ECLI:NL:TAHVD:2026:220 Hof van Discipline 's Gravenhage 250409
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:220 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 15-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250409 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen advocaat wederpartij. Klager verwijt verweerster dat zij heeft opgetreden als advocaat van de Vennootschap waarvan klager en verweerster (indirect) aandeelhouder en (indirect) bestuurder waren. Volgens klager is er sprake van belangenverstrengeling en is hij rechtstreeks in zijn eigen belang geschaad. De raad heeft geoordeeld dat klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen omdat hij geen rechtstreeks eigen belang heeft. Het hof oordeelt met de raad dat klager met betrekking tot de procedure tussen de Vennootschap en de ouders van klager geen rechtstreeks eigen belang heeft. Met betrekking tot de procedure tussen de Vennootschap en de klager (en zijn vennootschappen) heeft klager wel een rechtstreeks eigen belang, maar is niet gebleken dat verweerster enige werkzaamheden als advocaat heeft verricht. In zoverre acht het hof de klacht ongegrond. Deels bekrachtiging en deel vernietiging van de raadsbeslissing. |
Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 250409
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
gemachtigde: mr. S.V. Rutgers, advocaat te Amsterdam
tegen:
verweerster
gemachtigde: mr. N.A.M.E.C. Fanoy, advocaat te Amsterdam
1 INLEIDING
1.1 Klager verwijt verweerster dat zij heeft opgetreden als advocaat van de Vennootschap waarvan klager en verweerster (indirect) aandeelhouder en (indirect) bestuurder waren. Volgens klager is er sprake van belangenverstrengeling. Klager heeft aangevoerd dat het feitelijk een geschil tussen de aandeelhouders en bestuurders van de Vennootschap betreft en dat verweerster niet als advocaat het belang kan dienen van de Vennootschap, terwijl zij tegelijkertijd een eigen belang heeft als aandeelhouder en bestuurder. Daarnaast heeft de Vennootschap, en indirect ook klager, schade geleden, doordat verweerster buitensporige kosten heeft gedeclareerd aan de Vennootschap. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen omdat hij geen rechtstreeks eigen belang heeft. Het hof oordeelt met de raad dat klager met betrekking tot de procedure tussen de Vennootschap en de ouders van klager geen rechtstreeks eigen belang heeft. Met betrekking tot de procedure tussen de Vennootschap en de klager (en zijn vennootschappen) heeft klager wel een rechtstreeks eigen belang, maar is niet gebleken dat verweerster enige werkzaamheden als advocaat heeft verricht. In zoverre acht het hof de klacht ongegrond. De beslissing van de raad wordt door het hof deels bekrachtigd en deels vernietigd.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-292/A/A]) een beslissing gegeven op 20 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klager niet-ontvankelijk verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:197 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 18 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
18 mei 2026. Daar zijn klager en verweerster met hun gemachtigden verschenen. De gemachtigde
van klager en de gemachtigde van verweerster hebben de standpunten van klager en verweerster
toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier
van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Op 12 juli 2019 is een besloten vennootschap opgericht (verder: de Vennootschap). De Vennootschap verricht bouwactiviteiten. De Vennootschap werd bestuurd door twee vennootschappen, die tevens ieder voor 50% aandeelhouder van de Vennootschap zijn. Deze twee vennootschappen zullen hierna worden aangeduid als Y. BV en O. BV.
3.3 De bestuurders tevens aandeelhouders van Y. BV zijn verweerster en haar echtgenoot. Klager is indirect bestuurder van O. BV.
3.4 De Vennootschap heeft opdracht gekregen een appartementencomplex te bouwen op een kavel in Amsterdam. Het gaat om drie woningen en een parkeergarage. De opdrachtgevers tot de bouw waren onder andere de schoonvader van verweerster en de ouders van klager (verder: de ouders).
3.5 O. BV is bij besluit van 27 januari 2023 door de algemene vergadering van aandeelhouders
van de Vennootschap ontslagen als statutair bestuurder. O. BV verzet zich tegen dit
besluit.
Procedure I
3.6 Tussen partijen is op enig moment een geschil ontstaan over de bouw van het appartementencomplex op grond van de aanneemovereenkomst.
