We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:230 Hof van Discipline 's Gravenhage 250466

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:230
Datum uitspraak: 17-07-2026
Datum publicatie: 21-07-2026
Zaaknummer(s): 250466
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Geheimhoudingsplicht
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarop al eerder is beslist
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Het betreft een klacht over verweerder die als gezamenlijke echtscheidingsadvocaat voor klager en zijn ex-vrouw is opgetreden. Zijn ex-vrouw had al eerder geklaagd over verweerder. De raad van discipline had al onherroepelijk geoordeeld dat verweerder zijn zorgplicht had geschonden. Het hof is van oordeel dat de klacht van klager over verweerder inhoudelijk een herhaling is van de klacht van zijn ex-vrouw. Op grond van het ne bis in idem beginsel is klager niet ontvankelijk in zijn klacht over schending van de zorgplicht. De klacht dat klager door uitlatingen van verweerder geen opvolgend advocaat kon vinden is onvoldoende onderbouwd en daarmee ongegrond. 

Beslissing van 17 juli 2026
in de zaak 250466

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1    INLEIDING

1.1    Het betreft een klacht over verweerder die als gezamenlijke echtscheidingsadvocaat voor klager en zijn ex-vrouw is opgetreden. Zijn ex-vrouw had al eerder geklaagd over verweerder. De raad van discipline had al onherroepelijk geoordeeld dat verweerder zijn zorgplicht had geschonden. Het hof is van oordeel dat de klacht van klager over verweerder inhoudelijk een herhaling is van de klacht van zijn ex-vrouw. Op grond van het ne bis in idem beginsel is klager niet ontvankelijk in zijn klacht over schending van de zorgplicht. De klacht dat klager door uitlatingen van verweerder geen opvolgend advocaat kon vinden is onvoldoende onderbouwd en daarmee ongegrond. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-322/DH/RO) op 8 december 2025 een beslissing gewezen. In deze beslissing is het klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk verklaard en is klachtonderdeel b) ongegrond verklaard.  

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:256 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 3 januari 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van verweerder.

2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 22 mei 2026. Daar is verweerder, bijgestaan door mr. Van Oijen verschenen. Klager is via een videoverbinding verschenen. Namens verweerder heeft mr. Van Oijen zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    Klager was hiervoor getrouwd met mevrouw H. Zij hebben zich gewend tot verweerder voor een
gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek. 

3.3    Verweerder heeft op 29 augustus 2023 in een e-mail aan klager geschreven: 

“Naar aanleiding van ons telefoongesprek bevestig ik u hierdoor dat ik op uw verzoek u en uw echtgenote als advocaat zal bijstaan inzake echtscheiding onder de eerder aan u geoffreerde tariefafspraak.

Ik heb inmiddels de door u opgestelde stukken bestudeerd en bijgaand verzoekschrift tot echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek opgesteld. (…)

Aangaande het verdere verloop van de procedure hebben wij afgesproken dat wij morgen om 11.00 uur via het internet een videobespreking zullen hebben.” 

3.4    Verweerder heeft vervolgens op 30 augustus 2023 een telefonische bespreking met klager en mevrouw H. gevoerd.

3.5    Op 26 september 2023 heeft de rechtbank de echtscheidingsbeschikking gewezen.

3.6    Op 8 en 16 november 2023 schrijft verweerder per e-mail aan klager en mevrouw H. dat hij nog geen ondertekende akte van berusting heeft ontvangen. Op 22 november 2023 reageren klager en mevrouw H. en geven aan hier midden december op terug te komen. 

3.7    Op 17 januari 2024 vraagt verweerder in een e-mail aan klager en mevrouw H. nogmaals om de ondertekende akten en om hun telefoonnummers.

3.8    Op 18 januari 2024 vraagt verweerder per e-mail om de telefoonnummers van klager en mevrouw H. en verzoekt hen vanwege de inhoud van de gevoerde correspondentie om een verificatie op kantoor. 

3.9    Op 22 januari 2024 schrijft klager in een e-mail aan verweerder dat er een verschil van mening is ontstaan en verzoekt hij verweerder zich terug te trekken als advocaat. 

3.10     De beschikking is nadien niet ingeschreven door verweerder, omdat hij geen ondertekende akte van berusting ontving van klager. 

3.11     Op 25 januari 2024 heeft verweerder zijn werkzaamheden voor zowel klager als mevrouw H. neergelegd wegens onder meer een vertrouwensbreuk.

