ECLI:NL:TAHVD:2026:219 Hof van Discipline 's Gravenhage 260014

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:219
Datum uitspraak: 13-07-2026
Datum publicatie: 15-07-2026
Zaaknummer(s): 260014
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over eigen advocaat. Klaagster verwijt verweerster onder meer dat zij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de derdengeldrekening door middels deze zonder haar uitdrukkelijke instemming één van haar declaraties te hebben voldaan, alsmede dat zij niet alle belangrijke informatie en afspraken schriftelijk heeft vastgelegd. De raad heeft deze twee klachtonderdelen gegrond verklaard en aan verweerster de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad wat betreft de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid, maar ziet aanleiding om de zwaardere maatregel van berisping op te leggen. Vernietiging raadsbeslissing voor wat betreft de maatregel. Berisping.

Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260014

naar aanleiding van het hoger beroep van:


verweerster


tegen:


klaagster

gemachtigde: mr. F.C. Schirmeister, advocaat te Amsterdam

1    INLEIDING

1.1    Klaagster verwijt verweerster – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – dat zij oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de derdengeldrekening door middels deze zonder haar uitdrukkelijke instemming één van haar declaraties te hebben voldaan, alsmede dat zij niet alle belangrijke informatie en afspraken schriftelijk heeft vastgelegd. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad)heeft deze twee klachtonderdelen gegrond verklaard en aan verweerster de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad wat betreft de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid, maar ziet aanleiding om de zwaardere maatregel van berisping op te leggen. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 25-348/AL/MN) een beslissing genomen op 22 december 2025. In deze beslissing zijn klachtonderdelen b) en c) gegrond verklaard en is de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:280 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 21 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van klaagster:
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 18 mei 2026. Daar is klaagster, vergezeld door haar zoon en bijgestaan door haar gemachtigde, verschenen. Verweerster is verschenen vergezeld door een kantoorgenoot. Partijen hebben hun standpunt toegelicht.  


3    FEITEN

3.1     Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2     Verweerster heeft klaagster vanaf 2019 bijgestaan. 

3.3      Verweerster heeft (de onderneming van) klaagster als schuldhulpverlener op basis van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening bijgestaan.

3.4     Daarnaast heeft verweerster klaagster op betalende basis bijgestaan in verband met verscheidene juridische perikelen.

3.5    Op 15 november 2019 heeft klaagster in het kader van de schuldhulpverlening een bedrag van € 25.000 gestort op de derdengeldrekening van verweerster. Verweerster heeft haar facturen voor de bijstand op betalende basis van 17 november 2021, 13 maart 2023, 5 juni 2023, 5 juni 2023, 5 juni 2023, 5 juni 2023, 14 augustus 2023, 20 september 2023, 1 november 2023 en 20 augustus 2024 voor in totaal € 18.950,17 hiermee verrekend. Klaagster heeft met deze verrekeningen ingestemd, behalve voor de laatste factuur van 20 augustus 2024 (20241917) ad € 1.542,97.

3.6    Nadat namens klaagster in augustus 2024 is verzocht de gelden op de derdenrekening door verweerster aan klaagster over te maken heeft verweerster op 2 september 2024 een bedrag van € 7.592,82 overgemaakt aan klaagster.


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat  verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: 

a)    (….)

b)    oneigenlijk gebruik te maken van de rekening derdengelden door zonder haar uitdrukkelijke instemming vanuit de derdengelden een van haar declaraties te hebben voldaan;

c)    niet alle belangrijke informatie en afspraken schriftelijk te hebben bevestigd; 

d)    (….) 

e)    (….)

f)    (….)


5    OMVANG HOGER BEROEP
    
5.1    Verweerster heeft uitsluitend beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad ten aanzien van de ontvankelijkheid en de klachtonderdelen b) en c) en de opgelegde maatregel.

5.2    In het verweerschrift van klaagster, ontvangen ter griffie van het hof op 17 maart 2026, heeft zij aangegeven dat zij zich niet kan verenigen met de afwijzing door de raad van de klachtonderdelen a), d), e) en f). Beroepsgronden moeten echter binnen 30 dagen na verzending van de beslissing door de raad zijn ontvangen (art. 56 Advw). Deze beroepsgronden zijn na afloop van de appeltermijn (die eindigde op 22 januari 2026) binnengekomen. De Advocatenwet kent niet de mogelijkheid van incidenteel appel. Klaagster is niet-ontvankelijk in haar beroep.

5.3    Gelet op het voorgaande ligt alleen het beroep van verweerster tegen de ontvankelijkheid en de klachtonderdelen b), c) en de opgelegde maatregel ter beoordeling in hoger beroep voor.  


