ECLI:NL:TAHVD:2026:23 Hof van Discipline 's Gravenhage 240373
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:23 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 28-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 240373 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft klagers bijgestaan in fiscaal-strafrechtelijke procedures. De raad heeft geoordeeld dat verweerder niet met de zorgvuldigheid heeft gehandeld die van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Voor ogenschijnlijk beperkte inspanningen, waarbij de inhoudelijke werkzaamheden vooral door een collega-advocaat lijken te zijn verricht, heeft verweerder forse declaraties aan klagers gestuurd. Ook heeft verweerder onvoldoende laten zien over de (strafrechtelijke) vakkundige kennis te beschikken die noodzakelijk was voor een goede behandeling van de zaken. Verder is niet gebleken dat verweerder klagers op enig moment heeft geadviseerd over hun positie in de betreffende procedures of over hun procedurele kansen en risico’s. Tot slot heeft verweerder niet transparant gedeclareerd. De raad heeft de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft als maatregel een voorwaardelijke schorsing van vier weken, met kostenveroordeling, passend geacht. Het hof verklaart het hoger beroep tegen het door de raad ongegrond verklaarde klachtonderdeel c) -inhoudende dat verweerder op de zitting van 20 oktober 2022 een ongeïnteresseerde en niet-actieve houding heeft getoond- gegrond en legt als maatregel een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken op. |
Beslissing van 26 januari 2026
in de zaak 240373
naar aanleiding van het hoger beroep van:
Klager 1
Klaagster 2
Klaagster 3
Klaagster 4
Hierna samen klagers.
Gemachtigden: mr. M.H.M. Boekhorst Carillo en mr. D.J. Kramer
tegen:
verweerder
Gemachtigde: mr. I.N.A. Denninger
1 INLEIDING
1.1 Het betreft een klacht van klagers tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft klagers bijgestaan in fiscaal-strafrechtelijke procedures. De raad heeft geoordeeld dat verweerder niet met de zorgvuldigheid heeft gehandeld die van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Voor ogenschijnlijk beperkte inspanningen, waarbij de inhoudelijke werkzaamheden vooral door een collega-advocaat lijken te zijn verricht, heeft verweerder forse declaraties aan klagers gestuurd. Ook heeft verweerder onvoldoende laten zien over de (strafrechtelijke) vakkundige kennis te beschikken die noodzakelijk was voor een goede behandeling van de zaken. Verder is niet gebleken dat verweerder klagers op enig moment heeft geadviseerd over hun positie in de betreffende procedures of over hun procedurele kansen en risico’s. Tot slot heeft verweerder niet transparant gedeclareerd. De raad heeft de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft als maatregel een voorwaardelijke schorsing van vier weken, met kostenveroordeling, passend geacht. Het hof verklaart het hoger beroep tegen het door de raad ongegrond verklaarde klachtonderdeel c) -inhoudende dat verweerder op de zitting van 20 oktober 2022 een ongeïnteresseerde en niet-actieve houding heeft getoond- gegrond en legt als maatregel een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken op.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummer: 24-603/A/A) een beslissing gewezen op 18 november 2024. In deze beslissing is de klacht van klagers gedeeltelijk niet ontvankelijk, deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van vier weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:199 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 18 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
28 november 2025. Daar zijn verschenen klager 1, mede namens de medeklaagsters, bijgestaan
door mrs. Boekhorst Carrillo en Kramer, en verweerder, bijgestaan door mr. Denninger.
Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die
onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende.
a) verweerder blijkt bij de behandeling van de zaken niet voldoende of in het geheel niet vakkundig te zijn; bij tekortkomingen en fouten communiceert verweerder daar niet over en evenmin bespreekt hij de mogelijke consequenties daarvan;
b) verweerder heeft niet gedaan wat hij had toegezegd te doen en had behoren te doen bij het onderzoek en de voorbereiding op de strafzittingen, waaronder het niet tijdig opgeven van de onderzoekwensen en het niet voorbereiden van de verdediging op zitting;
c) verweerder heeft op de zitting van 20 oktober 2022 een ongeïnteresseerde en niet-actieve houding getoond;
d) verweerder was onvoldoende transparant in de behandeling van de zaken en niet duidelijk over de positie van klagers in de lopende procedures;
e) verweerder heeft de gemaakte afspraken over de te verlenen rechtsbijstand en zijn honorarium niet of onvoldoende vastgelegd;
f) verweerder heeft zijn declaraties op een onduidelijke manier ingericht en onvoldoende gespecificeerd, waarbij niet duidelijk is welke werkzaamheden voor welke zaak en welke klager/klaagster is verricht.
