ECLI:NL:TAHVD:2026:22 Hof van Discipline 's Gravenhage 250130
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:22 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 28-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250130 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Verweerder trad in zijn hoedanigheid van advocaat op als contactpersoon voor een gemeente. De Raad van Discipline heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder bij de invulling van zijn rol als contactpersoon verder is gegaan dan het zijn van (slechts) aanspreekpunt. Verweerder heeft over de invulling van zijn beide rollen helder gecommuniceerd. De raad ziet geen reden waarom verweerder als advocaat, naast het zijn van contactpersoon voor de gemeente, in dit geval niet ook als procesadvocaat van de gemeente tegen klager had mogen optreden. Naar het oordeel van de raad conflicteren deze twee hoedanigheden in dit geval niet met elkaar en is van belangenverstrengeling geen sprake. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. |
Beslissing van 26 januari 2026
in de zaak 250130
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Verweerder trad in zijn hoedanigheid van advocaat op als contactpersoon voor een gemeente. De Raad van Discipline (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat verweerder bij de invulling van zijn rol als contactpersoon verder is gegaan dan het zijn van (slechts) aanspreekpunt. Verweerder heeft over de invulling van zijn beide rollen helder gecommuniceerd. De raad ziet geen reden waarom verweerder als advocaat, naast het zijn van contactpersoon voor de gemeente, in dit geval niet ook als procesadvocaat van de gemeente tegen klager had mogen optreden. Naar het oordeel van de raad conflicteren deze twee hoedanigheden in dit geval niet met elkaar en is van belangenverstrengeling geen sprake.
1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad in het ressort Amsterdam heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-841/A/A) een beslissing gewezen op 24 maart 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:49 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 10 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
28 november 2025. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Klager heeft zijn standpunt
toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier
van het hof.
3 FEITEN
3.1 Verweerder is in 2021 door de gemeente [S] (hierna: de gemeente) aangesteld als contactpersoon voor alle vragen en kwesties betreffende Park [X] (hierna: het recreatiepark).
3.2 Op 15 juni 2021 heeft verweerder hierover een offerte aan de gemeente uitgebracht.
3.3 Klager heeft in een brief van 27 augustus 2021 aan verweerder geschreven, voor zover relevant:
“(…) Van [de gemeente] heb ik begrepen dat u door hen ben aangesteld voor het één
en ander.
Daar ik inwoner ben van [de gemeente] zie ik graag dan een contract/overeenkomst
tegemoet waaruit e.e.a. blijkt en wat uw bevoegdheden zijn en of u ook gemandateerd
bent. Verder wat u aan salaris bent overeengekomen en hoe u eventuele uren declareert,
of dat u op jaarbasis bent aangenomen. (…)”
3.4 Op 24 september 2021 heeft klager een e-mailbericht aan een medewerker bij de gemeente (hierna: de heer K) gestuurd. In dit e-mailbericht heeft klager de rol van verweerder aan de orde gesteld en opgemerkt dat hij nog geen antwoord van verweerder heeft ontvangen op zijn e-mailbericht van 27 augustus 2021.
3.5 Op 28 september 2021 heeft klager zijn e-mailbericht van 24 september 2021 ook aan verweerder doorgestuurd op het e-mailadres [X@Y.nl].
3.6 Op 26 oktober 2021 heeft verweerder een e-mailbericht aan klager gestuurd vanaf het e-mailadres [X@Y.nl] en daarin geschreven, voor zover relevant:
“Geachte [klager],
Dank voor uw berichten. Ik zal als contactpersoon namens het college uw vragen
beantwoorden. Uw kunt al uw vragen sturen naar [X@Y.nl].
Inzake uw bericht van 27 augustus 2021, bericht ik u als volgt. Ik kan u daar
inhoudelijk niet op antwoorden. U kunt een Wob-verzoek indienen en ik heb begrepen
dat dit verzoek inmiddels is ontvangen. [De gemeente] zal daarop een besluit nemen.
