ECLI:NL:TAHVD:2026:226 Hof van Discipline 's Gravenhage 260243
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:226 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 15-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260243 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Hoewel de aangewezen advocaat bij de deken heeft aangegeven dat het hem wenselijk voorkwam als hij alleen in het executiegeschil de belangen van klaagster zou behartigen, heeft de advocaat na de weigering van de deken daartoe klaagster geadviseerd hem in de bodemzaak opdracht te geven contact op te nemen met het IJI voor een analyse van het toepasselijke Engelse recht. Dit advies was erop gericht klaagster ook in de bodemprocedure van effectieve rechtsbijstand te kunnen voorzien. Daarmee heeft de advocaat adequaat gehandeld. Klaagster heeft hier kennelijk van afgezien omdat zij het met het advies niet eens was. Dit acht het hof een gemiste kans en in feite heeft klaagster het functioneren van de aanwijzing in die zaak daarmee onmogelijk gemaakt. Daarnaast zijn er geen redenen om te twijfelen aan de totstandkoming of de inhoud van het door de advocaat in het executiegeschil gegeven procesadvies. Uit het dossier rijst het beeld op dat klaagster wil bepalen hoe de rechtsbijstand inhoudelijk vormgegeven moet worden. Dit staat haaks op de voor de advocatuur geldende kernwaarde onafhankelijkheid. Dat klaagster het niet eens is met het procesadvies brengt niet mee dat een andere advocaat moet worden aangewezen door de deken. Het hof is van oordeel dat klaagster in zowel het executiegeschil als de bodemprocedure van effectieve rechtsbijstand is voorzien, en er geen aanleiding bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de deken slechts eenmalig een advocaat aanwijst. |
Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260243
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mr. A.J.G. van Strien
deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Oost-Brabant
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft op 18 mei 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing
van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Na telefonisch overleg
met de stafjurist van de deken, heeft klaagster aangegeven haar verzoek niet te handhaven.
Bij e-mail van 28 mei 2026 is klaagster daarop teruggekomen en zij heeft haar verzoek
op 28 en 29 mei 2026 nader onderbouwd. Hierop heeft de deken op 2 juni 2026 de advocaat
mevrouw mr. L aangewezen. Nadat mr. L op 8 juni heeft bericht niet over de juiste
specialisatie te beschikken, heeft de deken bij beslissing van 9 juni 2026 mr. M aangewezen.
1.2 Het hof begrijpt dat klaagster meent dat mr. M niet in staat is om haar belangen (voldoende) te behartigen en zij heeft de deken verzocht om aanwijzing van een andere advocaat. De deken heeft dit (herhaalde) verzoek afgewezen met de beslissing van 23 juni 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster een herhaald verzoek doet in dezelfde zaken waarin de deken bij beslissing van 9 juni 2026 al een advocaat voor klaagster heeft aangewezen. Toen is al aan klaagster meegedeeld dat de deken in één zaak slechts eenmaal een advocaat aanwijst. Klaagster heeft haar verzoek gemotiveerd door onderbouwd te stellen dat de aangewezen advocaat, mr. M, zijn werk niet goed heeft gedaan. De deken heeft aangegeven niet te twijfelen aan een door mr. M gegeven negatief procesadvies en vindt dat mr. M daarnaast adequaat heeft gehandeld. Volgens de deken waren er dan ook gegronde redenen om het verzoek af te wijzen.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 24 juni 2026 een beklag, met bijlagen, tegen de beslissing
van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna steeds: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken, met bijlagen;
- een e-mail van het hof aan klaagster van 1 juli 2026;
- een e-mail van klaagster van eveneens 1 juli 2026;
- een e-mail van het hof aan klaagster van 6 juli 2026.
1.5 Klaagster heeft in een telefoongesprek met de griffier op 6 juli 2026 uitdrukkelijk afgezien van een tweede schriftelijke ronde in de beklagzaak met re- en dupliek. Reden hiervoor is dat het hof aanleiding heeft gezien het beklag van klaagster versneld af te doen, gelet op de (af)lopende termijn waarbinnen zich een nieuwe advocaat in de bodemprocedure dient te stellen. Klaagster heeft tijdens het telefoongesprek met de griffier aangegeven dat zij daarvoor van de rechtbank tot 15 juli 2026 de gelegenheid heeft gekregen.