5 BEOORDELING RAAD
ontvankelijkheid
5.1 De klacht heeft betrekking op verweerders bijstand in de periode van (ongeveer) juli 2019 tot begin mei 2023. Voor zover geklaagd wordt over verweerders bijstand in 2019 tot en met 20 augustus 2020 geldt dat die bijstand langer dan drie jaar voor indiening van de klacht van 21 augustus 2023 heeft plaatsgevonden. Daarmee is de klacht over verweerders bijstand in die periode gelet op artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet te laat ingediend.
5.2 De raad heeft overwogen dat het beroep van klagers op de uitzonderings- ofwel verlengingsgrond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet niet slaagt. Van belang is volgens de raad dat op het moment dat klagers naar eigen zeggen bekend zijn geworden met de gedragingen van verweerder waarover wordt geklaagd, een groot deel van die gedragingen nog vielen binnen de vervaltermijn. Klagers hadden derhalve tijdig kunnen klagen over deze gedragingen. Bovendien geldt dat klagers het aanvangen van de vervaltermijn ten onrechte afhankelijk stellen van het resultaat van verweerders bijstand (de subjectieve wetenschap over verweerders handelen). Het gaat er echter om of klagers destijds naar objectieve maatstaven kennis hebben genomen of redelijkerwijs kennis hebben kunnen nemen van verweerders handelen. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat dit niet het geval was en dat evenmin is gebleken dat sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht.
5.3 Gelet op overweging 5.2 geldt dat de klachtonderdelen die zien op verweerders bijstand voor 20 augustus 2020 op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk zijn. De raad heeft daarom klachtonderdeel a) (gedeeltelijk), klachtonderdeel e) (volledig) en klachtonderdeel f) (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk verklaard.
ontvankelijkheid - belang klaagster 4
5.4 De raad heeft overwogen dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen over een advocaat niet aan eenieder toe komt, maar slechts aan diegene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is, of kan, worden getroffen.
5.5 Klager 1 heeft ter zitting verklaard dat klaagster 4 geen onderdeel uitmaakte van het onderzoek van de FIOD en de daarop volgende procedures waarin verweerder (mede) bijstand verleende. Verweerder heeft wel andere werkzaamheden verricht voor klaagster 4 en voor die werkzaamheden gedeclareerd. Klaagster 4 is daarmee naar het oordeel van de raad uitsluitend rechtstreeks betrokken bij de klachtonderdelen e) en f) die gaan over het declaratiegedrag van verweerder. Dat betekent dat klaagster 4 uitsluitend in die klachtonderdelen kan worden ontvangen. De raad heeft geoordeeld dat nu is vastgesteld dat klachtonderdeel e) ziet op gedragingen buiten de vervaltermijn, klaagster 4) uitsluitend ontvangen kan worden in klachtonderdeel f).
klachtonderdelen a) (gedeeltelijk), b) en d)
5.6 Deze klachtonderdelen lenen zich volgens de raad gelet op hun onderlinge samenhang voor een gezamenlijke bespreking. Deze klachtonderdelen zien - kort gezegd - op de kwaliteit van verweerders bijstand in de procedures en de schriftelijke vastlegging van belangrijke informatie en afspraken. Volgens klagers was verweerder, anders dan op zijn website stond, niet voldoende vakkundig om de omvangrijke en gecompliceerde fiscaal-strafrechtelijke zaken voor klagers te behandelen (klachtonderdeel a). Daarbij heeft verweerder niet gedaan wat hij moest doen bij de voorbereiding op de zittingen en heeft hij niet tijdig onderzoekswensen ingediend (klachtonderdeel b). Verder was verweerder niet transparant en duidelijk over de positie van klagers in de lopende procedures (klachtonderdeel d).
