ECLI:NL:TAHVD:2026:221 Hof van Discipline 's Gravenhage 250462
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:221 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 15-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250462 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen advocaat wederpartij. Klaagster is in een eerder arbeidsgeschil met haar toenmalige werkgever bijgestaan door een voormalig kantoorgenoot van verweerder. Verweerder heeft vervolgens de nieuwe werkgever van klaagster bijgestaan in een ontslagzaak tegen klaagster. Klaagster verwijt verweerder dat hij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 15 van de advocatuur (belangenverstrengeling) door tegen haar op te treden, terwijl zij een voormalig cliënte van zijn kantoor is. Verweerder mocht niet optreden tegen zijn voormalige cliënte. Gedragsregel 15 is geschonden. Bekrachtiging raadsbeslissing. |
Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 250462
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde: E.A. van Win, advocaat te Leiden
tegen:
klaagster
1 INLEIDING
1.1 Klaagster is in een eerder arbeidsgeschil met haar toenmalige werkgever bijgestaan door een voormalig kantoorgenoot van verweerder. Verweerder heeft vervolgens de nieuwe werkgever van klaagster bijgestaan in een ontslagzaak tegen klaagster. Klaagster verwijt verweerder dat hij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 15 van de advocatuur (belangenverstrengeling) door tegen haar op te treden, terwijl zij een voormalig cliënte van zijn kantoor is. Verweerder mocht niet optreden tegen zijn voormalige cliënte. Gedragsregel 15 is geschonden. Het hof sluit zich aan bij de door de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) opgelegde maatregel van berisping.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-335/AL/A) een beslissing gewezen op 24 november 2025. In deze beslissing is klachtonderdeel a) gegrond verklaard en zijn klachtonderdelen b), c) en d) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:253 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 24 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klaagster van 18 februari 2026.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
18 mei 2026. Daar zijn klaagster, verweerder en de gemachtigde van verweerder verschenen.
Klaagster en (de gemachtigde van) verweerder hebben hun standpunt toegelicht aan de
hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klaagster is in 2019 in een arbeidsgeschil met haar (toenmalige) werkgever bijgestaan door een voormalig kantoorgenoot van verweerder.
3.3 Verweerder heeft vanaf 2024 de (nieuwe) werkgever van klaagster bijgestaan in een ontslagzaak (om bedrijfseconomische redenen) tegen klaagster.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) op te treden voor haar werkgever, terwijl een advocaat van het kantoor van verweerder in het verleden de belangen van klaagster heeft behartigd;
b) (…)
c) (…)
d) (…)
5 OMVANG VAN HET HOGER BEROEP
5.1 De raad heeft klachtonderdeel a) gegrond verklaard en de klachtonderdelen
b), c) en d) ongegrond verklaard. Verweerder is in hoger beroep gekomen en richt zijn
beroepsgronden tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel a).
5.2 Het hof zal zich in het navolgende bij de weergave van het oordeel van de raad en de beslissing van het hof beperken tot dit klachtonderdeel a).
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft ten aanzien van klachtonderdeel a) geoordeeld dat er in het onderhavige geval sprake is van een schending van gedragsregel 15. Een advocaat mag in het algemeen niet optreden tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm, als uitvloeisel van de kernwaarde partijdigheid, is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt er ten volle op kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit al voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) hoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen. In twijfelgevallen dient de advocaat af te zien van het optreden in kwestie. Of een advocaat in een bepaald geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door op te treden tegen een voormalige cliënt moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval en wordt uiteindelijk getoetst aan artikel 46 Advocatenwet.
6.2 De raad heeft allereerst vastgesteld dat een (voormalig) kantoorgenoot van verweerder eerder is opgetreden voor klaagster. Klaagster is daarmee een voormalige cliënte van het kantoor van verweerder. Daarnaast staat vast dat verweerder tegen klaagster heeft opgetreden. Op grond van gedragsregel 15 is dat niet toegestaan, behalve als aan de in gedragsregel 15 lid 3 opgesomde voorwaarden is voldaan. De raad volgt verweerder niet in zijn standpunt dat dit laatste hier aan de orde is.
6.3 De raad heeft vervolgens geoordeeld dat de zaak waarin de kantoorgenoot van verweerder voor klaagster is opgetreden niet dezelfde zaak betreft (gedragsregel 15 lid 3 onder a) en dat daarmee is voldaan aan de eerste voorwaarde. De overeenkomsten die er tussen de twee zaken (arbeidsrechtelijke zaken) zijn, heeft de raad wel meegenomen bij de beantwoording van de vraag of aan de andere twee voorwaarden is voldaan.
