ECLI:NL:TAHVD:2026:222 Hof van Discipline 's Gravenhage 250379
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:222 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 15-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250379 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen advocaat wederpartij. Klager verwijt verweerster, de advocaat van zijn ex-partner, dat zij in haar processtukken onjuiste en onnodig grievende uitlatingen heeft gedaan, waaronder de uitlating dat er sprake zou zijn geweest van huiselijk geweld en dat er drie stopgesprekken met klager zijn gevoerd. De Raad heeft de betreffende klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof oordeelt dat verweerder de uitlatingen beter hadden kunnen nuanceren, maar dat ze in het licht van het geschil tussen klager en zijn ex-partner niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Bekrachtiging raadsbeslissing. |
Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 250379
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van zijn ex-partner met wie hij in meerdere procedures is verwikkeld. De klacht houdt in dat verweerster in haar processtukken onjuiste en onnodig grievende uitlatingen heeft gedaan, waaronder de uitlating dat er sprake zou zijn geweest van huiselijk geweld en dat er drie stopgesprekken met klager zijn gevoerd. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de betreffende klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof oordeelt dat verweerder de uitlatingen beter hadden kunnen nuanceren, maar dat ze in het licht van het geschil tussen klager en zijn ex-partner niet tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. Het hof onderschrijft voor het overige het oordeel van de raad en bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-224/A/NH) een beslissing genomen op 6 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:179 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 5 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster;
- een e-mail van 9 mei 2026 van verweerster met twee bijlagen.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
18 mei 2026. Daar is klager verschenen. Verweerster is verschenen via een digitale
verbinding. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen,
die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager en zijn ex-partner (verder: de vrouw) zijn verwikkeld in een complexe echtscheiding. Verweerster staat de vrouw in dezen bij.
3.3 Op 3 februari 2022 heeft de vrouw aangifte van mishandeling gedaan tegen klager.
3.4 De politie heeft op 8 februari 2022 in een brief aan de vrouw gemeld dat geen onderzoek naar de vermeende mishandeling zal worden ingesteld, omdat er geen bewijs en geen getuigen voor zijn gevonden. Deze brief is in augustus 2022 door de toenmalige advocaat van de vrouw als productie in een procedure gedeeld.
3.5 Op 28 april 2023 heeft de toenmalige advocaat van klager het volgende aan verweerster geschreven:
“Cliënt heeft inmiddels meermaals vernomen dat uw cliënte derden vertelt dat zij door hem zou zijn mishandeld. (...) Er is hier sprake van laster, waarmee de naam en reputatie van cliënt in ernstige mate wordt aangetast. Cliënt heeft uw cliënte immers nimmer mishandeld. (...) Uw cliënte heeft in het verleden aangifte gedaan van mishandeling, waarin zij nota bene heeft erkend cliënt te hebben mishandeld (...). Naar aanleiding van de aangifte van uw cliënte is besloten om geen verder onderzoek in te stellen wegens gebrek aan bewijs. (...) Uw cliënte dient per ommegaande haar uitlatingen omtrent vermeende mishandeling door cliënte te staken en deze gestaakt te houden. (...)”
Verweerster heeft hierop als volgt gereageerd:
“U stelt dat er sprake is van laster. U baseert dit op het feit dat het OM de aangifte van cliënte niet verder onderzoekt wegens gebrek aan bewijs. Dit betekent niet dat is vastgesteld dat er geen mishandeling heeft plaatsgevonden. (...) Cliënte heeft dit inmiddels achter zich gelaten. Ik laat dit punt dan ook verder voor wat het is.”
3.6 In een kort geding dagvaarding aan de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag heeft verweerster namens haar cliënte, voor zover hier relevant, het volgende geschreven:
“Samenwonen was niet meer mogelijk sinds februari 2022. De vrouw heeft destijds de echtelijke woning verlaten na huiselijk geweld en heeft een kleiner huurappartement.”
3.7 Verder heeft verweerster daarin het volgende geschreven:
“De man focust zich op negatieve wijze op de vrouw. In plaats van zijn zaken te regelen bestookt hij de vrouw met e-mails over allerlei kleine zaken aangaande de minderjarige dochter (...) en doet hij overal beschuldigingen. Er hebben al drie stopgesprekken door de politie met de man plaatsgevonden.”
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster:
a) dat zij meerdere malen heeft aangegeven dat er sprake zou zijn geweest van “huiselijk geweld”, daarmee insinuerend dat klager zich daar schuldig aan zou hebben gemaakt, terwijl het omgekeerde het geval was; de cliënte van verweerster heeft klager mishandeld en dat is door het Hof ook op die manier verwoord, hoewel besloten is om niet tot vervolging in te gaan omdat dit de verhouding tussen partijen geen goed zou doen;
b) dat zij meerdere keren, zowel in brieven als in processtukken, heeft aangegeven dat er drie stopgesprekken met klager zijn gevoerd door de politie, ook nadat zij wist dat dat niet juist was en dat er slechts één stopgesprek was gevoerd dat later ook weer is ingetrokken;
c) (….)