5.7 De raad heeft overwogen dat uit de gedingstukken naar voren komt dat klagers al vele jaren (circa 15 jaar) cliënten waren van verweerder en dat verweerder en klager 1 bevriend waren geraakt. In het langdurige fiscale fraudeonderzoek, waar het in de onderliggende zaken om draait, werd verweerder medio 2019 na een inval van de FIOD gevraagd om (vooral) strafrechtelijk op te treden naast fiscaal advocaat mr. L. Verweerder heeft met name ter zitting van de raad geprobeerd zijn rol in deze procedures kleiner te maken dan klagers doen voorkomen. Verweerder zou niet ingeschakeld zijn omdat hij specialist was op het gebied van het strafrecht - verweerder zou juist een brede algemene praktijk hebben - en mr. L zou in de zaken de ‘lead’ hebben en ook verstand hebben van strafzaken. De raad heeft overwogen dat uit het klachtdossier niet valt op te maken welke afspraken precies tussen klagers, mr. L en verweerder zijn gemaakt, nu verweerder geen opdrachtbevestiging heeft gestuurd met afspraken over zijn rol in deze procedures (hetgeen niet meer ter toetsing voorligt nu dit punt buiten de vervaltermijn valt). Wat er ook zij van de rolverdeling tussen mr. L en verweerder, niet in geschil is dat klagers voor hun betrokkenheid bij het omvangrijke fraudeonderzoek (ook) de bijstand van verweerder hadden ingeroepen en verweerder die bijstand op zich genomen heeft. De raad is van oordeel dat verweerders bijstand - net als die van elke advocaat – dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt en dat ook waar sprake is van een vriendschappelijke basis tussen een advocaat en cliënt de opdracht uitgevoerd moet worden met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
5.8 Op grond van het klachtdossier wordt de indruk gewekt dat verweerder de zaken voor klagers als vriendendienst deed en met name meekeek met het werk van mr. L. Zo reageert verweerder op stukken door mr. L opgesteld ten behoeve van de zitting van 20 oktober 2022 met hierbij mijn ‘minimale correcties’ (e-mail 10 oktober 2022) of volstond hij met - zoals klager onweersproken heeft gesteld in zijn e-mail van 23 januari 2023 - ‘ziet er goed uit’, terwijl hij ondertussen stevig declareerde voor de werkzaamheden. Tekenend voor de nonchalante houding van verweerder is de e-mail van verweerder van 11 september 2020 waarin hij naar aanleiding van een doorgezonden opzet van mr. L naar klager 1 reageert met: “Zeg maar dat je zelf een opzet maakt. Doen we een keer in de avond met een fles wijn erbij kost het alleen de wijn.” Uit het dossier blijkt nergens dat verweerder een plan van aanpak heeft gemaakt of een analyse heeft gegeven van de aan hem voorgelegde problemen. Evenmin is het de raad gebleken dat verweerder klagers heeft geadviseerd over hun positie in de betreffende procedures of hun procedurele kansen en risico’s. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat hij klager 1 tijdens de behandeling van de procedures bijna dagelijks aan de telefoon had en klager 1 een hekel had aan papier, om welke reden hij niets schriftelijk heeft vastgelegd. Dit moge de wens van klager 1 zijn, maar op grond van de gedragsregels was verweerder wel degelijk gehouden om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënten te bevestigen en geldt dat - als dat wordt verzuimd - het bewijsrisico daaromtrent op verweerder rust (gedragsregel 16 lid 1). De raad heeft vastgesteld dat, bij gebreke van een schriftelijke vastlegging in onderhavig klachtdossier, niet kan worden getoetst hoe verweerder klagers heeft geadviseerd en of hij daarbij is ingegaan op zaken als een processtrategie en de te verwachten kosten van zijn bijstand. De raad heeft geoordeeld dat dit in het nadeel van verweerder uitpakt en heeft klachtonderdelen a) (gedeeltelijk) en d) gegrond verklaard.
5.9 Verweerder heeft erkend dat de onderzoekswensen door een telfout van hem in de dagen te laat zijn ingediend bij de rechtbank Amsterdam en dat als gevolg hiervan de verzoeken na de regiezitting van 10 maart 2022 integraal zijn afgewezen op het zwaardere noodzaakcriterium in plaats van het verdedigingscriterium. Verweerder vindt dit zeer vervelend, maar denkt dat het in de procedure geen invloed heeft gehad nu de kans groot is dat ook onder het verdedigingscriterium het verzoek zou zijn afgewezen. De raad heeft overwogen dat, nog afgezien van het feit dat verweerder met deze fout tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, klagers verweerder terecht - en onbetwist - hebben verweten dat hij niet open en duidelijk heeft gecommuniceerd over deze fout en de consequenties ervan. Gelet hierop heeft de raad klachtonderdeel b) eveneens gegrond verklaard.