1.6 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 In reactie op het door klaagster gehandhaafde aanwijzingsverzoek, heeft de deken bij beslissing van 2 juni 2026 het volgende aan klaagster meegedeeld:
“U bent op 6 mei 2026 gedagvaard door [mr. H] in zijn hoedanigheid van curator in
uw faillissement in Engeland. Voorafgaand aan deze procedure is conservatoir beslag
gelegd. Uw huidige advocaat, [mr. J] kantoorhoudend te Kerkdriel, heeft zich namens
u gesteld om de termijn waarbinnen u zich moest stellen te sauveren en heeft u schriftelijk
bevestigd zich op de eerstvolgende rolzitting van 1 juli 2026 te zullen onttrekken.
Verder heeft [mr. J] u een negatief procesadvies gegeven met betrekking tot het starten
van een procedure ter voorkoming van de executieveiling van uw woning op 30 juni 2026.
U bent echter van mening dat met de gewijzigde omstandigheden na het vonnis in kort
geding, waarbij uw vorderingen in het executiegeschil zijn afgewezen, aanleiding zijn
voor het starten van een nieuwe procedure.
U bent er niet in geslaagd een opvolgend advocaat te vinden.
(…)
Geconcludeerd wordt dat uw verzoek om aanwijzing van een advocaat betrekking heeft
op een procedure bij de rechtbank Oost-Brabant én een executiegeschil dat zich afspeelt
in het arrondissement Oost-Brabant.
(…)
Zoals u vandaag reeds door [mr. L], stafjurist, is aangekondigd, heb ik besloten om
[mr. L], advocaat bij [advocatenkantoor], als advocaat aan te wijzen.
De aanwijzing betreft ten eerste de bijstand aan u in het bij de rechtbank Oost-Brabant
door de Engelse curator aanhangig gemaakte geschil en daarmee samenhangende conservatoire
beslag.
Ten tweede betreft de aanwijzing het beoordelen van het door uw voorgaande advocaat
[mr. J] opgestelde negatieve procesadvies in het executiegeschil betreffende de aangezegde
executieveiling op 30 juni 2026 van uw woning. Indien [mr. L] tot een positief procesadvies
komt, houdt de aanwijzing in het verlenen van rechtsbijstand in het executiegeschil.
(…)
Ik wijs u erop dat ik in één zaak maar één maal tot aanwijzing van een advocaat overga.”
2.2 Bij brief van 8 juni 2026 aan de deken heeft mr. L de deken verzocht de aanwijzing te wijzigen en een andere advocaat aan te wijzen, omdat zij tot de conclusie was gekomen klaagster niet de rechtsbijstand te kunnen bieden die haar situatie vereist. Mr. L heeft aan de deken meegedeeld dat de samenloop van een buitenlands faillissement en een lopende Nederlandse executieprocedure, alsmede het bestaan van een eventuele Nederlandse insolventie- of schuldhulpverleningssituatie, de zaak juridisch complex maakt en vraagt om specialistische expertise die zij niet bezit, noch haar kantoorgenoten.
2.3 Bij besluit van 9 juni 2026 heeft de deken vervolgens, in plaats van mr. L, mr. M aangewezen.
2.4 Bij e-mail van 16 juni 2026 heeft mr. M aan de stafjurist meegedeeld dat hij zich, net als mr. J, niet de aangewezen advocaat acht om de belangen van klaagster te behartigen. Daarbij heeft mr. M aangegeven dat het hem wenselijk voorkomt dat de aanwijzing van 9 juni 2026 wordt herzien, zodanig dat mr. M slechts de belangen van klaagster zou behartigen in het executiegeschil. Dit verzoek is door de deken niet ingewilligd en mr. M heeft beide zaken als aangewezen advocaat in behandeling genomen. Ten aanzien van het executiegeschil heeft mr. M klaagster een negatief procesadvies gegeven. Ten aanzien van de bodemzaak heeft mr. M klaagster geadviseerd hem opdracht te geven het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) te Den Haag in te schakelen om de zaak te laten analyseren op het gebied van het Engelse recht.