Inzake uw bericht van 28 september 2021, bericht ik u als volgt. U hebt mij
een bericht doorgestuurd dat u op 24 september 2021 aan [de heer K] hebt verstuurd.
Ik maak daaruit op dat u informatie wenst inzake de door u twee gestelde vragen in
die desbetreffende e-mail.
U vraagt aan [de heer K] of het intrekken van een vergunning niet meer aan de
orde is omdat [de heer K] u per e-mail zou hebben laten weten één vergunning af
te geven en u de andere dan zou intrekken.
Antwoord: van [de heer K] heb ik begrepen dat daarover is gesproken maar geen
e-mail is verstuurd. Op de aanvraag zal worden beslist.
U vraagt aan [de heer K] hoe het kan dat een advocatenkantoor in Amsterdam zich
bemoeit met vragen over een niet bestaand recreatieterrein en daaronder stelt
u de daarmee samenhangende vraag waarom [de gemeente] onnodig veel geld overboord
gooit voor iets dan niet meer bestaat.
Antwoord: het college besteedt de beschikbare middelen en legt daarover verantwoording
af aan de raad. (…)”
3.7 Klager heeft op voorgaand bericht dezelfde dag per e-mail gereageerd met, voor
zover relevant:
“(…) Ik heb u gevraagd of u en/of uw kantoor ook gemandateerd is door B&W van [de
gemeente]. Ik heb daar geen antwoord van u op gekregen. Ik verwacht gewoon antwoord
van een gemeente ambtenaar van [de gemeente] en niet van u. Het is al de bloody
shame dat [de gemeente] mijn vragen aan de gemeente zomaar doorzet aan een derde .Dit
lijkt me juridisch gezien ten eerste niet de juiste weg en ten tweede in strijd
met de wet.
ik verwacht gewoon van [de gemeente] zelf een antwoord op mijn vragen. U heeft
niets met zaken te maken die ik met [de gemeente] heb. (…)”
3.8 Op 5 november 2021 heeft klager een vraag aan de gemeente gesteld over een formulier van een door hem gedaan WOB verzoek omdat deze niet leesbaar zou zijn en heeft hij de gemeente verzocht of hij een leesbaardere versie kon ontvangen. Verweerder heeft op 19 november 2021 op deze vraag gereageerd.
3.9 Klager heeft hierop (ook) op 19 november 2021 aan verweerder geschreven, voor zover relevant:
“ Wilt u mij niet meer benaderen per email
ik heb een vraag aan [de gemeente] gesteld en verwacht van hen een antwoord.
Ook u stuurt zelfs nog onleesbare bijlages retour, terwijl ik om leesbare papieren
heb gevraagd
Mij dus niets meer sturen anders blokkeer ik u
Ik heb namelijk geen enkel bewijs van u ontvangen op mijn vraag of u gemandateerd
bent door [de gemeente] en ook geen contract, cq een opdracht gezien
U kunt de zoveelste oplichter in het circuit wel zijn. U weigert met bewijzen te
komen. (…)”
3.10 Op 20 december 2021 heeft klager een e-mailbericht aan het (kantoor)e-mailadres
van verweerder gestuurd waarin hij schrijft dat verweerder geen enkel recht heeft
om zich met de zaken betreffende het recreatiepark te bemoeien. Klager heeft in dit
mailbericht gerefereerd aan de offertebrief van verweerder aan de gemeente van 15
juni 2021, die volgens klager vol met onjuiste informatie zou staan over het recreatiepark.
Klager heeft zijn bericht van 20 december 2021 afgesloten met:
“Het zou u sieren als u toegeeft zich niet met private zaken te bemoeien tussen 340 private eigenaren en de gemeente ,Dat, [verweerder] is een zeer ongewenste inbreuk op de privacy van 340 private personen. Tenzij de gemeente u inhuurt als advocaat om een rechtszaak te begeleiden. Dan wens ik u veel succes, Met uw werk als ADVOCAAT.”