6.4 Volgens de raad is echter niet aan de tweede voorwaarde van gedragsregel 15 lid 3 onder b voldaan. Verweerder heeft verklaard dat hij - nadat hij er op was gewezen dat klaagster een oud-cliënte van zijn kantoor is geweest en hij er achter kwam dat er van de oude zaak nog een digitaal dossier op zijn kantoor beschikbaar was – dit dossier ingezien. Mede door de overeenkomsten tussen de oude en de nieuwe zaak is naar het oordeel van de raad in voldoende mate gebleken dat verweerder beschikte over vertrouwelijke informatie afkomstig van klaagster, dan wel over informatie over klaagster die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen klaagster.
6.5 De raad heeft verder geoordeeld dat – gelet op de omstandigheden - de door klaagster gemaakte bezwaren tegen het optreden van verweerder in deze zaak redelijk zijn en dat dus ook niet aan de derde voorwaarde is voldaan (gedragsregel 15 lid 3 onder c). De raad heeft daarbij overwogen dat verweerder zelf had kunnen vaststellen dat er redelijke bezwaren zouden zijn tegen zijn optreden in deze zaak, maar dat hij van dat optreden zeker had moeten afzien nadat klaagster haar bezwaren daarover kenbaar had gemaakt. Verweerder heeft zich echter niet teruggetrokken en is in deze zaak blijven optreden. Daarmee is de klacht van klaagster ten aanzien van klachtonderdeel a) gegrond, aldus de raad.
6.6 De raad heeft vervolgens met betrekking tot de opgelegde maatregel geoordeeld dat het optreden tegen een (voormalig) cliënte in strijd is met gedragsregel 15 en aan de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid raakt. Gelet op de aard en de ernst van dit handelen, heeft de raad geoordeeld dat de maatregel van een berisping passend en geboden is. De raad heeft daarbij meegewogen dat verweerder is doorgegaan met het behartigen van tegenstrijdige belangen, ook nadat klaagster hem verzocht heeft dat niet te doen.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
7.1 Klager heeft drie beroepsgronden (grieven) tegen het oordeel van de raad gericht. Met de eerste beroepsgrond handhaaft hij zijn standpunt dat hij niet over vertrouwelijke informatie van klaagster beschikte (gedragsregel 15 lid 3 onder b). Volgens klager was de informatie die bij de nieuwe werkgever van klaagster bekend was reeds voldoende voor de behandeling van de zaak. Het bij verweerder aanwezige dossier bevatte bovendien geen vertrouwelijke stukken met enige relevantie voor de zaak. De informatie die het dossier wel bevatte, was reeds bij de nieuwe werkgever bekend en dus niet vertrouwelijk. Klaagster heeft volgens verweerder ook niet onderbouwd waarom het summiere dossier vertrouwelijke stukken zou bevatten. Er blijkt uit het dossier ook niet van enige onderhandelingsstrategie, aldus verweerder.
7.2 Met de tweede beroepsgrond handhaaft verweerder zijn standpunt dat er aan de zijde van klaagster geen sprake was van redelijke bezwaren (gedragsregel 15 lid 3 onder c). Volgens verweerder heeft hij zijn cliënt alleen bijgestaan in de ontslagprocedure bij het UWV waarin slechts ETO-redenen behoefden te worden aangevoerd. Deze procedure is geabstraheerd van de persoon van de werknemer en diens functioneren. De persoon van klaagster was daarbij niet van belang. Volgens verweerder heeft klaagster onvoldoende onderbouwd welke redelijke bezwaren zij heeft. Bovendien hebben klaagster en haar advocaat bij verweerder de indruk gewekt dat zij geen bezwaar hadden tegen zijn optreden. Klager verwijst in dit verband naar een e-mail van de advocaat van klaagster van 14 januari 2025 (bijlage 5 bij het verweerschrift). Klaagster heeft wel formeel bezwaar gemaakt, maar is vervolgens wel via haar advocaat met verweerder gaan onderhandelen.
7.3 Volgens verweerder heeft hij terecht het belang van zijn cliënt zwaarder laten wegen (beroepsgrond 3). Het was voor zijn cliënt een belangrijke kwestie en de verwachting was dat er snel een uitspraak van het UWV of een vaststellingsovereenkomst zou zijn. Verweerder vond dat doorverwijzing naar een andere advocaat in dat stadium van de zaak tot schade zou leiden aan de belangen van beide partijen. Verder dient een rol te spelen dat verweerder niet meer betrokken is geweest bij de totstandkoming van de minnelijke regeling, aldus verweerder.