6    BEOORDELING RAAD

Klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk

6.1     De raad heeft de klacht gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. Klaagster heeft haar klacht op 13 augustus 2024 bij de deken ingediend. Voor zover klaagsters klacht zich ook richt tegen gedragingen van verweerster van vóór 13 augustus 2021, is de klacht niet-ontvankelijk omdat deze - gelet op de in artikel 46g lid 1 onder a  en 46g lid 2 Advocatenwet genoemde termijnen -  te laat is ingediend. Dat die termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn, is volgens de raad niet gebleken.

Beoordeling door de raad

6.2     De raad heeft - na uiteenzetting van het toetsingskader -  het volgende geoordeeld over de klachtonderdelen b), c) en de opgelegde maatregel. 

Klachtonderdeel b)

6.3    De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel b) eerst uiteengezet dat een advocaat op grond van artikel 6.19 lid 4 van de Verordening op de Advocatuur (hierna: Voda) met de rechthebbende schriftelijk kan overeenkomen dat derdengelden worden aangewend ter voldoening van een eigen declaratie. Indien derdengelden zijn aangewend ter voldoening van een eigen declaratie, bevestigt de advocaat dit schriftelijk aan de rechthebbende. Uit de toelichting bij artikel 6.19 lid 4 Voda volgt dat voor verrekening van derdengelden met een eigen declaratie is vereist dat de cliënt hier expliciet mee instemt en dat de instemming schriftelijk is vastgelegd, aldus de raad. 

6.4     De raad heeft vervolgens geoordeeld dat klaagster met het verrekenen van de derdengelden met verschillende declaraties expliciet heeft ingestemd. Dat geldt echter niet voor de laatste declaratie. Niet is gebleken dat klaagster met deze verrekening expliciet heeft ingestemd en deze instemming is ook niet schriftelijk vastgelegd. De zogenaamde algemene verrekeningsverklaring, waarnaar verweerster heeft verwezen, is onvoldoende om deze expliciete instemming aan te nemen, aldus de raad. De raad heeft geoordeeld dat verweerster ten aanzien van deze declaratie heeft gehandeld in strijd met artikel 6.19 lid 4 Voda en heeft klachtonderdeel b) gegrond verklaard. 

Klachtonderdeel c)

6.5    Met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft de raad eerst uiteengezet dat een advocaat op grond van gedragsregel 16 gehouden is om zijn cliënt (schriftelijk) op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Als de advocaat nalaat belangrijke informatie, feiten en/of afspraken schriftelijk te bevestigen en daarover achteraf onduidelijkheid of een misverstand bij de cliënt ontstaat, dan is dat voor risico van de advocaat. Van een advocaat mag ook op grond van de gedragsregels en de tuchtrechtspraak ook worden verwacht dat hij in een zaak regie voert en zijn cliënt adviseert over de te volgen strategie en de proceskansen, aldus de raad.

6.6     Verweerster heeft klaagster zowel zakelijk als privé en zowel op betalende als niet-betalende basis bijgestaan. Naar het oordeel van de raad had verweerster - gelet op deze complexe situatie en rekening houdend met de kwetsbaarheid van klaagster - (schriftelijk) op een overzichtelijke wijze duidelijk moeten maken welke werkzaamheden zij in welke zaak verrichtte en voor wiens rekening die werkzaamheden zouden komen. Volgens de raad ontbreekt een dergelijk overzicht echter. De raad heeft geoordeeld dat verweerster daarmee niet overeenkomstig gedragsregel 16 heeft gehandeld. De raad heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat klaagster in de schuldhulpverleningszaak een bedrag van € 25.000 heeft overgemaakt naar de derdengeldrekening van verweerster. Dat bedrag is door verweerster vervolgens aangewend om declaraties te verrekenen die zagen op werkzaamheden die in de andere zaak waren verricht (en dus kennelijk niet ten behoeve van de schuldhulpverlening), hetgeen onduidelijkheid bij klaagster kan hebben vergroot. Op grond van het voorgaande komt de raad tot het oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat ook klachtonderdeel c) gegrond is. 

Maatregel 

6.7      Met betrekking tot de maatregel heeft de raad geoordeeld dat verweerster derdengelden heeft aangewend ter voldoening van een eigen declaratie zonder expliciete toestemming van klaagster en dat zij niet duidelijk genoeg met klaagster heeft gecommuniceerd in een situatie die in meerdere opzichten ingewikkeld was. De raad heeft geoordeeld dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De raad heeft bij de oplegging van de maatregel rekening gehouden met het feit dat verweerster heeft erkend dat zij bepaalde zaken onvoldoende schriftelijk heeft vastgelegd, dat zij beterschap heeft beloofd op dat punt en dat verweerster niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld. De raad heeft de oplegging van een waarschuwing passend en geboden geacht. 