3.11 Op 20 mei 2022 heeft klager een e-mail aan verweerder op zijn advocatenmailadres gestuurd met als bijlage de offerte van verweerder aan de gemeente van juni 2021 met daarbij het commentaar van klager hierop.
3.12 Op 13 december 2023 heeft de gemeente aan klager geschreven, voor zover relevant:
“(…) Wij hebben een contactpersoon aangesteld voor kwesties die spelen rondom [het recreatiepark]. [Verweerder] (…), is hiervoor het aanspreekpunt namens de gemeente. (…)”
3.13 Op 12 juli 2024 heeft klager een consultvraag aan de gemeente gesteld over het wijzigingen van zijn perceelbestemming.
3.14 Op 23 juli 2024 heeft het College van Burgemeesters en Wethouders (hierna: College
van B&W) van de gemeente aan klager geschreven, voor zover relevant:
“(…) Al enige tijd geleden is een contactpersoon aangesteld voor kwesties die spelen
rondom [het recreatiepark]. Dit is [verweerder] (…). In onze beantwoording en besluiten
aan u vermelden wij dat u (inhoudelijke) vragen kunt stellen aan [verweerder]. Dit
is wellicht niet in al onze correspondentie gemeld, maar deze werkwijze is u bekend
en nog steeds van kracht. (…) Wij verzoeken u (nogmaals) dringend uw (inhoudelijke)
vragen naar aanleiding van onze beantwoording en besluiten, te stellen aan [verweerder].
Bij voorkeur worden deze schriftelijk gesteld via [X@Y.nl] onder vermelding van
uw naam en telefoonnummer.
Als u geen gebruik maakt van deze mogelijkheid en de medewerkers op een onprettige
en intimiderende wijze blijft benaderen, zijn wij voornemens een contactverbod af
te geven.
(…)”
3.15 Klager heeft daarna bij de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) een verzoek om voorlopige voorzieningen ingediend tegen het College van B&W.
3.16 Op 13 augustus 2024 heeft verweerder zich in deze procedure gesteld als advocaat van de gemeente.
3.17 Op 23 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan in het geschil tussen klager en de gemeente. De rechtbank heeft geoordeeld dat klager geen belanghebbende in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) is en dat zijn verzoeken daarom kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
3.18 In een e-mailbericht van 3 september 2024 heeft klager aan de gemeente geschreven,
voor zover relevant:
“Hierbij wil ik, ondergetekende [klager] (…), u wijzen op een zeer kwalijke praktijk
van [de gemeente].
Dit betreft het advocatenkantoor (…)uit Amsterdam, met als woordvoerder [verweerder].
In iedere brief of email van de gemeente ,UITSLUITEND AAN DE EIGENAREN AAN DE [recreatiepark],
wordt verwezen voor vragen, kwesties, e.d. naar dit advocatenkantoor. Waarom is
mij onbekend.
Een advocaat en ook zijn gehele kantoor, mag echter niet voor meer dan één partij
werken. Wat is er nu aan de hand. Ik dien alle correspondentie te richten aan
de [verweerder] van bovengenoemd advocatenkantoor, ( niet ik alleen, maar alle
340 eigenaren aan de straat [recreatiepark]) maar nu heeft de [verweerder] zich
ook gesteld NAMENS de gemeente in enkele bestuurszaken waarin ik de wederpartij ben.
Ik dien dus volgens de gemeente met alle vragen e.d. mij te vervoegen bij de advocaat
die door de gemeente is ingehuurd . [Verweerder] is advocaat en geen gemeenteambtenaar.
En het is een advocaat verboden om voor meer dan één partij te werken. Sterker
nog, dit is strafbaar gesteld in de WET. Te weten de advocatenwet.
Een advocaat dient iedere belangenverstrengeling uit de weg te gaan. Zodra zich dit
voordoet is een advocaat verplicht om zich terug te trekken en geen diensten meer
te verlenen. En hier is zeer duidelijk belangenverstrengeling aan de orde, en
strafbaar gesteld in de advocatenwet.