7.4 Verweerder heeft zich tot slot nog op het standpunt gesteld dat de opgelegde maatregel van berisping te zwaar is. Verweerder is in de 36 jaar dat hij advocaat is nog nooit met een tuchtklacht geconfronteerd en nooit tuchtrechtelijk veroordeeld. Volgens verweerder was er geen sprake van een bewuste overtreding van een kernwaarde, maar heeft hij een afweging moeten maken die hij ten gunste van zijn cliënt heeft laten uitvallen. Verweerder geeft het hof in overweging geen maatregel op te leggen, dan wel een lichtere maatregel op te leggen.
Verweer klaagster
7.5 Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.2 Een advocaat is partijdig bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt. Deze belangen bepalen de wijze waarop hij zijn opdracht uitvoert, zij het dat die uitvoering op een onafhankelijke, integere en deskundige wijze dient te geschieden. Een advocaat is bij de uitoefening van zijn beroep vertrouwenspersoon voor zijn cliënt en neemt geheimhouding in acht binnen de grenzen van de wet- en regelgeving.
8.3 In deze zaak draait het in hoofdzaak om de norm dat een advocaat, gelet op zijn gebondenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid, in het algemeen niet mag optreden tegen een (voormalige) cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is uitgewerkt in Gedragsregel 15.
Overwegingen hof
8.4 Tussen klaagster en verweerder is niet in geschil dat een (voormalig) kantoorgenoot van verweerder eerder is opgetreden voor klaagster en dat klaagster daarmee een cliënte van een (voormalig) kantoorgenoot van verweerder is.
8.5 Gedragsregel 15 bevat de binnen de beroepsgroep algemeen aanvaarde norm dat het een advocaat, behoudens bijzondere omstandigheden, niet is toegestaan tegen zijn eigen (voormalige) cliënt of die van zijn kantoorgenoten op te treden. Het gaat daarmee om een verplichting en verantwoordelijkheid van de advocaat. Een cliënt moet mede door deze regel ten volle erop kunnen vertrouwen dat (vertrouwelijke) gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming, die de cliënt de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking stelt, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt (vgl. HvD 13 december 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:235 en HvD 13 oktober 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:190). Het niet optreden tegen de eigen (voormalige) cliënt vormt dus het uitgangspunt. In lid 3 van Gedragsregel 15 zijn drie cumulatieve voorwaarden vermeld waaronder de advocaat hiervan mag afwijken. Zie hierboven onder 6.1.
8.6 Verweerder heeft zijn standpunt gehandhaafd dat hij voor de wederpartij van klager mocht optreden omdat er is voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden van lid 3 van Gedragsregel 15. Het hof oordeelt hierover als volgt.
8.7 Het hof heeft allereerst vastgesteld dat een (voormalig) kantoorgenoot van verweerder eerder is opgetreden voor klaagster. Klaagster is daarmee een voormalig cliënte van het kantoor van verweerder. Daarnaast staat vast dat verweerder tegen klaagster heeft opgetreden. Het hof zal derhalve hebben te beoordelen of aan de cumulatieve voorwaarden van gedragsregel 15 lid 3 is voldaan.
Voorwaarde onder a): niet dezelfde zaak
8.8 Het hof is met de raad van oordeel dat de zaak waarin de kantoorgenoot voor klaagster is opgetreden niet dezelfde zaak is als de zaak waarin verweerder tegen klaagster is opgetreden. Dat het in beide zaken gaat om de beëindiging van een arbeidsovereenkomst in een reorganisatiecontext – zoals door klaagster is aangevoerd – is onvoldoende om aan te nemen dat het gaat om dezelfde zaak. Bij de zaken waren heel verschillende werkgevers betrokken.
Voorwaarde onder b): vertrouwelijke informatie, zaaksgebonden informatie of informatie die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak, en voorwaarde onder c): redelijke bezwaren aan de zijde van klager
8.9 Ter zitting heeft klaagster nader toegelicht dat het haar niet alleen gaat
om haar financiële positie en de overeengekomen beëindigingsvoorwaarden in de eerdere
zaak die bij de (voormalig) kantoorgenote van verweerder bekend waren, maar ook de
destijds gekozen onderhandelingsstrategie, haar wensen destijds en haar proceshouding
(of zij wel of niet naar de rechter wilde). Het hof is van oordeel dat in het midden
kan blijven of de informatie waar de kantoorgenote van verweerder over beschikte daadwerkelijk
van belang was of kon zijn bij de behandeling van de zaak van verweerder, omdat het
hof hier doorslaggevend acht dat het in de perceptie van klaagster wel zo was en ook
redelijkerwijs kon zijn. Bij klaagster heeft daardoor de schijn van belangenverstrengeling
kunnen ontstaan. Zij heeft voldoende aangetoond dat zij zich ongemakkelijk voelde
bij de gedachte dat er al dan niet relevante kennis over haar bij het kantoor van
verweerder aanwezig was.