2.5 Klaagster heeft meermaals bij de deken en bij mr. M aangegeven ontevreden te zijn over de werkwijze, de inzet en de adviezen van mr. M. Klaagster heeft mr. M in dat verband ook instructies gegeven. Klaagster heeft ook een klacht ingediend bij de klachtenfunctionaris van het kantoor van mr. M. Deze klacht is door de klachtenfunctionaris van het kantoor bij e-mail van 22 juni 2026 ongegrond verklaard. Daarnaast heeft klaagster het kantoor van mr. M aansprakelijk gesteld.
2.6 Bij e-mail van 22 juni 2026 aan de deken heeft mr. M aangegeven klaagster niet langer te kunnen bijstaan als gevolg van een ontstane vertrouwensbreuk.
2.7 Klaagster heeft de deken in reactie daarop op 22 juni 2026 verzocht om aanwijzing van een andere advocaat. In het bijzonder heeft klaagster om aanwijzing van mr. ZB gevraagd in de procedure bij de rechtbank Oost-Brabant.
2.8 In de afwijzende beslissing van 23 juni 2026 heeft de deken daarover het volgende meegedeeld:
“U heeft in de aanloop naar en volgend op dit bericht van [mr. M] (hof: de e-mail van mr. M van 22 juni 2026) in diverse e-mailberichten een nieuw verzoek om aanwijzing van een advocaat gedaan voor de hiervoor genoemde zaken. Uw verzoek om aanwijzing van een advocaat is daarmee een herhaald verzoek in dezelfde zaken als waarin u bij beschikking van 9 juni 2026 door mij een advocaat is aangewezen. Ik heb u bij deze aanwijzing reeds voorgehouden dat ik in één zaak slechts éénmaal tot aanwijzing van een advocaat overga.
U stelt dat opnieuw een advocaat moet worden aangewezen omdat [mr. M] zijn werk niet goed heeft gedaan, dat zijn advies is gebaseerd op onvolledige feiten en dat [mr. M] de urgentie van met name het executiegeschil met [financiële instelling] heeft miskend. U stelt dat de aanwijzing juist was bedoeld om een frisse en onafhankelijke beoordeling van de zaak te waarborgen, maar dat [mr. M] hieraan niet heeft voldaan. Verder zegt u dat [mr. M] heeft aangegeven in de bodemzaak niet over de vereiste expertise te beschikken en dat zulks reden is een tweede advocaat aan te wijzen.
Ik heb geen reden te twijfelen aan het door [mr. M] gegeven negatief procesadvies inzake het executiegeschil met [financiële instelling]. Ter zake van het ontbreken van expertise bij [mr. M] ben ik van mening dat dit niet noopt tot het aanwijzen van een nieuwe advocaat. Immers, [mr. M] heeft u geadviseerd het Internationaal Juridisch Instituut opdracht te geven voor de analyse van het Engelse recht ter ondersteuning van zijn bijstand aan u. Aangezien van een Nederlandse advocaat niet kan worden verlangd het Engelse recht te beheersen, hetgeen ook in eerder genoemde aanwijzingsbeschikking door mij is onderkend, heeft [mr. M] hiermee als advocaat adequaat gehandeld.
Naar mijn mening zijn er dan ook gegronde redenen om uw verzoek af te wijzen.
Conclusie
Ik wijs uw verzoek om aanwijzing van een advocaat om de hierboven genoemde redenen af. Dat betekent dat ik geen advocaat voor u zal aanwijzen.”
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen, op
grond van een viertal beklaggronden. Deze komen – zakelijk en samengevat weergegeven
– op het volgende neer:
1. de deken heeft de bodemzaak en het executiegeschil ten onrechte als één reeds
uitgeput aanwijzingsverzoek behandeld. Het betreft echter twee wezenlijk verschillende
zaken met een eigen procespositie, urgentie en eigen rechtsvragen. Gelet op de e-mail
van mr. M van 16 juni 2026 aan de stafjurist kon het latere verzoek van klaagster
om voor de bodemzaak een andere advocaat – in het bijzonder mr. ZB – te benaderen
niet zonder meer worden afgedaan met de redenering dat reeds eerder één aanwijzing
was verstrekt. De deken heeft miskend dat die aanwijzing in de praktijk niet langer
functioneerde.