3.12     Klager is daarna op zoek gegaan naar een nieuwe advocaat en heeft eerst met mr. W en vervolgens met mr. S. gesproken. Beide advocaten hebben verweerder benaderd. Op 24 januari 2024 heeft verweerder aan mr. W geschreven:
“Zoals zojuist telefonisch met u besproken bevestig ik u dat ik namens [klager] verder geen
werkzaamheden kan verrichten daar ik tot op heden voor cliënt [klager] en zijn echtgenote
cliënte mevrouw [H] gezamenlijk ben opgetreden.
Van de zijde van mevrouw [H] bereikte mij gisteren het bericht dat de echtscheiding en het
opgestelde convenant en ouderschapsplan onder dwaling/dwang en bedrog tot stand is
gekomen en mij geen toestemming wordt gegeven om verdere werkzaamheden te verrichten.
Zoals ik u berichtte had ik al eerder het vermoeden dat [klager] informatie voor mij achterhield.”

3.13     Mr. W heeft daarop op 25 januari 2024 kenbaar gemaakt niet namens klager op te treden.

3.14     Ook de nieuwe advocaat van mevrouw H, mr. C, heeft zich bij verweerder gemeld als
opvolgend advocaat. Verweerder heeft aan haar op 26 januari 2024 geschreven:

“Ik zal het dossier per post aan u versturen. Op voorhand zend ik u afschriften van de laatste
berichten van mij aan mevrouw [H] en [klager].
Graag heb ik ook even telefonisch overleg met u. Voor wat betreft [klager] kan ik u berichten dat deze aanvankelijk aangaf dat [mr. W] hem verder zou bijstaan maar die heeft mij inmiddels
bevestigd dat zij hem niet bijstaat.
Vervolgens heeft [mr. S] mij telefonisch benaderd maar die heeft mij telefonisch bevestigd dat
zij meneer niet zal bijstaan. Er heeft zich verder geen advocaat bij mij gemeld.
Kunt u mij vandaag even bellen?”

3.15     Mevrouw H. heeft al eerder een klacht ingediend over verweerder. De raad heeft die klacht op 13 januari 2025 gegrond verklaard, omdat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende zware zorgplicht als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat (RvD Den Haag, 15 januari 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:1). Er is geen hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing, zodat de beslissing onherroepelijk is geworden.


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij
a)    zijn zorgplicht in de echtscheidingsprocedure niet is nagekomen, waardoor klager in
ernstige financiële en gezondheidsproblemen is gekomen;
b)    er in opdracht van mevrouw H. alles aan heeft gedaan om ervoor te zorgen dat klager geen opvolgend advocaat kon vinden die de zaak op toevoegingsbasis wilde overnemen.


5    BEOORDELING RAAD

5.1    Voor wat betreft klachtonderdeel a) heeft de raad geoordeeld dat dit inhoudelijk een herhaling betreft van de klacht die heeft geleid tot de onherroepelijke beslissing van de raad van 13 januari 2025, waarin de raad had geoordeeld dat verweerder niet aan de zorgplicht als gemeenschappelijke echtscheidingsadvocaat heeft voldaan, nadat de ex-vrouw van klager (mevrouw H.) daarover een klacht had ingediend. Gelet op het ne bis in idem-beginsel, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, en inhoudt dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld, kan en zal de raad zich daar niet nog een keer over buigen. De raad heeft klachtonderdeel a) dan ook niet-ontvankelijk verklaard. 

5.2    Ten aanzien van klachtonderdeel b) heeft de raad op basis van het dossier en in het bijzonder uit de correspondentie die verweerder heeft overgelegd niet kunnen vaststellen dat verweerder klager heeft zwartgemaakt bij zijn (mogelijk) nieuwe advocaten. Daarbij heeft klager de passage ”Zoals ik u berichtte had ik al eerder het vermoeden dat [klager] informatie voor mij achterhield.” voldoende toegelicht om deze te verklaren en heeft klager dit klachtonderdeel ook verder niet onderbouwd. De raad kon dan ook niet vaststellen dat verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De raad heeft nog opgemerkt dat de omstandigheid dat opvolgend advocaten niet voor klager wilden optreden op basis van een toevoeging, niet ziet op het handelen of nalaten van verweerder, zodat dit hem niet kan worden aangerekend. De raad heeft  klachtonderdeel b) ongegrond verklaard.


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1    Klager is het niet eens met de raad en stelt dat verweerder zijn zorgplicht niet is nagekomen en verder is gegaan met hem zwart te maken bij andere advocaten. Klager benadrukt dat hij de bij de raad ingediende gronden herhaalt en stelt dat zijn leven totaal is verwoest door verweerder. 

Verweer verweerder

6.2    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Krachtens vaste jurisprudentie geldt dat op een advocaat, die optreedt als enige advocaat van twee partijen om op hun gemeenschappelijk verzoek een echtscheidingsconvenant op te stellen en een echtscheiding tot stand te brengen, een zware zorgplicht rust, die onder meer met zich meebrengt dat hij beide partijen goed voorlicht en dat hij zich ervan vergewist dat beide partijen een te treffen regeling begrijpen. Indien een partij met minder genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken dan dient de advocaat zich ervan te vergewissen dat deze partij begrijpt met minder genoegen te nemen en dat deze partij een dergelijke concessie welbewust aanvaardt (HvD 9 april 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:61).