5 OMVANG VAN HET HOGER BEROEP
5.1 Klager beperkt zijn hoger beroep tot klachtonderdelen a) en b). Hij berust
in het oordeel van de raad op klachtonderdeel c). Het hof zal zich in het navolgende
bij de weergave van het oordeel van de raad en de beslissing van het hof beperken
tot de klachtonderdelen a) en b).
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft – na uiteenzetting van de standpunten van klager (rov. 3.2 en 3.3), verweerder (rov. 4) en het toetsingskader (rov. 5.1 en 5.2) – het volgende geoordeeld over de klachtonderdelen a) en b).
Klachtonderdeel a)
6.2 De raad heeft overwogen dat klager met dit klachtonderdeel verweerster verwijt dat hij door haar is weggezet als pleger van huiselijk geweld. Volgens klager zal een gemiddeld lezer de mededeling van verweerster in de dagvaarding zo begrijpen dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden door de man. De raad heeft vervolgens vooropgesteld dat het hier gaat om een processtuk dat is opgemaakt en overgelegd door verweerster in het kader van een juridische procedure en niet een openbaar stuk dat naar buiten is gebracht. De term ‘huiselijk geweld’ is door verweerster gebruikt in een (juridische) strijd tussen partijen, die reeds op verschillende punten was geëscaleerd. In dit geval heeft verweerster de term ‘huiselijk geweld’ in zijn algemeenheid gebruikt, zonder klager daarvan rechtstreeks te beschuldigen. Hoewel de raad klager volgt in zijn zorgen dat bij sommigen de indruk kan zijn ontstaan dat aan de zijde van klager sprake zou zijn geweest van huiselijk geweld, om welke reden verweerster haar mededeling dan ook beter had kunnen nuanceren, is de raad van oordeel dat verweerster hiermee geen tuchtrechtelijke grens heeft overschreden. Van een onjuiste mededeling was immers geen sprake. Bovendien heeft klager in het kader van de procedure zijn kant van het verhaal kunnen vertellen. Dat verweerster de hiervoor bedoelde nuance achterwege heeft gelaten, maakt niet dat hiermee de lat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen wordt gehaald, aldus de raad. De raad heeft geoordeeld dat klachtonderdeel a) ongegrond is.
Klachtonderdeel b)
6.3 De raad heeft geoordeeld dat ook klachtonderdeel b) eveneens ongegrond is.
De raad acht in het licht van het geschil dat speelde tussen partijen, waarbij vaststaat
dat de politie veelvuldig met klager heeft gesproken, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
dat verweerster over drie stopgesprekken heeft geschreven. Ook hier had verweerster
zich wel genuanceerder kunnen uitdrukken, aldus de raad. Verweerster heeft toegelicht
dat zij is afgegaan op de mededelingen van haar cliënt en mocht naar het oordeel van
de raad ook afgaan op de juistheid van de informatie die zij in dit verband van haar
cliënte had gekregen.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
7.1 Klager heeft drie beroepsgronden tegen het oordeel van de raad gericht. De beroepsgronden richten zich tegen de inhoudelijke beoordeling van de raad met betrekking tot de klachtonderdelen a) en b).
7.2 Klager heeft met betrekking tot klachtonderdeel a) zijn standpunt gehandhaafd dat het gebruik van de term “huiselijk geweld” in de kort geding dagvaarding nodeloos suggestief en schadelijk voor zijn reputatie was. In het algemeen spraakgebruik zal de term “huiselijk geweld” zonder verduidelijking altijd worden geassocieerd met de man. Door niet te preciseren wie het “huiselijk geweld” zou hebben gepleegd, is de suggestie gewerkt dat klager de geweldspleger was. Deze beschuldiging is onjuist, aangezien de aangifte van huiselijk geweld tegen klager is geseponeerd en de ex-partner van klager heeft erkend dat er huiselijk geweld door haar tegen klager was. Volgens klager is het gesuggereerde verband tussen hem en huiselijk geweld nodeloos grievend, diskwalificerend, lasterlijk, polariserend en schadelijk voor de gezamenlijke dochter van hem en zijn ex-partner.
7.3 Klager heeft daarnaast met betrekking tot klachtonderdeel b) zijn standpunt gehandhaafd dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door in de processtukken te stellen dat er drie stopgesprekken hebben plaatsgevonden, zonder dit te verifiëren. Een stopgesprek is een interventie van de politie gericht op het officieel vastleggen en overbrengen van een laatste waarschuwing in het kader van belaging of grensoverschrijdend gedrag. Dit wordt door de politie administratief vastgelegd en schriftelijk bevestigd aan het slachtoffer, aldus klager. Verweerster kon deze term niet gebruiken zonder te verifiëren of hiervan daadwerkelijk sprake was. Verweerster had bovendien moeten waken voor onnodige polarisatie. Verweerster geeft zelf toe dat nuancering mogelijk was. Verweerster mocht volgens klager niet afgaan op de informatie van haar cliënte. Zij wist op voorhand dat er geen sprake was van drie stopgesprekken en had de informatie van haar cliënte moeten verifiëren. In ieder geval had zij zich terughoudend moeten opstellen, aldus klager.