2. het specifieke verzoek om mr. ZB voor de bodemzaak te benaderen is niet deugdelijk
beoordeeld. De deken heeft in de beslissing van 23 juni 2026 volstaan met de overweging
dat mr. M voor de vragen over het Engelse insolventierecht het IJI zou kunnen inschakelen.
Dat is geen toereikende reactie. Het ging klaagster erom wie de lopende Nederlandse
beslag- en dagvaardingsprocedure daadwerkelijk zou voeren nadat mr. M zich daarvoor
niet geschikt achtte en mr. J zich zou onttrekken. De beslissing is op dit onderdeel
ontoereikend gemotiveerd.
3. de beoordeling in het executiegeschil is te oppervlakkig geweest en miskent
de strekking van de aanwijzingsbeslissing van 9 juni 2026. De aanwijzing strekte ertoe
dat mr. M het negatieve procesadvies van mr. J zelfstandig, opnieuw en met inachtneming
van de actuele feiten zou beoordelen. Klaagster stelt dat mr. M dit onvoldoende heeft
gedaan en in feite heeft aangesloten bij het negatieve procesadvies van mr. J. De
deken had moeten onderzoeken of daadwerkelijk een onafhankelijke herbeoordeling van
het procesadvies heeft plaatsgevonden en daarvan in de beslissing van 23 juni 2026
blijk moeten geven. Dat heeft de deken nagelaten en daarmee is de vaststelling van
de deken dat zij geen reden heeft te twijfelen aan het door mr. M gegeven procesadvies
ontoereikend gemotiveerd.
4. de beëindiging van de aanwijzing heeft klaagster feitelijk zonder effectieve
rechtsbijstand achtergelaten in twee urgente dossiers. Dit terwijl mr. M reeds op
16 juni had aangegeven niet de aangewezen advocaat te zijn voor de bodemzaak en hij
vervolgens ook de bijstand in het executiegeschil heeft beëindigd. Van de deken mocht
gelet hierop een reële beoordeling worden verwacht van de vraag hoe in beide dossiers
nog effectief rechtsbijstand kon worden gewaarborgd, in plaats van een formele afwijzing
op de grond dat reeds eerder één aanwijzing was gegeven.
Verweer
3.2 De deken heeft als volgt op de beklaggronden van klaagster gereageerd. De
eerste beklaggrond treft geen doel, omdat in de aanwijzingsbeschikkingen is onderkend
dat er sprake is van twee zaken, namelijk het executiegeschil en de bodemzaak. Mr.
M is in beide zaken als advocaat aangewezen en heeft in beide zaken als aangewezen
advocaat zijn bijstand verleend. Dat klaagster het niet eens is met de (uitkomst van
de) geleverde bijstand door mr. M is geen reden om een nieuwe advocaat aan te wijzen
aangezien de aanwijzing reeds de beide zaken betrof.
Ook de tweede beklaggrond slaagt niet. Bij een aanwijzingsverzoek is het niet de
verzoeker die bepaalt of en welke advocaat er zou moeten worden aangewezen. Die bevoegdheid
rust bij de deken. Het herhaalde verzoek om aanwijzing van een advocaat is afgewezen,
waaronder ook valt het verzoek om mr. ZB aan te wijzen. Als klaagster mr. ZB als opvolgend
advocaat had willen inschakelen, had het op haar weg gelegen om zelf de opdracht aan
mr. ZB te verstrekken.
De derde beklaggrond treft evenmin doel, omdat mr. M tot een eigen negatief procesadvies
is gekomen in het executiegeschil en er geen redenen zijn om te twijfelen aan de totstandkoming
of de inhoud hiervan. Dat klaagster het inhoudelijk niet eens is met het negatieve
procesadvies betekent niet dat er opnieuw een advocaat moet worden aangewezen.
