ECLI:NL:TAHVD:2026:224 Hof van Discipline 's Gravenhage 260125

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:224
Datum uitspraak: 13-07-2026
Datum publicatie: 15-07-2026
Zaaknummer(s): 260125
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Appelverbod. Artikel 46h Advocatenwet maakt verzet mogelijk tegen een voorzittersbeslissing zoals in deze zaak. Op grond van artikel 46h lid 7 Advocatenwet staat tegen de beslissing op verzet geen rechtsmiddel open. Er geldt een appelverbod. Er kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden. Het hof stelt vast dat wat klager aanvoert betrekking heeft op de motivering van de beslissing op verzet, die volgens klager onjuist is, en dat klager ter onderbouwing van zijn standpunt nader ingaat op de inhoud van de onderliggende zaak. Dat is echter geen grond voor doorbreking van het appelverbod (zie HvD 20 september 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:183). 


Beslissing van 13 juli 2026

in de zaak 260125

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

tegen:

verweerder

   DE PROCEDURE 

Bij de Raad van Discipline

1.1    Het hof verwijst naar de beslissing van 1 december 2025 (met zaaknummer 25-691/AL/GLD) van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad). In deze beslissing is de klacht van klager over verweerder, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:264 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 23 maart 2026 heeft de raad het verzet van klager ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). 
De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRARL:2026:71 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

1.3    Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing op verzet. Het beroepschrift van klager is op 6 april 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 

1.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad;
-    een e-mail van klager van 13 april 2026, met als bijlage aanvullende grieven van klager.

1.5    Het hof heeft de zaak op basis van de stukken in raadkamer behandeld. 


2    BEROEPSGRONDEN

2.1 Het hoger beroep van klager is blijkens het beroepschrift gericht tegen de beslissing op verzet. 

2.2 In het beroepschrift heeft klager erop gewezen dat in de onderliggende civiele zaak, dat betrekking heeft op een geschil rondom VvE’s, gebruik is gemaakt van een vervalst document, dat wordt gepresenteerd als een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 september 2022. Het standpunt van klager komt erop neer dat verweerder, gelet op zijn professionele deskundigheid als advocaat, had moeten onderkennen dat er ernstige vragen bestonden over het bestaan en de rechtsgeldigheid van dat document. Dat heeft verweerder volgens klager nagelaten en klager heeft zelfs gebruik gemaakt van het vervalste arrest, aldus klager. Daarmee heeft verweerder volgens klager tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klager vindt dat de raad in de beslissing op verzet aan deze omstandigheden onvoldoende aandacht heeft besteed, waardoor er sprake is van een motiveringsgebrek. Verder wijst klager erop dat het gebruik door een advocaat van een vervalst document het vertrouwen in de rechtspleging schendt. Klager verzoekt het hof de beslissing op verzet te vernietigen, de klacht na een nieuwe en volledige beoordeling alsnog gegrond te verklaren en een passende maatregel aan verweerder op te leggen. 


3    BEOORDELING

Wettelijk kader 

3.1 Artikel 46h Advocatenwet maakt verzet mogelijk tegen een voorzittersbeslissing zoals in deze zaak. Op grond van lid 7 van dit artikel staat tegen de beslissing op verzet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat geen hoger beroep mogelijk is tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet ongegrond is verklaard. Er geldt een zogenoemd appelverbod. Er kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel (zoals het recht op hoor en wederhoor) is geschonden. Het appelverbod kan dan worden doorbroken. Het hof zal onderzoeken of daarvan in deze zaak sprake kan zijn.

Het oordeel van het hof

3.2    Het hof stelt vast dat wat klager aanvoert betrekking heeft op de motivering van de beslissing op verzet, die volgens klager onjuist is, en dat klager ter onderbouwing van zijn standpunt nader ingaat op de inhoud van de onderliggende zaak. Dat is echter geen grond voor doorbreking van het appelverbod (zie HvD 20 september 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:183). Zoals hiervoor staat, kan het appelverbod alleen worden doorbroken als de raad bij de behandeling van het verzet een fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden, waardoor de procedure bij de raad geen eerlijk proces is geweest. Klager voert niet aan dat daarvan sprake is en het hof heeft ook daarbuiten op basis van de inhoud van het dossier geen grond om aan te nemen dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. 

3.3    De conclusie is dan ook dat klager geen beroep heeft gedaan op gronden die aanleiding kunnen geven tot doorbreking van het appelverbod. Het hoger beroep van klager is daarom niet-ontvankelijk. 


4     BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
                    
     

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.