ECLI:NL:TAHVD:2026:223 Hof van Discipline 's Gravenhage 260020
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:223 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 15-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260020 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Intrekking hoger beroep. De raad heeft geoordeeld dat verweerder zijn cliënte over zijn kosten en over een aspect van de processtrategie onvoldoende heeft geïnformeerd en heeft de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Klaagster heeft aanvankelijk hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing, maar heeft vervolgens kort voor de mondelinge behandeling bij het hof haar klacht ingetrokken. Het hof ziet geen reden om de behandeling van de klacht in het algemeen belang voort te zetten. Vernietiging raadsbeslissing. |
Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260020
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerder
gemachtigde: R. Bosman, advocaat te Rotterdam
1 INLEIDING
1.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder zijn cliënte over zijn kosten en over een aspect van de processtrategie onvoldoende heeft geïnformeerd. De raad heeft aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Klaagster heeft aanvankelijk hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing, maar heeft vervolgens kort voor de mondelinge behandeling bij het hof haar klacht ingetrokken. Het hof ziet geen reden om de behandeling van de klacht in het algemeen belang voort te zetten. Het hof vernietigt de beslissing van de raad en legt hierna uit hoe het tot deze beslissing komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-405/AL/GLD) een beslissing gewezen op 22 december 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:282 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 19 januari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder;
- een e-mail van klaagster van 21 mei 2026 met bijlagen 18 A-B en 19 A-B;
- een e-mail van klaagster van 2 juni 2026 met de mededeling dat zij overweegt
haar klacht in te trekken en met de vraag of daaraan kosten zijn verbonden;
- een e-mail van 4 juni 2026 van klaagster met de mededeling dat zij de tegen
verweerder ingediende klacht intrekt;
- een e-mail van de gemachtigde van verweerder van 4 juni 2026 met de bevestiging
dat partijen tot een regeling zijn gekomen en dat onderdeel van die regeling is dat
de klacht wordt ingetrokken, waaronder moet worden verstaan dat het beroep van klaagster
tegen de uitspraak van de raad wordt ingetrokken;
- een e-mail van de griffiemedewerker van het hof van 4 juni 2026 aan partijen
met de vraag of partijen duidelijk willen aangeven of intrekking van de klacht of
intrekking van het hoger beroep is overeengekomen;
- een e-mail van de gemachtigde van verweerder van 4 juni 2026 met de mededeling
dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten, waarin is overeengekomen
dat de klacht door klaagster wordt ingetrokken;
- een e-mail van klaagster van 4 juni 2026 met de mededeling dat het de bedoeling
van haar was om de verdere procedure te stoppen, maar dat in de regeling staat dat
klaagster de klacht intrekt. Zij gaat er daarom nu ook van uit dat de klacht wordt
ingetrokken.
2.5 De geplande mondelinge behandeling op 8 juni 2026 heeft geen doorgang gevonden.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van toepassing, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) onduidelijkheid te laten bestaan over zijn kosten en excessief te declareren;
b) ondermaats te presteren en onzorgvuldig te handelen.
4 BEOORDELING HOF
Maatstaf
4.1 De eerste volzin van artikel 47a Advocatenwet bepaalt dat, in geval van intrekking van de klacht, de behandeling daarvan wordt gestaakt, tenzij de tuchtrechter beslist dat de behandeling van de klacht om redenen aan het algemeen belang ontleend, moet worden voortgezet. Blijkens artikel 57 lid 2 Advocatenwet is artikel 47a Advocatenwet van overeenkomstige toepassing op de behandeling in hoger beroep. Beslist het hof tot staking van de behandeling, dan leidt dit tot een dictum waarbij de beslissing van de raad wordt vernietigd (ongeacht de inhoud daarvan) en wordt verstaan dat de klacht geen behandeling meer behoeft. Bij de beoordeling of de behandeling moet worden voortgezet om redenen aan het algemeen belang ontleend, hanteert het hof de navolgende uitgangspunten, onder aantekening dat het niet beoogt een limitatieve opsomming te geven:
(i) indien de feitelijke grondslag van de klacht door de verweerder wordt betwist
en prima facie verschillend kan worden gedacht over de waardering van het bewijs daarvan,
zal voortzetting van de behandeling doorgaans niet in de rede liggen; met delicate
bewijsbeslissingen is geen algemeen belang gemoeid;
(ii) indien de feitelijke grondslag van de klacht onbetwist is of prima facie geen
twijfel bestaat dat deze bewezen is, dan is voornamelijk de aard van de geschonden
norm bepalend voor de beslissing om de behandeling al dan niet voort te zetten;
(iii) is de aard van de gestelde normschending deze dat de advocaat tekortgeschoten
is bij de inhoudelijke behandeling van de hem door zijn cliënt toevertrouwde zaak,
dan zal voortzetting van de behandeling doorgaans niet geïndiceerd zijn; in zodanig
geval prevaleert het belang van de cliënt bij een minnelijke regeling (die doorgaans
ten grondslag ligt aan de intrekking van de klacht) boven het algemeen belang dat
door de tuchtrechter wordt vastgesteld dat de advocaat de kernwaarde van deskundigheid
heeft geschonden; de ernst van de gestelde tekortkoming zal daarbij van ondergeschikte
betekenis zijn; deze zal immers zijn verdisconteerd in de met de cliënt getroffen
regeling;
(iv) in andere gevallen zal de beslissing om de behandeling al dan niet voort te
zetten afhankelijk zijn van de mate waarin de gestelde normschending raakt aan andere
kernwaarden dan deskundigheid bij de behartiging van de belangen van de cliënt, en
van de mate waarin het wenselijk voorkomt dat de tuchtrechter de desbetreffende norm
(opnieuw) onder de aandacht brengt van de beroepsgroep in het algemeen en/of van de
verwerende advocaat in het bijzonder;
(v) voortzetting van de behandeling zal in elk geval geïndiceerd zijn indien de
verwerende advocaat de ongeoorloofdheid van zijn (vaststaande) handelwijze ten principale
betwist en een beslissing op dat verweer precedentwaarde heeft voor de praktijk.
Geen voortzetting klachtbehandeling en vernietiging beslissing raad
4.2 De klacht is gericht tegen de eigen advocaat van klaagster. De gedragingen van verweerder die in hoger beroep ter beoordeling voorliggen, zien op het onduidelijkheid laten bestaan van de kosten en de hoogte van de declaraties, alsmede op ondermaats presteren en onzorgvuldig handelen. Klaagster en verweerder hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin een minnelijke regeling is neergelegd. Zij hebben aan het hof bericht dat onderdeel van deze regeling is dat klaagster haar klacht tegen verweerder intrekt. Naar het oordeel van het hof bestaan geen redenen van algemeen belang die met zich brengen dat de behandeling van de klacht moet worden voortgezet. Het belang van de getroffen regeling tussen klaagster en verweerder is groter in dit geval. Aangezien de raad in zijn beslissing een deel van de klacht van klaagster gegrond heeft verklaard en aan verweerder een maatregel heeft opgelegd, leidt dit tot de navolgende beslissing van het hof.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
5.1 vernietigt de beslissing van 22 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-405/AL/GLD,
5.2 verstaat dat er niet op de klacht behoeft te worden beslist.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. D. Wachter en F.C.
van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het
openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.