ECLI:NL:TAHVD:2026:229 Hof van Discipline 's Gravenhage 260060H
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:229 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-07-2026 |
| Datum publicatie: | 20-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260060H |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Herziening |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Afwijzing van een verzoek om herziening van een beslissing van het hof van discipline. De gestelde grond van een motiveringsgebrek kan niet tot herziening van de beslissing leiden omdat die stelling niet een feit of omstandigheid is die heeft plaatsgevonden vóór de beslissing. De herziening is niet bedoeld om het, met het door een onherroepelijke beslissing van het hof, afgesloten debat te heropenen. Er is ook geen sprake van een nieuw feit in de klachtzaak dat niet voor de zitting van 18 april 2026 redelijkerwijs bij verzoeker bekend kon zijn. Het door verzoeker gestelde feit betreft ook geen feit dat verzoeker niet eerder redelijkerwijs naar voren had kunnen brengen. De uitspraak waar verzoeker op doelt is van 18 maart 2026 en op 26 maart 2026 gepubliceerd, dus van voor de zitting van 20 april 2026. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 20 juli 2026
in de zaak 260060H
naar aanleiding van het verzoek om herziening van de beslissing van
15 juni 2026:
verzoeker
1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT
1.1 De voorzitter verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort
’s Hertogenbosch (verder: de raad) van 26 januari 2026, genomen onder nummer 25-675/BD/LI.
Daarin is de klacht van klager deels niet ontvankelijk en voor het overige ongegrond
verklaard.
De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:12.
1.2 Verzoeker heeft tegen de beslissing van de raad beroep ingesteld bij het hof. Dit heeft geleid tot de beslissing van 15 juni 2026, genomen onder nummer 260060, waarin de beslissing van de raad van 26 januari 2026 is vernietigd. Daarbij is klachtonderdeel c) ongegrond en klachtonderdeel e) gegrond verklaard en is aan verzoeker de maatregel van waarschuwing opgelegd met veroordeling van verzoeker tot betaling van het griffierecht en de proceskosten. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder ECLI:NL:TAHVD:2026:180.
2 HET VERZOEK TOT HERZIENING
2.1 Verzoeker heeft per brief van 18 juni 2026 verzocht om herziening van de beslissing van het hof.
2.2 De voorzitter heeft vervolgens het vooronderzoek op grond van artikel 5.1 van het Herzieningsprotocol van het hof gesloten. Het Herzieningsprotocol dat van toepassing is, is te vinden op de website van het hof.
3 DE BEOORDELING
3.1 De voorzitter stelt voorop dat tegen een beslissing van het hof in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel is opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak van de tuchtrechter. Daarom is een verzoek om herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof zo’n verzoek niet in behandeling.
3.2 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het Herzieningsprotocol,
een onherroepelijke beslissing op verzoek van een partij herzien. Van zo’n uitzondering
kan sprake zijn als het gaat om feiten en of omstandigheden die
a. hebben plaatsgevonden vóór de beslissing,
b. bij de verzoeker vóór de beslissing niet bekend waren en redelijkerwijs niet
bekend konden zijn, en
c. waren zij bij het hof eerder bekend geweest tot een andere beslissing zouden
hebben kunnen leiden.
Het verzoek
3.3 Verzoeker voert aan dat het hof zijn op de zitting voorgedragen voetnoot 7 van zijn pleitnota niet heeft meegenomen in de beoordeling [verzoeker bedoelt waarschijnlijk voetnoot 7 van zijn op 16 april 2026 ingediende verweer tegen de klachten in de hoofdzaak]. In zijn voetnoot geeft verzoeker aan dat de omissie (het dagvaarden verkeerde partij) gemakkelijk had kunnen worden hersteld, maar dat de zaak bij een opvolgend advocaat terecht was gekomen en verzoeker er daardoor niet meer zorg voor kon dragen.
3.4 Verder voert verzoeker aan dat er sprake is van een nieuw feit dat voor de zitting (van 20 april 2026) plaatsvond waarmee verzoeker niet bekend was en ook niet redelijkerwijs bekend kon zijn. Was dat feit bij het hof bekend dan zou dat tot een andere beslissing hebben kunnen leiden. Het betreft een uitspraak die de rechtbank Limburg op 18 maart 2026 heeft gedaan in de zaak van [V] tegen zijn buren (ECLI:NL:RBLIM:2026:2239). Het gaat om de zaak die verzoeker heeft ingeleid met een dagvaarding en die een opvolgend advocaat verder heeft behandeld. Verzoeker geeft aan dat uit het vonnis blijkt dat de vordering tegen de twee door hem gedagvaarde gedaagden is afgewezen op inhoudelijke gronden. Het niet mede dagvaarden van [R] is op geen enkele wijze van invloed geweest op de procedure, aldus verzoeker.
Beoordeling verzoek
3.5 De voorzitter is van oordeel dat het verzoek kennelijk moet worden afgewezen (zie artikel 6.6 van het herzieningsprotocol). Het verzoek zal dan ook niet inhoudelijk worden behandeld door een herzieningskamer. De voorzitter licht toe waarom.
3.6 De eerste grond ziet op een gesteld motiveringsgebrek van de beslissing, in die zin dat het hof niet alle naar voren gebrachte argumenten in zijn beslissing heeft besproken. Deze gestelde grond kan niet tot herziening van de beslissing leiden, omdat die stelling niet een feit of omstandigheid is die heeft plaatsgevonden vóór de beslissing. Dit gestelde motiveringsgebrek is een beroepsgrond tegen de beslissing van het hof, waartegen echter geen gewoon rechtsmiddel openstaat (zie 3.1). De herziening is niet bedoeld om het, met het door een onherroepelijke beslissing van het hof, afgesloten debat te heropenen.
3.7 De tweede grond ziet op een gesteld nieuw feit. Er is echter geen sprake van een nieuw feit in de klachtzaak dat niet voor de zitting van 18 april 2026 redelijkerwijs bij verzoeker bekend kon zijn. Het door verzoeker gestelde feit betreft ook geen feit dat verzoeker niet eerder redelijkerwijs naar voren had kunnen brengen. De uitspraak waar verzoeker op doelt is van 18 maart 2026 en op 26 maart 2026 gepubliceerd, dus van voor de zitting van 20 april 2026.
Slotsom
3.8 Het verzoek om herziening van de beslissing van 15 juni 2026 dient kennelijk te worden afgewezen nu er op voorhand geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol.
4 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
- wijst het verzoek tot herziening af.
Deze beslissing is genomen op 20 juli 2026 door mr. J. Blokland, voorzitter.
Voorzitter
De beslissing is verzonden op 20 juli 2026.