3.7 Op 27 september 2022 heeft de Vennootschap ten laste van de ouders conservatoir beslag gelegd. Ook heeft de Vennootschap op 11 oktober 2022 de ouders in kort geding gedagvaard en betaling gevorderd van € 138.455,67 op grond van de aanneemovereenkomst. Daaraan heeft de Vennootschap ten grondslag gelegd dat zij met de ouders een bouwsom van € 366.666,30 (inclusief btw) is overeengekomen. De ouders hebben zich in de procedure op het standpunt gesteld dat zij een aanneemsom van € 210.601,93 (inclusief btw) zijn overeengekomen.
3.8 Op 12 mei 2023 hebben de ouders de Vennootschap gesommeerd de bouw zo snel mogelijk te voltooien en haar aansprakelijk gesteld voor mogelijke schade als gevolg van de vertraging.
3.9 Op 9 juni 2023 is de Vennootschap een bodemprocedure gestart tegen de ouders ten einde betaling van (een restant van) de aanneemsom te vorderen.
3.10 Verweerster heeft in het kader van het geschil tussen de Vennootschap en de ouders voorbereidende advocaatwerkzaamheden verricht voor de Vennootschap. Verweerster heeft hiervoor een bedrag van € 17.617,60 aan de Vennootschap gedeclareerd. In de procedure wordt de Vennootschap door een andere advocaat bijgestaan dan verweerster.
Procedure II
3.11 Tussen de Vennootschap enerzijds en klager (en zijn vennootschappen) anderzijds is ook een geschil ontstaan. De Vennootschap is in dit geschil een bodemprocedure gestart tegen klager (en zijn vennootschappen). Deze procedure heeft betrekking op de vordering van de Vennootschap tot schadevergoeding uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid van klager en zijn vennootschappen in verband met de vermeende benadeling van de Vennootschap. In deze procedure is verweerster niet betrokken in haar hoedanigheid van advocaat, maar als (indirect) bestuurder van de Vennootschap. De Vennootschap wordt in deze procedure bijgestaan door een andere advocaat dan verweerster.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij heeft opgetreden als advocaat van de Vennootschap, terwijl zij ook (indirect) bestuurder en (indirect) aandeelhouder is van deze Vennootschap. Volgens klager brengt deze belangenverstrengeling de vereiste onafhankelijkheid van verweerster in gevaar. Dat verweerster heeft opgetreden voor de Vennootschap blijkt uit het feit dat er een factuur is van 18 januari 2024 (zie bijlage 1 bij de klacht) waaruit volgt dat zij tot en met 31 december 2023 52 uren advocaatwerkzaamheden heeft verricht voor de Vennootschap.
4.2 Volgens klager kan verweerster niet als advocaat het belang dienen van de Vennootschap, terwijl zij tegelijkertijd een eigen belang heeft als aandeelhouder en bestuurder. Zij zou daarmee onvoldoende onafhankelijk zijn. Het feit dat verweerster samenwerkt met een andere advocaat maakt geen verschil.
4.3 Volgens klager is het feitelijk een geschil tussen de aandeelhouders en bestuurders van de Vennootschap. Klager is (indirect) aandeelhouder en bestuurder van de Vennootschap en wordt daarmee rechtstreeks in zijn belangen geraakt als gevolg van het handelen van verweerster. Klager is als medeaandeelhouder van de Vennootschap ook direct in zijn belangen geraakt doordat verweerster buitensporige kosten heeft gedeclareerd aan de Vennootschap.
4.4 In de hiervoor onder 3.11 bedoelde procedure worden ook verwijten gemaakt aan het adres van klager. Nu de aandeelhouders van de Vennootschap met elkaar in geschil zijn, kan het volgens klager niet zo zijn dat het belang van de ene aandeelhouder parallel loopt aan het belang van de Vennootschap. Daarnaast blijkt ook uit de feiten en omstandigheden dat verweerster niet het belang van de Vennootschap dient. Volgens klager zou een onafhankelijk advocaat voor de Vennootschap moeten optreden.
5 BEOORDELING RAAD
Ontvankelijkheid van klager
5.1 De raad heeft – na uiteenzetting van het uitgangspunt dat alleen degene die
door een handelen of nalaten waarover wordt verklaard rechtstreeks in zijn belang
wordt geraakt kan klagen – allereerst het standpunt van klager weergegeven. Klager
verwijt verweerster dat zij heeft opgetreden als advocaat van de Vennootschap waar
klager en verweerster (indirect) aandeelhouder en (indirect) bestuurder van waren.