(…)”
3.19 In een brief van 13 september 2024 heeft de gemeente gereageerd op een adviesaanvraag
van klager. De gemeente schrijft in de brief, voor zover relevant:
“(…) Heeft u vragen?
Wij hebben een contactpersoon aangesteld voor kwesties die spelen rondom [het
recreatiepark]. [Verweerder], (…) is hiervoor het aanspreekpunt namens de gemeente.
(…)”
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij
a) zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling door op te treden als contactpersoon voor klager en tegelijkertijd als advocaat van de wederpartijen;
b) in zijn contacten met klager er geen zorg voor heeft gedragen dat er geen misverstand bestaat over de hoedanigheid waarin hij optreedt namens de gemeente.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad ziet gelet op de inhoud van de klachtonderdelen a) en b) aanleiding om deze klachtonderdelen gezamenlijk te beoordelen. De raad is daarbij uitgegaan van de in artikel 10a van de Advocatenwet genoemde kernwaarden. Voor de beoordeling of sprake is geweest van de door klager gestelde belangenverstrengeling (klachtonderdeel a), biedt gedragsregel 15 een belangrijk gezichtspunt, waarbij het met name gaat om toetsing aan de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid. Voor de beoordeling van de vraag of verweerder er voldoende zorg voor heeft gedragen dat er geen misverstand kon ontstaan over de hoedanigheid waarin hij optrad (klachtonderdeel b), is gedragsregel 9 lid 1 van belang.
5.2 Gedragsregel 15 geeft aan dat een advocaat in het algemeen niet tegelijkertijd mag optreden voor meer dan één partij in een zaak wanneer deze partijen een tegengesteld belang hebben. Tevens mag een advocaat in het algemeen niet optreden tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Hij mag zich immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt ten volle erop kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit reeds voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) behoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen. In twijfelgevallen dient de advocaat af te zien van het optreden in kwestie. Of een advocaat in een bepaald geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door op te treden tegen een voormalige cliënt moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval en wordt uiteindelijk getoetst aan artikel 46 Advocatenwet.
5.3 De raad heeft overwogen dat uit het klachtdossier niet blijkt dat verweerder op enig moment als advocaat van klager heeft opgetreden. Klager heeft hiervoor geen feitelijke onderbouwing gegeven en verweerder heeft stellig betwist dat hij op enige wijze bijstand aan klager heeft verleend. De raad heeft daarom geoordeeld dat klager niet als een voormalig cliënt van verweerder, zoals bedoeld in gedragsregel 15, kan worden beschouwd.
5.4 De raad heeft vervolgens de vraag of verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat op enige andere wijze in een belangenconflict kan zijn geraakt, ontkennend beantwoord. Uit het dossier blijkt dat klager duidelijk is geïnformeerd over de hoedanigheid van verweerder in zijn rol als contactpersoon voor de gemeente. Het was duidelijk dat verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat optrad als contactpersoon voor de gemeente. Verweerder heeft daarover van zijn kant geen misverstand laten bestaan.
5.5 Het is de raad voorts niet gebleken dat verweerder bij de invulling van zijn rol als contactpersoon verder is gegaan dan het zijn van (slechts) aanspreekpunt. Niet gebleken is dat hij klager (of andere burgers met vragen) zou hebben voorzien van juridische adviezen, waardoor hij niet meer als procesadvocaat voor de gemeente zou kunnen optreden in het geschil met klager. Voor zover verweerder aldus enerzijds als contactpersoon voor de gemeente optrad en anderzijds als procesadvocaat jegens klager, heeft de raad geoordeeld dat verweerder over de invulling van deze beide rollen helder heeft gecommuniceerd. De raad heeft geen reden gezien waarom verweerder als advocaat, naast het zijn van contactpersoon voor de gemeente, in dit geval niet ook als procesadvocaat van de gemeente tegen klager had mogen optreden. De raad heeft geoordeeld dat deze twee hoedanigheden niet met elkaar conflicteren en dat van belangenverstrengeling geen sprake is.