klachtonderdeel c)
5.10 Klagers hebben aangevoerd dat verweerder op de zitting van 20 oktober 2022 een zichtbaar ongeïnteresseerde en niet-actieve houding heeft laten zien. Verweerder had geen eigen verhaal, maar heeft enkel de tekst van mr. L voorgedragen. Verweerder reageerde nauwelijks adequaat op de stellingen van het OM en heeft geen enkel woord besteed aan de eis van de officier van justitie tot oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Verweerder had onvoldoende grip op de materie en was onvoldoende voorbereid. Kennelijk voelde verweerder zelf dat hij niet goed presteerde, omdat hij zich verontschuldigde tegenover de rechtbank dat het pleidooi niet helemaal goed was uitgewerkt.
5.11 Volgens verweerder is dit klachtonderdeel onzinnig en pertinent onjuist. De spanning voor de zitting was groot. Naast het feit dat het zaken betroffen met zeer grote belangen, waren deze ook nog eens de belangen van een zeer goede bekende waarmee een vriendschappelijke band was ontstaan. Van ongeïnteresseerdheid was dan ook in het geheel geen sprake. Het pleidooi was bovendien wel goed uitgewerkt en verweerder heeft zich dan ook niet op zitting hiervoor verontschuldigd.
5.12 De raad heeft overwogen dat het aan klagers is om een tuchtklacht voldoende feitelijk en concreet te omschrijven en met bewijs te onderbouwen. Tegenover het verweer van verweerder hebben klagers dit klachtonderdeel naar het oordeel van de raad onvoldoende onderbouwd. De waarneming van de gemachtigde van klager kan niet gelden als voldoende bewijs hiervoor. Ook in de overgelegde stukken zijn geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van klagers verwijten. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt, heeft de raad klachtonderdeel c) ongegrond verklaard.
klachtonderdeel f) (gedeeltelijk)
5.13 Klagers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder zijn declaraties op een onduidelijke manier heeft ingericht, onvoldoende heeft gespecificeerd en niet duidelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden voor welke zaak en welke klager/klaagster zijn verricht. Bovendien heeft verweerder externe hulp ingehuurd voor onder meer de strategie in hoger beroep, de onderzoekswensen en de op te geven getuigen en hiervoor 5,5 uur geschreven. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom hij deze externe expertise moest inhuren. Tot slot verwijten klagers verweerder dat uit zijn urenstaten volgt dat hij veel meer tijd heeft besteed aan het lezen van de stukken van mr. L, dan mr. L heeft besteed aan het opstellen ervan.
5.14 De raad heeft voorop gesteld dat in dit klachtonderdeel uitsluitend de declaraties verzonden na 20 augustus 2020 ter beoordeling voorliggen. Voor deze declaraties geldt het volgende. In financiële aangelegenheden is het uitgangspunt dat de advocaat gehouden is tot nauwgezetheid en zorgvuldigheid, hetgeen meebrengt dat de advocaat ervoor moet zorgen dat er duidelijkheid bestaat tussen hem en zijn cliënt over hun financiële afspraken (gedragsregel 16 lid 3). Op grond van gedragsregel 17 lid 4 dient een advocaat verder - kort gezegd - transparant te declareren. Naar het oordeel van de raad hebben klagers zich terecht op het standpunt gesteld dat verweerder zijn declaraties onduidelijk heeft ingericht en onvoldoende heeft gespecificeerd. De raad heeft vastgesteld dat verweerder zijn declaraties (in de te beoordelen periode) uitsluitend heeft geadresseerd aan klaagster 2, onder vermelding van een dossiernummer zaaknaam “Fiod/Advies/(…) faillissement”. Verweerder heeft geen afzonderlijke dossiers aangemaakt voor de verschillende zaken (of de verschillende vennootschappen), maar heeft zijn uren in één verzameldossier geschreven. Naast de werkzaamheden voor de fiscaal-strafrechtelijke procedures, staan ook werkzaamheden vermeld die zijn verricht in andere zaken. Voor wat betreft het inroepen van externe hulp heeft verweerder aangevoerd dat hij dit van tevoren met klager 1 heeft besproken. Nu klagers dit echter betwisten en de raad dit - bij gebreke van een zorgvuldige vastlegging van deze afspraak - niet kan controleren, komt het verwijt hierover voor verweerders risico. Tot slot heeft de raad overwogen dat het verwijt van klagers over de vergelijking van verweerders tijdsbesteding met die van mr. L buiten beschouwing wordt gelaten. Nog afgezien van het feit dat het klachtdossier geen declaraties van mr. L bevat en er dus überhaupt geen vergelijking valt maken met de declaraties van verweerder, geldt dat een dergelijke inhoudelijke toets van declaraties buiten de marginale toets valt waartoe de tuchtrechter zich beperkt voor wat betreft de omvang van declaraties.