Ook de vierde beklaggrond treft geen doel. De deken wijst erop dat hij de noodzaak
van bijstand van een advocaat bij de aanwijzing van mr. M juist heeft onderkend. Dit
betekent echter niet dat als de aanpak en de inhoud en uitkomst van het advies van
de aangewezen advocaat niet naar de wens van klaagster is, de deken opnieuw een advocaat
moet aanwijzen. Aan klaagster is meegedeeld dat de deken in één zaak maar eenmaal
tot aanwijzing van een advocaat overgaat. Dat klaagster in een procedure is betrokken
waar de bijstand van een advocaat wettelijk is voorgeschreven en zij die bijstand
nu niet meer heeft doordat mr. M die heeft beëindigd, maakt dit niet anders.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Ten aanzien van het onderhavige aanwijzingsverzoek
4.2 Uit de beklaggronden begrijpt het hof dat het beklag van klaagster erop neerkomt
dat de aanwijzing niet heeft gefunctioneerd en dat klaagster door de afwijzende beslissing
van de deken om nogmaals een advocaat aan te wijzen die over voldoende kennis beschikt
om klaagster van een gedegen en onafhankelijk advies in beide zaken te voorzien, in
feite verstoken blijft van effectieve rechtsbijstand. Ten aanzien van het niet functioneren
van de aanwijzing heeft klaagster erop gewezen dat mr. M in juni 2026, in navolging
van mr. J, al heeft aangegeven zich niet voldoende toegerust te achten om de belangen
van klaagster in de bodemprocedure op juiste wijze te kunnen behartigen. In het executiegeschil
stelt klaagster dat mr. M geen eigen nieuw en onafhankelijk onderzoek naar het door
mr. J gegeven procesadvies heeft verricht, maar daar eenvoudigweg bij heeft aangesloten.
Het hof wijst erop dat, hoewel mr. M in juni 2026 inderdaad bij de deken heeft aangegeven
dat het hem wenselijk voorkwam als hij alleen in het executiegeschil de belangen van
klaagster zou behartigen, mr. M na de weigering van de deken klaagster heeft geadviseerd
hem opdracht te geven contact op te nemen met het IJI voor een analyse van het Engelse
recht ter ondersteuning van zijn bijstand aan klaagster. Dit advies was erop gericht
klaagster ook in de bodemprocedure van effectieve rechtsbijstand te kunnen voorzien.
Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat mr. M daarmee
adequaat heeft gehandeld. Klaagster heeft op het advies van mr. M niet gereageerd
en er kennelijk van afgezien om het IJI in te schakelen voor die analyse, omdat zij
het met het advies niet eens was. Dit acht het hof een gemiste kans en in feite heeft
klaagster het functioneren van de aanwijzing in die zaak daarmee onmogelijk gemaakt.
Ten aanzien van het in het executiegeschil gegeven advies overweegt het hof dat klaagster
op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat mr. M geen eigen onderzoek naar
het eerdere procesadvies van mr. J heeft verricht. Met de deken is het hof van oordeel
dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de totstandkoming of de inhoud van het
door mr. M in deze zaak gegeven procesadvies. Uit het dossier rijst veeleer het beeld
op dat klaagster wil bepalen hoe de rechtsbijstand inhoudelijk vormgegeven moet worden.
Dit staat haaks op de voor de advocatuur geldende kernwaarde onafhankelijkheid. Die
kernwaarde gaat uit van een advocaat die onafhankelijk zijn professionele oordeel
vormt over de passende rechtsbijstand in een zaak. De deken heeft klaagster hier ook
reeds op gewezen in haar beslissing van 23 juni 2026. De omstandigheid dat klaagster
het niet eens is met het procesadvies van mr. M brengt niet mee dat een andere advocaat
moet worden aangewezen door de deken (zie HvD 17 september 2012, ECLI:NL:TAHVD:2012:YA3483).
Anders dan klaagster, is het hof aldus van oordeel dat klaagster in zowel het executiegeschil
als de bodemprocedure van effectieve rechtsbijstand is voorzien, en er geen aanleiding
bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de deken slechts eenmalig een advocaat
aanwijst. Naar het oordeel van het hof heeft de deken het tweede verzoek tot aanwijzing
van een advocaat dan ook op goede gronden afgewezen.
Conclusie
4.3 Op grond van het vorenstaande zal het hof het beklag van klager ongegrond verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 23 juni 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.