We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:228 Hof van Discipline 's Gravenhage 260022

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:228
Datum uitspraak: 17-07-2026
Datum publicatie: 20-07-2026
Zaaknummer(s): 260022
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Het betreft een klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerder wordt verweten zijn zorgplicht jegens klager te hebben geschonden door met klager gemaakte afspraken niet na te komen. De raad heeft de klachten ongegrond verklaard, omdat kort gezegd de door klager gestelde afspraken niet zijn komen vast te staan. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de raad.

Beslissing van 17 juli 2026
in de zaak 260022

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1    INLEIDING

1.1    Het betreft een klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerder wordt verweten zijn zorgplicht jegens klager te hebben geschonden door met klager gemaakte afspraken niet na te komen. De raad heeft de klachten ongegrond verklaard, omdat kort gezegd de door klager gestelde afspraken niet zijn komen vast te staan. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de raad.

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort 
’s-Hertogenbosch en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en waarom het hof tot hetzelfde oordeel als de raad komt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-645/DB/LI) op 5 januari 2026 een beslissing gewezen. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:2 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 25 januari 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van verweerder
-    de aanvullende stukken van klager met bijlagen A t/m F. 
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 22 mei 2026. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.1    Tussen klager en de heer B is sprake (geweest) van een geschil over de erfgrens. Op 2 november 2022 heeft klager op het perceel van de heer B schade aan de tuin en beplanting aangebracht. Op enig moment heeft klager zich voor rechtsbijstand gewend tot verweerder.

3.2    B heeft een kort geding procedure jegens klager aanhangig gemaakt. In deze procedure heeft verweerder klager niet bijgestaan. Op 13 januari 2023 heeft de mondelinge behandeling in kort geding plaatsgevonden. Klager is zonder bijstand ter zitting verschenen. Klager heeft ter zitting erkend onrechtmatig te hebben gehandeld, waarmee de aansprakelijkheid voor de schade aan de tuin en de beplanting is komen vast te staan.

3.3    Klager en B verschilden van mening over de omvang van de schade. Partijen hebben afgesproken om een onafhankelijke deskundige in te schakelen voor het uitbrengen van een bindend advies over de omvang van de schade. Bij e-mail van 16 juni 2023 aan verweerder heeft klager zich akkoord verklaard met de voorgestelde deskundige en de te volgen procedure met betrekking tot de totstandkoming van het bindend advies.

3.4    De door partijen aangestelde deskundige, Van B, heeft op 27 oktober 2023 een conceptrapport aan partijen toegestuurd en hen in de gelegenheid gesteld op het conceptrapport te reageren. Klager heeft bij brief van 1 november 2023 op het concept gereageerd.

3.5    Op 30 november 2023 heeft de deskundige het definitieve rapport aan partijen toegestuurd. In het rapport is de schade aan de tuin en beplanting van de heer B begroot op een bedrag van 
€ 83.435,56.

3.6    Bij e-mail van 29 november 2023 heeft mr. W, de advocaat van de heer B, klager gesommeerd tot betaling. Klager was het niet eens met de begroting van de schade en wilde zich niet aan de uitkomsten van het deskundigenrapport conformeren. Bij e-mails van 15 en 20 december 2023 heeft verweerder klager geadviseerd over de mogelijkheden. Verweerder heeft bij klager aangegeven dat de kans van slagen van een vordering tot vernietiging van het bindend advies niet groot was en dat een kritische beoordeling van het deskundigenrapport door een derde-deskundige de enige mogelijkheid zou zijn om het rapport bij de rechter van tafel te krijgen. Verweerder heeft klager gewezen op het risico van een proceskostenveroordeling. Klager en verweerder hebben afgesproken dat klager zelf op zoek zou gaan naar een deskundige, hetgeen klager heeft gedaan. Klager heeft offertes opgevraagd en derden gevraagd om het deskundigenrapport te beoordelen.

3.7    De heer B heeft in een bodemprocedure nakoming van het bindend advies en betaling van de door deskundige Van B vastgestelde schadevergoeding gevorderd.

3.8    Bij e-mail van 29 februari 2024 heeft verweerder aan klager puntsgewijs uitgelegd wat de inzet van de procedure en de mogelijkheden in de procedure zouden zijn. Verweerder heeft afwijzend gereageerd op klagers voorstel om foto’s in het geding te brengen.