5.15 De raad is tot de slotsom gekomen dat de declaraties niet voldoen aan de zorgvuldigheidsnormen die aan declaraties gesteld worden. Daarom heeft de raad klachtonderdeel f) (gedeeltelijk) gegrond verklaard.
maatregel
5.16 De raad heeft geoordeeld dat verweerder in omvangrijke fiscaal-strafrechtelijke procedures met grote belangen niet met de zorgvuldigheid heeft gehandeld die van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Het feit dat verweerder met klager 1 een vriendschappelijke band onderhield maakt niet dat zijn werkzaamheden aan minder hoge eisen hoeven te voldoen. Verweerder heeft voor ogenschijnlijk beperkte inspanningen, waarbij de inhoudelijke werkzaamheden vooral door een collega-advocaat lijken te zijn verricht, forse declaraties aan klagers gestuurd. Daarbij heeft verweerder onvoldoende laten zien over de (strafrechtelijke) vakkundige kennis te beschikken die noodzakelijk was voor een goede behandeling van de zaken en heeft hij steken laten vallen bij het tijdig indienen van de onderzoekswensen. Verder is niet gebleken dat verweerder klagers op enig moment heeft geadviseerd over hun positie in de betreffende procedures of over hun procedurele kansen en risico’s. Dat dit volgens verweerder mondeling is gebeurd, valt niet vast te stellen nu klagers dit betwisten en verweerder heeft nagelaten belangrijke afspraken schriftelijk aan klagers te bevestigen. Tot slot heeft verweerder de werkzaamheden die hij heeft verricht voor klager 1 en zijn drie vennootschappen (klaagsters 2, 3 en 4) op één algemeen verzameldossier geschreven en hiermee niet transparant gedeclareerd.
5.17 Raad heeft geoordeeld dat niet kan worden volstaan met minder dan een voorwaardelijke schorsing en heeft een voorwaardelijke schorsing van vier weken passend geacht.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klagers
ontvankelijkheid
6.1 Anders dan de raad zijn klagers van mening wel tijdig te hebben geklaagd, althans dat de niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven omdat de gevolgen van het onbetamelijk handelen of nalaten van verweerder redelijkerwijs pas na afloop van de termijn bekend zijn geworden of omdat de overschrijding van de termijn door de zeer bijzondere omstandigheden in deze zaak verschoonbaar kunnen worden geacht.
6.2 Klagers hebben erop gewezen dat voor het strafrecht naar objectieve maatstaven (bij gebrek aan een direct weerwoord biedende tegenpartij) geldt dat de gevolgen van het handelen of nalaten van diens advocaat (in dit geval vanaf midden 2019) pas redelijkerwijs bekend zullen worden als een rechter heeft gesproken. Dat was dus pas bij de uitspraak op 1 december 2022 en in mindere mate al bij de inhoudelijke behandeling op 20 oktober 2022 en deels bij de regiezitting in maart 2022 door de termijnoverschrijding voor de onderzoekswensen.
6.3 Voor dit klachtonderdeel geldt volgens klagers in het bijzonder dat de gevolgen van het onjuist handelen en nalaten van verweerder bij het maken van afspraken over de te verlenen rechtsbijstand en de te berekenen kosten pas veel later in het lang lopende proces zichtbaar konden worden, toen het aankwam op de samenwerking met mr. L. en het inschakelen van externe strafrechtdeskundigen. Dat was in de aanloop naar de regiezitting en de inhoudelijke behandeling waardoor pas enigszins duidelijk werd dat verweerder niet voldoende bekwaam was en/of bekwaam handelde om deze fiscaal-strafrechtelijke zaak te behandelen. De onjuiste wijze van declareren kon verder pas goed zichtbaar worden door inschakeling van [X] Expertise, de nieuwe accountants en het vergelijken van de declaraties van verweerder met die van mr. L. De gevolgen zullen bovendien pas echt voelbaar zijn in het geval dat klager 1, net als een medeverdacht bedrijf, Auto W B.V., zal worden vrijgesproken. Dan is niet of moeilijk aantoonbaar welke schade van welke entiteit voor vergoeding in aanmerking komt.