Volgens klager is er sprake van belangenverstrengeling. Klager heeft aangevoerd dat
het feitelijk een geschil tussen de aandeelhouders en bestuurders van de Vennootschap
betreft en dat verweerster niet als advocaat het belang kan dienen van de Vennootschap,
terwijl zij tegelijkertijd een eigen belang heeft als aandeelhouder en bestuurder.
Daarnaast heeft de Vennootschap, en indirect ook klager, schade geleden, doordat verweerster
buitensporige kosten heeft gedeclareerd aan de Vennootschap.
5.2 De raad heeft vervolgens geoordeeld dat klager als (indirect) aandeelhouder en (voormalig) bestuurder van de Vennootschap, hoogstens een afgeleid belang heeft bij de klacht. Volgens de raad is dit onvoldoende om zijn klacht over verweerster ontvankelijk te achten.
5.3 De raad heeft tot slot nog opgemerkt dat dit oordeel niet wegneemt dat de raad vindt dat de keuzes die verweerster maakt – door zowel als bestuurder, als aandeelhouder en als advocaat bepaalde activiteiten uit te voeren voor de Vennootschap – en de manier waarop zij deze rollen met elkaar combineert ongelukkig is uitgevallen en dat dit niet zonder risico is.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager heeft zich met zijn beroepsgrond op het standpunt gesteld dat hij wel degelijk rechtstreeks is geraakt door het handelen van verweerster. Klager handhaaft daarbij zijn standpunt dat verweerster als advocaat, (indirect) aandeelhouder en (indirect) bestuurder van de Vennootschap is opgetreden in twee procedures waarin zijn belangen als mede-aandeelhouder en bestuurder direct werden geschaad.
6.2 In de eerste procedure waarin de ouders van klager feitelijk partij waren, heeft verweerster namens de Vennootschap werkzaamheden verricht. Klager heeft ter zitting nader onderbouwd dat hij vindt dat hij rechtstreeks in zijn eigen belang wordt geschaad, omdat de procedure feitelijk tegen hem is gericht. De in die procedure gemaakte verwijten zijn met name op hem gericht (hem wordt valsheid in geschrift verweten). Klager ziet de procedures die worden gevoerd feitelijk als één geschil, namelijk een aandeelhoudersgeschil tussen hemzelf en zijn medeaandeelhouders (waaronder verweerster). Partijen maken elkaar over en weer verwijten die in de verschillende procedures terugkomen. Omdat verweerster (indirect) aandeelhouder en (indirect) bestuurder is van de Vennootschap, kan zij niet zonder (de schijn van) belangenverstrengeling tevens werkzaamheden als advocaat verrichten. De Vennootschap had volgens klager niet mogen beslissen deze (kansloze) procedure tegen de ouders van klager te starten, met alle financiële gevolgen van dien. Niet alleen heeft verweerster een dubbelrol vervuld bij het starten van deze procedure (als (indirect) bestuurder en door als advocaat voorbereidende werkzaamheden te verrichten), maar daarnaast heeft zij voor de door haar verrichte werkzaamheden aanzienlijke declaraties ingediend bij de Vennootschap. Hierdoor zijn de gezamenlijke middelen van de Vennootschap verminderd en heeft klager – naar zijn zeggen - als aandeelhouder direct financieel nadeel geleden.
6.3 In de tweede procedure, waarin klager via zijn vennootschappen is betrokken, wordt klager – naar zijn zeggen – eveneens rechtstreeks in zijn belangen geschaad. De door verweerster als verrichte werkzaamheden beïnvloeden de rechtspositie van de Vennootschap en daarmee ook die van hemzelf.
6.4 Klager heeft geconcludeerd dat het hof de beslissing van de raad dient te vernietigen, zijn klacht alsnog ontvankelijk dient te verklaren en de zaak inhoudelijk moet behandelen.
Verweer verweerster
6.5 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Ontvankelijkheid klacht
7.1 Het hof stelt, evenals de raad, voorop dat het in de Advocatenwet voorziene klachtrecht niet in het leven is geroepen voor eenieder, maar slechts voor degene die door een handelen of nalaten van een advocaat waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn of haar eigen belang kan worden getroffen. De ontvankelijkheid van de onderhavige klacht van klaagster moet aan de hand van dit uitgangspunt worden beoordeeld.
7.2 Klager heeft ter zitting bij het hof nader verklaard dat er naar zijn mening sprake is van één aandeelhoudersgeschil dat zich uit in meerdere procedures. In totaal is er sprake van ongeveer zeven procedures, waarvan twee hoofdprocedures. In deze klachtprocedure verwijt klager verweerster dat zij in de twee hoofdprocedures zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling door werkzaamheden te verrichten als advocaat, terwijl zij ook betrokken is als (indirect) aandeelhouder en (indirect) bestuurder van de Vennootschap.
