dat klachtonderdeel a) gegrond is en dat de klacht voor het overige ongegrond is.


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1    Volgens klager heeft de raad ten onrechte klachtonderdeel b) ongegrond verklaard. Het gaat er volgens klager om in hoeverre een advocaat gehouden is om de geheimhoudersrelatie tussen een andere advocaat en diens cliënt te respecteren. Anders dan de raad is volgens klager niet relevant dat de wetgever in de Woo geen generieke uitzondering voor correspondentie met de eigen advocaat heeft opgenomen. Een advocaat mag niet proberen alle correspondentie die een confrère met diens eigen cliënt gevoerd heeft in handen te krijgen, ook niet wanneer de betreffende cliënt een overheidsorgaan is. Daarnaast stelt klager dat hij zijn taak als advocaat van een overheidsorgaan niet meer naar behoren kan uitvoeren als hij zijn cliënte niet in vrijheid kan adviseren. Het feit dat een Woo-verzoek ook kan worden gedaan door iemand die geen advocaat is, doet hier niet aan af. 

6.2    Klager stelt daarnaast dat de raad bij de beoordeling van klachtonderdeel b) ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat zijn cliënte in de onderhavige zaak niet betrokken was in haar hoedanigheid van overheidsorgaan, maar enkel als privaatrechtelijke eigenaar van twee percelen grond. Dat brengt mee dat de Woo niet van toepassing is. Nu verweerder een oneigenlijk beroep doet op de niet-toepasselijke Woo, handelt hij klachtwaardig door te trachten vertrouwelijke correspondentie tussen klager en diens cliënt in handen te krijgen. 

6.3    Verweerder heeft volgens klager de cliënte van klager op de mouw gespeld dat zij aan het Woo-verzoek gehoor diende te geven omdat uit vaste jurisprudentie zou blijken dat de correspondentie tussen een overheidsorgaan en zijn advocaat openbaar gemaakt dient te worden, terwijl dergelijke jurisprudentie in het geheel niet bestaat. Volgens klager is het een advocaat niet toegestaan om te beweren dat er vaste jurisprudentie bestaat wanneer er niet alleen geen sprake is van vaste jurisprudentie, maar wanneer er zelfs in het geheel geen jurisprudentie is waarin iets dergelijks wordt geoordeeld. Verweerder stelt daarmee iets waarvan hij simpelweg weet dat het niet waar is en dat doet hij om de wederpartij ergens toe te bewegen, hetgeen tuchtrechtelijk verwijtbaar is. 

6.4    De klachtonderdelen dienen volgens klager niet alleen afzonderlijk, maar ook in onderlinge samenhang te worden beschouwd. Het verzoek aan het hof is om dat alsnog te doen.

Beroepsgronden verweerder

6.5    Volgens verweerder heeft de raad een verrassingsbeslissing gegeven door gedragsregel 24 toe te passen, nu zowel de schriftelijke discussie tussen klager en verweerder bij de deken als de schriftelijke en mondelinge discussie bij de raad zich uitsluitend hebben toegespitst op gedragsregel 25. Verweerder heeft niet de mogelijkheid gehad zich uit te laten over de eventuele toepassing van gedragsregel 24 zodat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. 

6.6    Ook inhoudelijk kan verweerder zich niet vinden in de uitleg van gedragsregel 24 door de raad. Volgens verweerder hoefde hij er niet op bedacht te zijn dat in het geval gedragsregel 25 niet geldt, hij toch gehouden is om klager in kennis te stellen op grond van gedragsregel 24. Daarbij is sprake van enkele feitelijke onjuistheden in de beslissing van de raad. Zo wordt volgens verweerder ten onrechte de suggestie gewekt dat hij iets probeerde te bewerkstelligen achter de rug van klager om. Verweerder heeft enkel een daartoe door de wet geboden mogelijkheid gebruikt om informatie bij een bestuursorgaan op te vragen. Daarnaast is de suggestie onjuist dat verweerder al eerder met klager zou hebben gecorrespondeerd over de bescheiden die verweerder voor zijn cliënten middels het Woo-verzoek heeft opgevraagd. Verweerder heeft klager enkel vragen gesteld over het optreden van klager in de civiele kwestie waarin de gemeente betrokken was. Verweerder heeft klager niet voorafgaand aan het Woo-verzoek gevraagd om een afschrift van diens correspondentie met de gemeente, maar pas voor het eerst in het Woo-verzoek. 

6.7    Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat – zelfs als zijn handelen al klachtwaardig zou zijn – de opgelegde maatregel van een waarschuwing en veroordeling in de (proces)kosten disproportioneel is. Indien het hof de toepassing en uitleg van gedragsregel 24 van de raad onderschrijft, kon verweerder daar op voorhand geen rekening mee houden en zou het niet redelijk zijn een maatregel op te leggen. Daarnaast wijst verweerder op het qua ernst geringe tuchtrechtelijk vergrijp en het feit dat de situatie bij het doen van een kennisgeving door verweerder feitelijk niet heel anders zou zijn geweest, omdat klager dan nog steeds had moeten navragen wat de inhoud van het verzoek was. De raad had volgens verweerder dan ook moeten volstaan met het gegrond verklaren van klachtonderdeel a) zonder oplegging van een maatregel en zonder veroordeling in de (proces)kosten.  