7.3    Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.

Ten aanzien van klachtonderdeel a)

7.4    Klachtonderdeel a) ziet op het handelen van verweerder als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat voor klager en mevrouw H. Klager is het, zo is ter zitting nog toegelicht, niet eens met het oordeel van de raad dat zijn klacht op dit punt inhoudelijk een herhaling is van de klacht van mevrouw H. over verweerder die gegrond is verklaard. Volgens klager is het feitencomplex waarop zijn klacht ziet anders dan dat van mevrouw H., zodat het ne-bis-in-idembeginsel niet van toepassing is. 

7.5    Het hof stelt voorop dat het ne-bis-in-idembeginsel, dat is neergelegd in artikel 47b, eerste lid, Advocatenwet, inhoudt dat een advocaat geen tweede maal kan worden berecht voor een handelen of nalaten waarvoor ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Het hof verwijst voor de toetsingsnorm met betrekking tot de vraag of sprake is van schending van het ne-bis-in-idembeginsel, naar de uitspraken van het Hof van Discipline van 20 juni 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:111) en 10 juli 2023 (ECLI:NL:TAHVD:2023:116). In deze uitspraken heeft het hof overwogen dat er geen sprake is van schending van het ne-bis-in-idembeginsel als de tweede klacht niet gelijk is aan de eerste. 

7.6    Anders dan klager is het hof van oordeel dat er sprake is van een in essentie gelijke klacht van klager over het handelen van verweerder waarover de raad van discipline al eerder onherroepelijk heeft geoordeeld. In deze procedure gaat de klacht van klager namelijk ook over het niet nakomen van de zorgplicht door verweerder die op hem als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat rustte. Het betreft een soortgelijke klacht over hetzelfde feitencomplex en klager heeft geen wezenlijke andere punten genoemd die niet ook in de beslissing van de raad in de klacht van mevrouw H. aan de orde zijn gekomen. 

7.7    Het hof stelt vast dat de belangen van klager en mevrouw H. weliswaar op accenten anders lagen (vanuit de verschillende perspectieven), maar dat de klacht van klager in de kern op hetzelfde neerkomt als de klacht van mevrouw H. waar al een onherroepelijke tuchtrechtelijke eindbeslissing over is genomen. Zo is er door de raad in zijn beslissing van 15 januari 2025 al geoordeeld dat verweerder geen onderzoek had gedaan naar de waarde van de woning en het geldbedrag (van 
€ 59.000) dat door klager (contant) aan mevrouw H. zou zijn gedaan. Dat klager erover klaagt dat  er van een te hoge overwaarde van de woning is uitgegaan en dat hij mevrouw H. contant heeft betaald en zich opgelicht voelt, valt al onder de reikwijdte waarover de raad naar aanleiding van de klacht van mevrouw H. al een onherroepelijk oordeel heeft geveld. Het hof is dan ook met de raad van oordeel dat de klacht van klager inhoudelijk een herhaling is van de klacht die heeft geleid tot de onherroepelijke beslissing van de klacht van mevrouw H., zodat het hof daar niet nog een keer over kan oordelen gelet op het voornoemde ne bis in idem-beginsel. 

7.8    Het beroep tegen het oordeel over klachtonderdeel a) slaagt niet. Klager is niet ontvankelijk in klachtonderdeel a).  

Ten aanzien van klachtonderdeel b)

7.9    Klager heeft ter zitting toegelicht dat het zwaartepunt van zijn klacht op het tweede klachtonderdeel ligt, waarin verweerder verweten wordt dat hij klager tegenover andere advocaten zwart gemaakt heeft. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting besproken is, stelt het hof vast dat verweerder na zijn e-mails aan klager en diens ex-vrouw van 25 januari 2024 zijn werkzaamheden heeft neergelegd en niet is gebleken dat hij nog voor één van beiden heeft opgetreden. Daarnaast is het hof met de raad van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder klager heeft zwartgemaakt bij de advocaten die klager had benaderd nadat verweerder zijn werkzaamheden had neergelegd of dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. De onderbouwing die klager daarvoor heeft gegeven is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en ook hetgeen klager in hoger beroep daarover naar voren heeft gebracht brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het beroep tegen het oordeel over klachtonderdeel b) slaagt niet. 

Slotsom

7.10     Het hof verklaart klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk en klachtonderdeel b) ongegrond. 


8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1    bekrachtigt de beslissing van 8 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 25-322/DH/RO. 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. V. Wolting en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 17 juli 2026.