3.9    Verweerder heeft een conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, opgesteld en in concept aan klager toegestuurd. Na van klager verkregen akkoord heeft verweerder de conclusie op 5 maart 2024 ingediend. Verweerder heeft namens klager in reconventie de vernietiging van het bindend advies gevorderd.

3.10     Bij e-mail van 8 januari 2025 heeft verweerder aan klager gevraagd om met het oog op de op 13 januari 2025 geplande mondelinge behandeling na te denken over een bedrag waarvoor hij de zaak zou willen schikken.

3.11     Klager en de heer B hebben tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling op 13 januari 2025 een minnelijke regeling getroffen, die is vastgelegd in een proces-verbaal.

3.12     Klager heeft op grond van de interne klachtenregeling een klacht ingediend tegen verweerder. De klacht is in behandeling genomen door de klachtenfunctionaris en met klager besproken. Bij brief van 10 maart 2025 heeft de klachtenfunctionaris aan klager bericht dat in zijn visie de klacht ongegrond was.

3.13     Op 9 maart 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij 
a)    zijn zorgplicht heeft geschonden doordat hij de met klager gemaakte afspraken niet is nagekomen;
b)    niet de benodigde stukken (fotos’en een offerte van FN) met de rechter heeft gedeeld. Klager heeft tijdens de zitting geprobeerd om bepaalde stukken onder de aandacht van de rechter te brengen, waarop de rechter antwoordde dat deze stukken niet in het dossier zaten.


5    BEOORDELING RAAD

5.1    Het verwijt onder a) dat verweerder de afspraak niet is nagekomen om excuses van de heer B te eisen, heeft verweerder uitdrukkelijk weersproken. Verweerder heeft daarbij betwist dat klager is beschuldigd van diefstal en dat de afspraak met klager is gemaakt dat hij excuses zou eisen. Dit blijkt ook niet uit de stukken. Nu de feitelijke grondslag van dit verwijt ontbreekt, heeft de raad het klachtonderdeel ongegrond verklaard. 

5.2    Ook het verwijt onder b) dat verweerder de afspraken over de te volgen strategie niet zou zijn nagekomen, heeft verweerder weersproken. Volgens de raad is uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht gebleken dat verweerder de aanpak van de zaak met klager heeft afgestemd en conform die afgesproken aanpak heeft gehandeld, terwijl klager ook in de gelegenheid is gesteld om te reageren op concepten. 

Voor wat betreft het delen van stukken met de rechter overwoog de raad dat de advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding heeft en vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid dient te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt het best zijn gediend. Verweerder heeft gemotiveerd aan klager kenbaar gemaakt dat en waarom hij de foto’s en offerte niet in het geding zou brengen en daarmee de hiervoor genoemde grenzen niet overschreden. Nu niet is gebleken dat de bijstand van verweerder onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht, is ook het verwijt onder b) ongegrond verklaard.


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1    Het hof heeft de beroepsgronden van klager welwillend bekeken en begrijpt deze zo dat de raad de beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd omdat er onvoldoende is gereageerd op de stellingen van klager. Daarnaast heeft klager ter zitting van het hof gereageerd op uitlatingen van verweerder tijdens de zitting bij de raad en aangevoerd dat verweerder daar leugens heeft verkondigd. Dit laatste laat het hof bij de bespreking van deze klacht van klager buiten beschouwing. Het gaat daarbij om nieuwe verwijten aan het adres van verweerder. Daarvoor is in het hoger beroep geen plaats. 

Verweer verweerder

6.2    Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. 
Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Ten aanzien van klachtonderdeel a)

7.3    Klager heeft ter onderbouwing van het verwijt, dat verweerder de afspraak om excuses te eisen voor de onterechte beschuldiging van diefstal aan het adres van klager niet is nagekomen, gewezen op het door hem opgestelde schriftelijke stuk van 15 december 2024. Daarin heeft klager opgenomen dat hij door de heer B beschuldigd wordt van diefstal. Klager heeft daarbij gewezen op een passage in de conclusie van antwoord in reconventie. Onder randnummer 31 in die conclusie staat: “B is er van overtuigd dat [klager] bepaalde beplanting heeft afgevoerd dan wel heeft laten afvoeren. Dit echter niet te bewijzen en B wil dat ook helemaal niet bewijzen.“ Het door klager opgestelde stuk van 15 december 2024 heeft klager op 19 december 2024 met verweerder gedeeld. Op de op die dag gehouden bespreking is volgens klager door verweerder beloofd dat hij op de zitting excuses zou vragen. Verweerder heeft betwist dat hij op de bespreking van 19 december 2024 ter voorbereiding op de zitting bij de rechtbank die belofte heeft gedaan. Verweerder heeft bovendien de door klager aangehaalde passage in de conclusie van antwoord in reconventie niet als een beschuldiging van diefstal opgevat. 