6.4 Klager 1 heeft erop gewezen dat hij reeds in de eerste drie maanden van 2023 belangrijke onderdelen van zijn klachten aan verweerder kenbaar heeft gemaakt, zoals over zijn exorbitante wijze van declareren en zijn onvoldoende bijstand op de zitting van 20 oktober 2022. Zijn eerste mail daarover dateert van 23 januari 2023. Klager deed dat in een poging om er met verweerder in der minne uit te komen. Verweerder wilde echter geen enkele fout toegeven en was alleen bereid om een sigaar uit eigen doos te geven door betaling van een schadevergoeding van € 10.000 voor een oude zaak met een zoekgeraakt dossier. Verweerder is per mail van 4 augustus 2023 andermaal in de gelegenheid gesteld om in der minne tot een vergelijk te komen, met als bijlage de complete concept-klachtbrief. Ook dat heeft niet tot enig resultaat geleid. Klager 1 hoopte met zijn adviseurs door de duidelijke klachtomschrijvingen ook op de voorgeschreven inschakeling van de beroepsaansprakelijkheid-verzekeraar met een waarschijnlijk meer objectieve benadering. Hieruit blijkt dat verweerder eerder dan op 21 augustus 2023 op de hoogte was van de klachten van klagers.
6.5 Klager 1 is van mening dat in deze zaak een helder zicht op het procesverloop nog aanzienlijk is vertroebeld door het niet of alleen zeer gebrekkig communiceren van verweerder met klager 1 en het ontbreken van enige analyse en inschatting van proceskansen of risico's, althans zonder enige vastlegging daarvan. Redelijkerwijs dient daarom volgens klagers een niet-ontvankelijkverklaring achterwege te blijven of dient de vervaltermijn verlengd te worden.
6.6 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van klaagster 4 hebben klagers opgemerkt dat het juist is dat klaagster 4 niet betrokken was bij het FIOD-onderzoek. Dat maakt echter niet dat klaagster 4 geen "speler" is, nu een gedeelte van het beklaagde "handelen" (lees: nalaten) van verweerder ziet op aan haar verleende rechtsbijstand of juist (mede) op haar naam ten onrechte berekende werkzaamheden. Zo ziet het onduidelijk -en voor de verschillende entiteiten niet uitgesplitst- declareren van werkzaamheden ook op klaagster 4, net als de oude kwestie van het zoekraken van een dossier. Ook voor klaagster 4 is (dus) van belang in hoeverre zij tijdig heeft geklaagd.
klachtonderdeel c
6.7 Klagers hebben aangevoerd dat zij voldoende hebben aangetoond dat verweerder op de zitting van 20 oktober 2022 een ongeïnteresseerde en niet actieve houding had. Klager 1 heeft in het bijzonder benadrukt dat verweerder niet reageerde op de strafeis. Toen klager 1 ter zitting op 22 oktober 2022 een strafeis van 30 maanden hoorde, veel hoger dan verwacht en grotendeels onvoorwaardelijk, zakte de grond onder zijn voeten weg. Verweerder had hem er niet op voorbereid dat er geen reactie zou komen op de strafeis. Klager 1 voelde zich op dat moment door verweerder in de steek gelaten.
Verweer verweerder
Ontvankelijkheid
6.8 Verweerder is van mening dat de raad goed heeft verwoord waarom het recht
tot klagen over kwesties van meer dan drie jaren voor de klacht was vervallen. Van
een uitzonderingssituatie is volgens verweerder geen sprake. De gevolgen van het klachtwaardig
handelen moeten in de uitzonderingssituatie pas 'redelijkerwijs' bekend zijn geworden
als de driejaarstermijn reeds is verstreken. De strekking is niet om de reguliere
vervaltermijn op te blijven rekken zolang zich maar gevolgen voordoen, maar om diegene
die meende vanwege het uitblijven van elk gevolg geen reden tot klagen te hebben tegemoet
te komen als later blijkt dat er tegen de verwachting in tóch gevolgen zijn. Het betoog
dat de vervaltermijn zou moeten worden 'opgerekt' omdat klagers verweerder al sinds
de eerste drie maanden van 2023 over hun klachten hebben geïnformeerd, vervolgens
een schikking tot stand hebben proberen te brengen en uiteindelijk op 21 augustus
2023 hebben geklaagd is volgens verweerder niet overtuigend. Het kracht bijzetten
van een civiele claim/onderhandeling met een dreiging tot het indienen van klachten
is geen reden om de gevolgen van die strategie en dat tijdsverloop dan neer te leggen
bij de beklaagde.
