ECLI:NL:TAHVD:2026:225 Hof van Discipline 's Gravenhage 260123

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:225
Datum uitspraak: 13-07-2026
Datum publicatie: 15-07-2026
Zaaknummer(s): 260123
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Termijnoverschrijding. Hoger beroep niet-ontvankelijk. De termijn van artikel 56 lid 1 Advocatenwet wordt strikt gehanteerd. Slechts op grond van bijzondere omstandigheden is daar een uitzondering op mogelijk. Het hof is van oordeel dat de door klager aangevoerde omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. Het verzenden van een beroepschrift per post is voor eigen rekening en risico van klager. Het is klagers eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het beroepschrift het hof tijdig bereikt. Klager had daarvoor maatregelen kunnen treffen, zoals het aangetekend verzenden van het beroepschrift. Dat heeft klager niet gedaan en hij heeft ook geen andere reden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn. Niet is gebleken dat klager niet in staat was om tijdig het hoger beroep in te stellen.


Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260123

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

1    DE PROCEDURE 

Bij de Raad van Discipline

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van 23 februari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad). De raad heeft met die beslissing (met zaaknummer: 25-752/DB/ZWB) de klacht van klager over verweerder niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op handelen of nalaten van verweerder van voor 25 juli 2022, en de klacht voor zover deze ziet op handelen of nalaten van verweerder vanaf 25 juli 2022 ontvankelijk en op alle onderdelen ongegrond verklaard. 

1.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:24 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

1.3    Het (pro forma) beroepschrift van klager tegen de beslissing van de raad, gedateerd 18 maart 2026, is op 30 maart 2026 per post door de griffie van het hof ontvangen. 

1.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    een brief van klager gedateerd 21 mei 2026, bij het hof per post ingekomen op 28 mei 2026;
-    een reactie van verweerder van 28 mei 2026;
-    een brief van klager gedateerd 23 augustus 2025, bij het hof per post ingekomen op 15 april 2026. 
  
1.5    Het hof heeft de zaak op basis van de stukken in raadkamer behandeld. 


2    BEOORDELING

Ontvankelijkheid 

2.1     In artikel 56 lid 1 van de Advocatenwet is bepaald dat van de beslissingen van de raad gedurende dertig dagen na de verzending van de beslissing hoger beroep kan worden ingesteld. Deze termijn is van openbare orde. Op grond van de rechtszekerheid moet het duidelijk zijn wanneer een beslissing onherroepelijk is. Daarom wordt de termijn van artikel 56 lid 1 Advocatenwet strikt gehanteerd. Slechts op grond van bijzondere omstandigheden is daar een uitzondering op mogelijk.

2.2     De raad heeft de beslissing op 23 februari 2026 verzonden. Dat betekent dat klager tot en met 25 maart 2026 de tijd had om hoger beroep in te stellen. Het (pro forma) beroepschrift van klager, gedateerd 18 maart 2026, is echter pas op 30 maart 2026 bij het hof binnengekomen. 

2.3 Bij brief van 14 april 2026 heeft het hof de ontvangst van het beroepschrift aan klager bevestigd. In de brief is aan klager meegedeeld dat het hof zich voor de vraag gesteld ziet of het hoger beroep door klager tijdig is ingediend en dat het hof eerst deze voorvraag op basis van de stukken in raadkamer zal behandelen, voordat het hof eventueel aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep toekomt. Klager is daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na de datum van verzending van de brief schriftelijk toe te lichten waarom hij zijn hoger beroep pas na afloop van de beroepstermijn heeft kunnen indienen. Deze brief is aangetekend per post aan klager verzonden.

2.4 De brief is op 7 mei 2026 bij het hof retour gekomen, omdat de brief door klager niet is afgehaald. Op 18 mei 2026 is de brief nogmaals naar klager verzonden, nu per gewone post. Daarbij is klager opnieuw in de gelegenheid gesteld - binnen twee weken na de datum van verzending van deze brief, dus vóór 1 juni 2026 - schriftelijk toe te lichten waarom hij het hoger beroep pas na afloop van de beroepstermijn heeft kunnen indienen.

Toelichting klager 

2.5 In de brief gedateerd 21 mei 2026, bij het hof ingekomen op 28 mei 2026, heeft klager geschreven dat hij herhaaldelijk post van het hof (naar het hof begrijpt uit de brief: dan wel de raad) niet heeft ontvangen, waardoor het voor hem ook niet mogelijk is tijdig te reageren. Klager schrijft dat hij om die reden (aanvankelijk) ook een pro forma beroepschrift heeft ingediend. Klager wijst erop dat hij tijd nodig heeft om advies in te winnen en zaken uit te zoeken, waardoor het voor hem niet mogelijk is om na een niet/te laat ontvangen brief, te reageren voor de gestelde datum. 
 

Reactie verweerder

2.6 Verweerder heeft aangevoerd dat klager geen eenduidige verklaring heeft gegeven waarom klager het hoger beroep pas na afloop van de beroepstermijn heeft kunnen indienen. Verweerder constateert daarbij dat klager - gelet op de datering van het beroepschrift van 18 maart 2026 - in ieder geval één week voor het verstrijken van de beroepstermijn bekend was met de uitspraak van de raad en de beroepstermijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voor rekening en risico van klager komt dat het hof het beroepschrift pas na 25 maart 2026 heeft ontvangen. Verweerder concludeert dat het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk is. 

2.7 Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat in het beroepschrift de gronden van het hoger beroep moeten worden opgenomen en dat klager dat heeft nagelaten. Het standpunt van klager is dat dit eveneens tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, dan wel tot afwijzing van de klacht, moet leiden.

Oordeel van het hof

2.8 Het hof is van oordeel dat de door klager aangevoerde omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. Het verzenden van een beroepschrift per post is voor eigen rekening en risico van klager. Het is klagers eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het beroepschrift het hof tijdig bereikt. Klager had daarvoor maatregelen kunnen treffen, zoals het aangetekend verzenden van het beroepschrift. Dat heeft klager niet gedaan en hij heeft ook geen andere reden aangevoerd op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn. Niet is gebleken dat klager niet in staat was om tijdig het hoger beroep in te stellen, te meer nu klager in het pro forma hoger beroepschrift van 18 maart 2026 schrijft dat hij op die datum de beslissing van de raad had ontvangen en hij dus reeds een week voor het verstrijken van de hoger beroepstermijn op de hoogte was van de beslissing van de raad. 
2.9 De conclusie is dat het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk is.


3    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.