7.4    Het hof kan niet vaststellen of klager aan verweerder heeft verzocht om excuses voor de beschuldiging van diefstal te vragen en of verweerder heeft beloofd dat te doen. Het stuk waar klager in dat verband op wijst is daarvoor onvoldoende. Het hof acht het verder niet onbegrijpelijk dat verweerder in de door klager bedoelde passage in de conclusie van antwoord in reconventie geen beschuldiging van diefstal las. Verweerder kan op dit punt dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Voor de volledigheid stelt het hof vast dat verweerder in de conclusie van antwoord wel concreet heeft weersproken dat klager bepaalde beplanting heeft verwijderd.

7.5    Het hof verklaart klachtonderdeel a) ongegrond. 

Klachtonderdeel b)

7.6    Klager verwijst ter onderbouwing van klachtonderdeel b) eveneens naar het schriftelijke stuk van 15 december 2024.  Dat is een door klager zelf opgestelde reactie op de conclusie van antwoord in reconventie van de tegenpartij, de heer B. Volgens klager was het zijn bedoeling dat verweerder dat stuk naar de rechtbank zou sturen, althans de foto’s in het voornoemde stuk nog in het geding zou brengen; verweerder heeft dat nagelaten. Klager heeft ter zitting bij het hof verklaard dat de foto’s in het stuk van 15 december 2024 uitvergrotingen waren van de foto’s die bij de conclusie van antwoord waren gevoegd. Verweerder heeft weersproken dat klager hem zou hebben verzocht het stuk van 15 december 2024 door te zenden naar de rechtbank, hij zou dat ook hebben geweigerd. Volgens verweerder is op 19 december 2024 het dossier doorgenomen, heeft hij alle foto’s bekeken en geoordeeld dat, naast de foto’s die hij had opgenomen in zijn conclusie van antwoord, er niet nog meer foto’s hoefden te worden ingebracht.  

7.7    Het hof overweegt dat verweerder reeds in een e-mail van 29 februari 2024 aan klager heeft uitgelegd dat het voor verwarring zorgt als er veel foto’s van de bestaande toestand van de tuin worden overgelegd. Niet ter discussie staat dat op 19 december 2024 het dossier is doorgenomen. Klager heeft dat zelf ook toegelicht. Gebleken is dat de foto’s die klager nog in het geding wilde brengen uitvergroting waren van enkele foto’s die reeds bij de conclusie van antwoord, tevens houdende  eis in reconventie in het geding waren gebracht. Niet onbegrijpelijk is dat verweerder die foto’s niet nogmaals in het geding wilde brengen. Aldus kan ook niet worden gezegd dat verweerder bepaalde foto’s niet in het geding heeft gebracht. Dat verweerder een offerte van FN (waarin andere, lagere prijzen van bepaalde beplanting stond) heeft geweigerd in het geding te brengen is niet gebleken. Verweerder heeft toegelicht welke stukken hij bij de conclusie van antwoord heeft gevoegd en klager heeft daar zijn akkoord op gegeven.  

7.8    Verder heeft klager onvoldoende onderbouwd dat verweerder bepaalde verzoeken die  klager op 19 december 2024 zou hebben gedaan niet heeft gehonoreerd. Niet is vast komen te staan dat klager de gestelde verzoeken heeft gedaan. Deze blijken in ieder geval niet uit het stuk van 15 december 2024. Volgens het hof valt de beslissing van verweerder om bepaalde stukken niet in het geding te brengen onder de vrijheid die hij als advocaat heeft om te bepalen op welke manier de belangen van zijn cliënt het best zijn gediend. Niet is gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het was in dit verband wellicht wel beter geweest als verweerder een verslag had gemaakt van de bespreking van 19 december 2024 zodat klager het een en ander met het oog op de zitting van 13 januari 2025 nog eens had kunnen teruglezen. Voor het overige sluit hof zich aan bij de overwegingen van de raad.  

Slotsom

7.9    De slotsom is dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen. 


8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1    bekrachtigt de beslissing van 5 januari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort  ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-645/DB/LI. 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 17 juli 2026.