6.9 Het vervallen van een tuchtrechtelijke actie betekent niet dat een klager wordt 'gekort in zijn rechten'. Duidelijk is dat het klagers was te doen om een civiele claim en die wordt door deze vervaltermijn niet geraakt.
Klachtonderdeel c)
6.10 Verweerder heeft opgemerkt dat het kan zijn dat hij op de zitting even 'onderuit is gezakt'. Verweerder kan zich dat niet herinneren. Verweerder vindt het te ver gaan om dat in strijd te achten met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Want ongeïnteresseerd was verweerder niet, hij was goed voorbereid en heeft de zitting ook met klager voorbereid. Dat klager als getuige niet steeds optimaal antwoord gaf op vragen van verweerder lag niet aan de voorbereiding. Zoals in de pleitnota bij de raad is toegelicht is de 'juridische persoonlijkheid' van verweerder al sinds ongeveer 2010 bekend bij klagers: hij is informeel, pragmatisch en direct. Hij is onorthodox. En juist dat viel in de smaak bij klagers, juist daarom klikte het. Dat anderen daarop een andere visie hebben maakt de stijl van verweerder nog niet tuchtrechtelijk laakbaar.
7 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheidskwesties
7.1 Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Het gaat in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klager.
7.2 Het hof wijst erop dat artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet geen verjaringstermijn is, maar een vervaltermijn, die ambtshalve door de tuchtrechter wordt toegepast (HvD 15 maart 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:23). De ratio van de klachttermijn is gelegen in bescherming van de rechtszekerheid voor de advocaat. Het beginsel van rechtszekerheid laat geen ruimte voor een soepeler hantering van de termijnen voor het indienen van een klacht. Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van de klachttermijn verschoonbaar zijn (HvD 8 mei 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:78.). Een verschoonbare termijnoverschrijding kan zich bovendien slechts voordoen op grond van (uitzonderlijke) omstandigheden aan de zijde van de klager, die hem hebben verhinderd om op tijd te klagen. Dat klagers pas later bekend zijn geworden met de gevolgen van verweerders handelen, is geen omstandigheid aan de zijde van klager en maakt de termijnoverschrijding door klager niet verschoonbaar.
7.3 Het hof oordeelt met betrekking tot de vervaltermijn van de klachtonderdelen a) en f) niet anders dan de raad heeft gedaan. Het oordeel van de raad dat het er om gaat of klagers destijds naar objectieve maatstaven kennis hebben genomen of redelijkerwijs kennis hebben kunnen nemen van verweerders handelen, wordt onderschreven. Op grond van de voorgaande overwegingen falen de beroepsgronden van klagers tegen de beslissing van de raad op de klachtonderdelen a) en f). De raad heeft klagers terecht in deze klachtonderdelen (deels) niet-ontvankelijk verklaard.
7.4 Met betrekking tot het oordeel van de raad over de ontvankelijkheid van klaagster 4 overweegt het hof dat de laatste keer dat klaagster 4 in beeld was -14 augustus 2020- meer dan drie jaren was voor het indienen van de klacht, op 21 augustus 2023. Het hof is van oordeel dat niet tijdig is geklaagd en stelt ambtshalve vast dat klaagster 4 met betrekking tot klachtonderdeel f) geheel niet-ontvankelijk is.
Maatstaf
7.5 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.6 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
7.7 Gelet op het oordeel van het hof met betrekking tot de ontvankelijkheid, ligt nog slechts klachtonderdeel c) (“verweerder heeft op de zitting van 20 oktober 2022 een ongeïnteresseerde en niet-actieve houding getoond”) voor.