- Procedure I: De Vennootschap tegen de ouders van klager
7.3 De eerste procedure betreft een procedure tussen de Vennootschap en de ouders van klager. In die zaak speelt de vraag of de aanneemovereenkomst over en weer is nagekomen en of de bouwkosten zijn betaald. Verweerster heeft erkend dat zij in deze zaak voorbereidende werkzaamheden heeft verricht. Volgens verweerster was er aanvankelijk een incassoadvocaat die zich bezighield met incassowerkzaamheden en conservatoir beslag. Toen bleek dat er meer speelde in deze zaak is besloten over te stappen naar een ondernemingsrechtelijke advocaat. Volgens verweerster heeft zij uit overwegingen van kostenbesparing voorbereidende werkzaamheden verricht, waarna de ondernemingsrechtelijke advocaat de zaak kon overnemen.
7.4 Het hof is van oordeel dat klager onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door het handelen van verweerster rechtstreeks in zijn eigen belang is geraakt. Verweerster heeft slechts voorbereidende werkzaamheden verricht ten behoeve van een procedure tussen de Vennootschap en de ouders van klager. Klager is zelf niet rechtstreeks bij deze procedure betrokken. Voorzover klager heeft aangevoerd dat er in de processtukken in deze procedure aan hem verwijten worden gemaakt, geldt dat de processtukken zijn opgemaakt door de ondernemingsrechtelijke advocaat van de Vennootschap en niet gebleken is dat verweerster daarbij enige betrokkenheid heeft gehad. Dat de Vennootschap volgens klager ten onrechte een kansloze procedure tegen de ouders van klager is gestart is een verwijt dat thuishoort in het bestuurders/aandeelhoudersgeschil. Ook het argument dat verweerster aanzienlijke declaraties heeft ingediend bij de Vennootschap, waardoor klager als aandeelhouder direct financieel nadeel heeft geleden, levert geen rechtstreeks eigen belang op. Het hof sluit zich hier aan bij het oordeel van de raad dat klager hier als (indirect) aandeelhouder en (voormalig) bestuurder van de Vennootschap slechts een afgeleid belang heeft bij de klacht en dat dit onvoldoende is om klager ontvankelijk te achten. De raad heeft klager in zoverre op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard.
- Procedure II: De Vennootschap tegen klager (en zijn vennootschappen)
7.5 De tweede procedure betreft een geschil tegen klager (en zijn vennootschappen). Het betreft een vordering van de Vennootschap tot schadevergoeding uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid van klager (en zijn vennootschappen) op grond van vermeende benadeling van de Vennootschap. Het hof is van oordeel dat klager door het (eventuele) handelen of nalaten van verweerster met betrekking tot deze procedure wel rechtstreeks in zijn eigen belang kan worden getroffen. In zoverre is klager dus wel ontvankelijk in zijn klacht.
Inhoudelijke beoordeling hof
7.6 De klacht treft echter geen doel. Verweerster heeft gemotiveerd betwist dat zij in deze procedure betrokken geweest is in haar hoedanigheid van advocaat. De Vennootschap wordt in deze procedure bijgestaan door een andere advocaat. Klager heeft tegen deze achtergrond onvoldoende aangevoerd van welk handelen of nalaten van verweerster in deze procedure haar een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het hof acht de klacht dan ook ongegrond.
Slotsom
7.7 De conclusie uit het voorgaande is dat de beslissing van de raad moet worden bekrachtigd, voor zover de klacht het handelen van verweerster met betrekking tot procedure I betreft. De beslissing van de raad zal worden vernietigd, voor zover de klacht het handelen van verweerster met betrekking tot procedure II betreft. De klacht zal op dat punt alsnog ongegrond worden verklaard.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 vernietigt de beslissing van 20 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-292/A/A, voor zover de klacht het handelen van verweerster met betrekking tot procedure II betreft;
en doet opnieuw recht:
8.2 verklaart de klacht in zoverre (alsnog) ongegrond;
8.3 bekrachtigt de beslissing van 20 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-292/A/A, voor zover de klacht het handelen van verweerster met betrekking tot procedure I betreft.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. C.H. van Breevoort-de
Bruin en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in
het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.