5.6 De raad heeft de klachtonderdelen a) en b) ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 De kern van het hoger beroep is dat volgens klager sprake is van belangenverstrengeling en dat de raad dit verkeerd heeft beoordeeld. Klager vraagt daarom vernietiging van de beslissing.
6.2 Volgens klager heeft de raad de feiten onjuist vastgesteld. De raad overweegt dat verweerder “contactpersoon” van de gemeente is, maar volgens klager is er geen contract tussen de gemeente en verweerder. Klager merkt op dat hij herhaaldelijk bij de gemeente heeft gevraagd om een contract of bevestiging van de rol van verweerder. Dat is nooit verstrekt en de gemeente blijft bewoners verplicht doorverwijzen naar verweerder. Volgens klager is daarmee geen sprake van duidelijke en zorgvuldige communicatie, in tegenstelling tot wat de raad heeft geoordeeld.
6.3 Klager stelt dat de raad ten onrechte spreekt over “recreatiepark’’. Dat park bestaat volgens klager al sinds 2003 niet meer. De weg [recreatiepark] is een openbare weg, met 340 woningen op eigen grond. Daarom is het onjuist dat verweerder “contactpersoon voor alle zaken op het recreatiepark” zou zijn. De gemeente verwijst alle 340 bewoners naar verweerder voor alle vragen en kwesties, tegelijkertijd treedt verweerder op als advocaat op voor de gemeente in rechtszaken tégen diezelfde bewoners (waaronder klager). Dit is volgens klager een duidelijke belangenverstrengeling.
6.4 Volgens klager heeft verweerder gehandeld in strijd met kernwaarden van de advocatuur. Klager heeft in dit verband genoemd: onafhankelijkheid (verweerder werkt feitelijk in opdracht van gemeente, maar zonder mandaat), partijdigheid (verweerder behartigt belangen van de gemeente, maar fungeert ook als aanspreekpunt voor burgers), deskundigheid (verweerder kent de lokale situatie onvoldoende), integriteit (door o.a. een verkeerde voorstelling van de status van de weg te geven), vertrouwelijkheid (verweerder ontvangt informatie van potentiële wederpartijen).
6.5 Klager blijft de mening toegedaan dat het optreden van verweerder als advocaat van de gemeente naast het behartigen van alle zaken van 340 private eigenaren aan de straat [recreatiepark] wel degelijk belangenverstrengeling oplevert. Gelet hierop verzoekt klager het hof om de klachtenonderdelen a) en b) gegrond te verklaren en de beslissing van de raad te vernietigen.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
7.3 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die louter een herhaling van eerder door klager ingenomen standpunten inhouden en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt het hoger beroep van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
7.4 Hetgeen op de zitting bij het hof is besproken, maakt het oordeel van het hof niet anders. Ter zitting bij het hof heeft verweerder verklaard dat hij in de kwestie van het recreatiepark al ruim anderhalf jaar geen werkzaamheden meer heeft verricht als advocaat van-/ contactpersoon voor de gemeente. Kennelijk staat hij in brieven van de gemeente nog wel vermeld als contactpersoon, zoals klager vervolgens heeft opgemerkt. Dat laatste is niet wenselijk als hij geen contactpersoon meer is, maar dit enkele feit leidt niet tot een ander oordeel. Niet alleen volgt uit die vermelding nog niet dat verweerder ook daadwerkelijk werkzaamheden als advocaat/contactpersoon heeft verricht, maar - belangrijker - hij mocht eventuele werkzaamheden uitvoeren zoals hij heeft gedaan zonder dat hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Slotsom
7.5 Op grond van het vorenstaande zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- bekrachtigt de beslissing van 24 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-841/A/A.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg
en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar
uitgesproken op 26 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 26 januari 2026.