8.10 Het hof is van oordeel dat daarmee sprake is van een redelijk bezwaar
aan de zijde van klaagster. Ook staat voldoende vast dat verweerder zich daarvan bewust
had moeten zijn. Klaagster heeft via haar advocaat aan verweerder bericht dat zij
van oordeel was dat het verweerder niet vrij stond om zijn cliënt bij te staan. Dit
blijkt uit de reactie van verweerder zelf in zijn e-mail van 9 december 2024. Verweerder
heeft in zijn reactie aangegeven dat hij van mening was dat er geen beletsel was voor
hem om zijn cliënt bij te staan. Bij e-mail van 14 januari 2025 heeft de advocaat
van klaagster aan verweerder bericht dat klaagster nog altijd bezwaar heeft tegen
zijn betrokkenheid bij de zaak, onder meer omdat zij er niet van overtuigd is dat
haar eerdere dossier zich niet bij verweerder op kantoor bevindt. Naar het oordeel
van het hof volgt hieruit ondubbelzinnig dat klaagster nog altijd bezwaar had tegen
het optreden van verweerder. Verweerder heeft aangevoerd dat de advocaat in deze e-mail
van 14 januari 2025 dubbelzinnige signalen heeft afgegeven door verderop in de e-mail
te schrijven dat klaagster bereid is zich constructief en pragmatisch op te stellen
en dat vanuit dat perspectief door klaagster een aantal voorstellen om tot een minnelijke
regeling te komen worden gedaan. Anders dan verweerder is het hof van oordeel dat
verweerder hieruit niet had mogen afleiden dat klaagster haar bezwaren tegen zijn
optreden liet varen en dat hij in het belang van zijn cliënt de zaak mocht doorzetten.
Voorzover er al sprake was van dubbelzinnige signalen in de e-mail van 14 januari
2025 had het op de weg van verweerder gelegen om bij klaagster en haar advocaat te
informeren of klaagster haar bezwaren uit praktische overwegingen kon laten varen.
Dat verweerder dat niet heeft gedaan en is blijven optreden rekent het hof hem aan.
8.11 Het hof concludeert dat niet is voldaan aan alle drie de voorwaarden die de uitzonderingsmogelijkheid van gedragsregel 15 lid 3 stelt. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat het optreden van verweerder tegen klaagster te rechtvaardigen viel. Daarbij verwijst het hof naar de toelichting bij gedragsregel 15, waarin wordt gesteld dat ook in twijfelgevallen de advocaat er beter aan doet om af te zien van het optreden.
9 SLOTSOM
9.1 Verweerder heeft door zijn handelen de gedragsregel die gericht is op het voorkomen van belangenverstrengeling en de kernwaarde partijdigheid uit het oog verloren. Verweerder heeft daarmee niet gehandeld zoals een advocaat betaamt. Het handelen van verweerder is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
10 MAATREGEL
10.1 Verweerder heeft toen hij er achter kwam dat zijn (voormalig) kantoorgenoot eerder voor klaagster had opgetreden en nadat hij van klaagster de mededeling had ontvangen dat zij bezwaar had tegen zijn optreden in rechte tegen haar, deze bezwaren van klaagster ten onrechte ter zijde geschoven. Dit rekent het hof verweerder aan.
10.2 Het hof is met de raad van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ook het hof acht de door de raad opgelegde maatregel van berisping passend en geboden. Het hof heeft hierbij meegewogen dat verweerder zich bewust is geweest van de mogelijke belangenverstrengeling en dat hij er – ondanks de expliciete bezwaren van klaagster - voor heeft gekozen zijn dienstverlening aan zijn cliënt voort te zetten. Het hof acht daarnaast van belang dat verweerder ook in hoger beroep niet heeft laten blijken dat hij inziet dat hij de redelijke bezwaren van klaagster hier ten onrechte ter zijde heeft geschoven. Verweerder miskent daarmee de kern van gedragsregel 15.
11 PROCESKOSTEN
11.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd,
zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen
in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling
Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
11.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
11.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
12 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
12.1 bekrachtigt de beslissing van 24 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-335/AL/A;
12.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
12.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. C.H. van Breevoort-de
Bruin en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het
openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.