7.4 Klager heeft tot slot opgemerkt dat het feit dat hij in de procedure zijn kant van het verhaal heeft kunnen vertellen, niet afdoet aan de plicht van verweerster om zorgvuldig te formuleren. Klager verzoekt het hof om de beslissing van de raad te vernietigen, de klachtonderdelen a) en b) alsnog gegrond te verklaren en aan verweerster een passende maatregel op te leggen.
Verweer verweerster
7.5 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf
die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten
geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een
grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die
hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden
beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad.
Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b)
geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c)
bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij
niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat
de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal
dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid
daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren.
De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn
cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel
dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden
van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot
enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij
toebrengen.
8.3 In familierechtelijke kwesties zal een advocaat er bovendien voor moeten
waken, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen
partijen escaleren. Dan mag van een advocaat zekere (verdergaande) terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die naar objectieve
maatstaven als kwetsend kunnen worden ervaren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties
als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de
ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht,
juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met
name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen
van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend
zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval
tot geval afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen
daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe,
– en de kans op succes van een procedure.
Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden
aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.
Overwegingen hof
Klachtonderdeel a): Insinueren dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld
8.4 Klager handhaaft zijn standpunt dat verweerster door in de kort geding dagvaarding te melden: “Samenwonen was niet meer mogelijk sinds februari 2022. De vrouw heeft destijds de echtelijke woning verlaten na huiselijk geweld en heeft een kleiner huurappartement”, de onjuiste suggestie heeft gewekt dat klager huiselijk geweld heeft gepleegd. Volgens klager wordt in het algemeen spraakgebruik over het algemeen aangenomen dat huiselijk geweld wordt gepleegd door mannen.
8.5 Het hof is met de raad van oordeel dat verweerster er beter aan had gedaan
haar mededeling te nuanceren (door bijvoorbeeld aan te geven dat de aangifte van haar
cliënte tegen klager was geseponeerd wegens gebrek aan (aanvullend) bewijs), maar
dat verweerster hier in het licht van het tussen partijen bestaande geschil de grens
niet heeft overschreden. Het hof acht daarbij evenals de raad van belang dat de term
“huiselijk geweld” door verweerster is gebruikt in een (juridische) strijd tussen
partijen, die reeds op verschillende punten was geëscaleerd. Tegen de achtergrond
van het geschil waarin partijen elkaar over en weer beschuldigden van “huiselijk geweld”,
was de weergave in de kort geding dagvaarding dat de vrouw de echtelijke woning had
verlaten na huiselijk geweld niet onjuist. Verweerster heeft de term “huiselijk geweld”
in zijn algemeenheid gebruikt, zonder klager daar rechtstreeks van te beschuldigen.
Verweerster had zich echter moeten realiseren dat door haar woordkeuze de suggestie
(bij klager en anderen) kon worden gewekt dat het hier ging om door hem gepleegd “huiselijk
geweld”. Dat klager het zo heeft gelezen is niet onbegrijpelijk. Tegen die achtergrond
had verweerster haar mededeling beter dienen te nuanceren. Het hof acht echter eveneens
van belang dat het hier gaat om een processtuk in een juridische procedure en geen
openbaar stuk dat publiekelijk is gemaakt. Dit stuk is in beginsel vertrouwelijk tussen
de advocaten, partijen en de rechter. Uit de overige processtukken (waaronder die
van de man) en producties (proces-verbaal van aangifte van de cliënte van verweerster)
kon bovendien worden afgeleid dat er hier sprake was van beschuldigingen van “huiselijk
geweld” over en weer. Professionele procesdeelnemers zullen uitlatingen als de onderhavige
tegen die achtergrond bezien en ze niet klakkeloos interpreteren op de wijze als
klager vreest. Dit in aanmerking nemend acht het hof het achterwege laten van een
nuancering door verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Klachtonderdeel b): Meerdere keren in processtukken aangeven dat er drie stopgesprekken
met klager zijn gevoerd door de politie
8.6 Met betrekking tot het verwijt van het ten onrechte in de processtukken
vermelden dat er drie stopgesprekken met klager zijn gevoerd door de politie ziet
het hof op basis van de beroepsgronden van klager, die louter een herhaling inhouden
van eerder door klager ingenomen standpunten, en het onderzoek in hoger beroep, geen
aanleiding om tot een andere beoordeling van klachtonderdeel b) te komen dan de raad.
Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over.
Slotsom
8.7 De conclusie is dat het hof, evenals de raad, de klachtonderdelen a) en b) van klager ongegrond acht. Het hoger beroep van klager is ongegrond en het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 6 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-224/A/NH.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. C.H. van Breevoort-de
Bruin en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in
het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.