Verweer klager en verweerder

6.8    Klager en verweerder hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de over en weer aangevoerde gronden voor beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 
Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Ten aanzien van klachtonderdeel a): het indienen van een Woo-verzoek

7.3    Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijke norm heeft overschreden door het indienen van een Woo verzoek. Verweerder heeft met het indienen van het Woo-verzoek bij het bevoegde bestuursorgaan immers gehandeld volgens de wetten die bepalen hoe dergelijke aanvragen rechtsgeldig ingediend moeten worden. Er is geen norm die verweerder verplichtte daarvoor eerst goedkeuring aan klager te vragen. Het hof wijst in dat verband op het feit dat in beginsel een ieder door middel van het indienen van een dergelijke verzoek toegang kan krijgen tot overheidsinformatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen. Klager heeft dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zonder vooraankondiging en goedkeuring van klager het Woo-verzoek rechtstreeks bij de gemeente in te dienen. 

7.3    Dat ligt anders voor het verwijt dat klager verweerder maakt dat verweerder het Woo-verzoek zonder medeweten van klager heeft ingediend bij de gemeente. In dit verband stelt het hof vast dat verweerder voorafgaand aan het Woo-verzoek met klager heeft gecorrespondeerd over de rol van klager bij het veranderde standpunt van de cliënte van klager. Vervolgens heeft verweerder naar aanleiding van het gewijzigde standpunt van de gemeente in de privaatrechtelijke kwestie het Woo-verzoek ingediend. Dat verzoek was mede gericht op de rol van klager als advocaat van zijn cliënte. Nu klager als advocaat van de gemeente zelf onderwerp was van het Woo-verzoek had verweerder hem in het kader van het streven naar een onderlinge verhouding tussen advocaten die berust op welwillendheid en vertrouwen, van dat verzoek in kennis moeten stellen. Zoals de raad het verwoordde had van verweerder mogen worden verwacht dat hij met open vizier (transparant) handelde. Door dat na te laten heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Klachtonderdeel a) blijft gegrond. 

7.4    Het hof verwerpt het verweer van verweerder dat sprake is van een verrassingsbeslissing door de raad. Naar het oordeel van het hof heeft de raad het beginsel van hoor en wederhoor voldoende in acht genomen, nu verweerder zich uit heeft kunnen laten over de door klager opgevoerde klachtonderdelen en de in het geding gebrachte stukken. Dat klager in zijn omschrijving van de klacht enkel heeft verwezen naar gedragsregel 25 doet daar niet aan af. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels en toetst aan artikel 46 Advocatenwet. Daarbij geldt dat verweerder zich in dit hoger beroep heeft kunnen laten over de onderlinge welwillendheid tussen advocaten waardoor een eventueel gebrek is hersteld. 

Ten aanzien van klachtonderdeel b) : inbreuk op de geheimhoudersrelatie?

7.5    Het hof leidt uit de stukken af dat verweerder een breder Woo-verzoek heeft gedaan bij de gemeente om verstrekking van alle gevoerde correspondentie met betrekking tot het geschil waarin verweerder voor zijn cliënten optrad en dat de verzoeken om openbaarmaking van de correspondentie waar klager bij betrokken was daar een onderdeel van was. De inzet van verweerder met het indienen van het Woo-verzoek was om de reden voor de wijziging van het standpunt van de gemeente boven tafel te krijgen en te achterhalen welke rol de advisering van klager daarin speelde. Het besluit tot het al dan niet openbaar maken van de gevraagde correspondentie is een afweging die ligt bij het bestuursorgaan en na het besluit tot openbaarmaking is de betreffende informatie voor een ieder toegankelijk. Dat verweerder de geheimhoudersrelatie tussen klager en zijn cliënte, het bestuursorgaan, niet zou hebben gerespecteerd is het hof niet gebleken. Door het Woo-verzoek zelf is nog geen inbreuk gemaakt op de geheimhoudersrelatie. Voor zover verweerder door het Woo-verzoek vertrouwelijke correspondentie zou hebben verkregen had hij daarvan pas kennis kunnen nemen na advies en overleg met de deken. Zover is het evenwel niet gekomen omdat het Woo-verzoek door de gemeente is afgewezen. Met de raad is het hof dan ook van oordeel dat verweerder het Woo-verzoek tot openbaarmaking van de correspondentie tussen klager en zijn cliënte heeft mogen doen en dat daarmee (nog) geen inbreuk is gemaakt op de vertrouwelijkheid tussen klager en zijn cliënte. 

7.6     Het hof verklaart klachtonderdeel b) ongegrond. 

Ten aanzien van klachtonderdeel c): onjuiste feitelijke informatie?

7.7     Voor wat het verwijt van klager betreft dat verweerder onjuiste feitelijke informatie zou hebben verstrekt bij het Woo-verzoek, sluit het hof aan bij de overwegingen van de raad. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder een ander juridisch standpunt in mocht nemen over het al dan niet bestaan van jurisprudentie en de inhoud daarvan.  

7.8    Klachtonderdeel c) blijft ongegrond. 

Slotsom

7.9     Het hof komt net als de raad tot de conclusie dat klachtonderdeel a) gegrond is en dat de klacht voor het overige ongegrond is. De beroepsgronden van zowel klager als verweer slagen niet. 


8    MAATREGEL

8.1    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door klager niet in kennis te stellen van het Woo-verzoek dat hij bij de cliënte van klager had ingediend, terwijl het verzoek betrekking had op het gewijzigde standpunt van de gemeente en de rol van klager daarin en verweerder daarover ook al met klager zelf had gecorrespondeerd. Met de raad is het hof van oordeel dat een zakelijke terechtwijzing van verweerder in dit geval op zijn plaats is. Het verweer van verweerder op dit punt geeft het hof geen aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. Het hof acht het opleggen van een waarschuwing dan ook passend en geboden. 


9    PROCESKOSTEN

9.1    Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.2     Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    
                                                                                                                              
a) € 50,- kosten  van klager (forfaitair); 
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.4     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1     bekrachtigt de beslissing van 24 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-453/DB/LI;

10.2    veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van 
€ 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.3     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. V. Wolting en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 17 juli 2026.