7.8 Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft klager 1 een toelichting gegeven op een eerder verblijf van twee dagen in een politiecel, dit was voor klager een zeer vervelende en traumatische ervaring. Hij was daardoor hevig van streek. Verweerder heeft desgevraagd bevestigd dat klager veel last heeft gehad van deze ervaring. Gelet op deze voorgeschiedenis mocht van verweerder verwacht worden dat hij zou reageren op het moment dat de strafeis bekend werd gemaakt tijdens de zitting van 20 oktober 2022, het kwam immers voor klager 1 onverwacht dat de officier van justitie tot een voor hem zeer hoge en bovendien grotendeels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf requireerde.
7.9 Het argument van verweerder dat het strategie was om geen reactie te geven op de strafeis, omdat er toch hoger beroep ingesteld zou worden, acht het hof onvoldoende. Verweerder kon niet volstaan met niets doen. Daargelaten dat niet gebleken is dat verweerder deze strategie met klager had besproken en deze door klager geaccordeerd was, had van verweerder verwacht mogen worden dat hij op de strafeis zou hebben gereageerd. Zeker bij een strafeis van dertig maanden en de wetenschap dat klager al ernstig had geleden onder het eerdere -heel korte- vastzitten, had van verweerder meer verwacht mogen worden in de zorg voor zijn client. Wat verweerder zelf op de zitting bij het hof naar voren heeft gebracht over de reactie van klager 1 op twee dagen zitten in een politiecel, wijst zelfs in de richting van een mogelijk verweer over detentieongeschiktheid van zijn cliënt. Verweerder heeft dit nagelaten maar heeft ook verder niets gedaan om in dit verband voor zijn cliënt op te komen.
7.10 Het bovengenoemde nalaten van handelen is zodanig ernstig dat het hof van oordeel is dat verweerder op de zitting van 20 oktober 2022 niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Deze omstandigheden waren naar het oordeel van de raad in de procedure bij de raad onvoldoende onderbouwd, echter bij het hof is de gang van zaken op, en de ontevredenheid over, de zitting van 20 oktober 2022 nader aangevuld en toegelicht. Hiermee hebben klagers de klacht over het optreden van verweerder ter zitting op 20 oktober 2022 alsnog voldoende gesubstantieerd. Door verweerder zijn de door klagers wat dit betreft gestelde feiten ook niet tegengesproken. Vast staat dat verweerder in elk geval niet heeft gereageerd op de strafeis, terwijl dit onder de gegeven omstandigheden wel van hem verwacht mocht worden.
7.11 Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep tegen de beslissing van de raad op klachtonderdeel c). Dit klachtonderdeel zal alsnog gegrond worden verklaard.
Slotsom
7.12 Het hof komt tot een verdergaande gegrondverklaring dan de raad en constateert daarenboven dat er aanleiding is om de opgelegde maatregel te verzwaren.
8 MAATREGEL
8.1 Het door het hof gegrond verklaarde klachtonderdeel c) heeft betrekking op schending van de kernwaarde deskundigheid. Het hof komt tot een verdergaande gegrondverklaring dan de raad en constateert daarenboven dat de gegrond verklaarde klachtonderdelen een samenhang vertonen. Dit brengt het hof ertoe brengt de opgelegde maatregel te verzwaren. Hierbij acht het hof van belang dat verweerder in ernstige mate tekort is geschoten in de door hem jegens zijn cliënt te betrachten zorg. In een voor zijn cliënt zeer belangrijke zaak heeft verweerder meerdere steken laten vallen, zoals uit de gegrond verklaarde klachtonderdelen volgt.
8.2 Al met al komt het hof tot de conclusie dat de aard en ernst van het vastgestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder zodanig zijn dat niet kan worden volstaan met een voorwaardelijke schorsing. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van zes weken op zijn plaats is.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een zwaardere maatregel oplegt, zal het hof verweerder op
grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de
procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);
b) € 1.050,- [€ 525,- per punt] kosten voor rechtsbijstand van klager;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 18 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-603/A/A, voor zover klachtonderdeel c) ongegrond is verklaard en voor wat betreft de opgelegde maatregel en de (gedeeltelijke) ontvankelijkheid van klaagster 4.
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart klaagster 4 geheel niet-ontvankelijk in haar klachten;
10.3 verklaart klachtonderdeel c) alsnog gegrond;
10.4 bekrachtigt de beslissing van 18 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-603/A/A, voor het overige;
10.5 legt aan verweerder de maatregel op van onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van zes weken;
10.6 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 23 februari 2026;
10.7 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
10.8 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.050,- aan klagers, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.9 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg
en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar
uitgesproken op 26 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 26 januari 2026.