7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerster

7.1    Verweerster heeft drie beroepsgronden tegen het oordeel van de raad gericht. De beroepsgronden richten zich tegen het oordeel van de raad over de ontvankelijkheid van de klacht, tegen de inhoudelijke beoordeling van de raad met betrekking tot de klachtonderdelen a) en b) en tegen de opgelegde maatregel. 

7.2     Verweerster heeft zich met betrekking tot het oordeel van de raad over de ontvankelijkheid op het standpunt gesteld dat de gedragingen waar de klacht van klaagster op ziet, hebben plaatsgevonden vóór 13 augustus 2021. Verweerster is haar werkzaamheden reeds in 2019 gestart. Volgens verweerster is de driejaarstermijn ruimschoots verlopen en het recht om te klagen vervallen. Er is ook niet de situatie aan de orde dat klaagster pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt die gaat over de gevolgen van handelen of nalaten waar de klachtonderdelen over gaan, aldus verweerster.

7.3    Met betrekking tot klachtonderdeel b) handhaaft verweerster haar standpunt dat de ontvangen derdengelden op uitdrukkelijk verzoek van klaagster zijn aangewend ter voldoening van declaraties en dat zij daarmee expliciet heeft ingestemd. Dit geldt niet voor de laatste declaratie, maar deze is niet verrekend door verweerster. Verweerster heeft de resterende derdengelden, inclusief het bedrag waarvan zij aanvankelijk had aangegeven de laatste declaratie mee te willen rekenen, terugbetaald. 

7.4    Met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft verweerster aangevoerd dat uit het dossier wel degelijk blijkt dat belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan klaagster zijn bevestigd. In de administratie van verweerster zijn twee verschillende dossiers aangemaakt (één betreffende het schuldhulpverleningsdossier op niet betalende basis en één betreffende het overige adviesdossier op betalende basis). De verrichte werkzaamheden zijn per dossier geregistreerd en de dossiers hebben hun eigen nummer. Volgens verweerster zijn de werkzaamheden en de urenregistratie ook verschillende keren met klaagster besproken. Daarbij is ook duidelijk besproken dat de werkzaamheden die werden verricht in het adviesdossier voor rekening van klaagster kwamen. Het aanwenden van het in het schuldhulpverleningsdossier overgemaakte bedrag van € 25.000,- voor betaling van periodieke declaraties, was op uitdrukkelijk verzoek en met expliciete instemming van klaagster. Het restant van € 7.592,80 is op 2 september 2024 terugbetaald aan klaagster, aldus verweerster, waarbij de laatste declaratie niet met dit bedrag is verrekend. Verweerster betwist uitdrukkelijk dat er onduidelijkheid was bij klaagster welke werkzaamheden ten behoeve van welk dossier zijn verricht en de daar bijbehorende urenregistratie. 

7.5    Verweerster heeft tot slot met betrekking tot de opgelegde maatregel aangevoerd dat de klachtonderdelen b) en c) alsnog ongegrond moeten worden verklaard, zodat er geen grond is voor een maatregel. Als het hof wel van oordeel is dat een maatregel moet worden opgelegd, moet rekening worden gehouden met het feit dat verweerster al 25 jaar advocaat is en geen tuchtrechtelijk verleden heeft. Verweerster erkent dat bepaalde zaken nog meer schriftelijk vastgelegd konden worden, maar zij heeft naar haar mening professioneel en zorgvuldig gehandeld binnen deze concrete omstandigheden. Tegen de de urenregistraties en facturen zijn door klaagster geen bezwaren geuit en de facturen zijn met instemming van klaagster verrekend. 


Verweer klaagster

7.6    Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


8    BEOORDELING HOF 

Ontvankelijkheid

8.1     Ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van die vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken. Het gaat in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet om naar objectieve maatstaven aan te nemen aanwezige kennis bij klager van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft en niet om subjectieve wetenschap van dat handelen of nalaten bij klager.

8.2    Het hof sluit voor wat betreft de ontvankelijkheid van de klacht aan bij het oordeel van de raad en maakt dat tot het zijne. De klacht is op 13 augustus 2024 bij de deken ingediend. Voor zover de klacht van klaagster zich ook richt tegen gedragingen van verweerster van vóór 13 augustus 2021, is de klacht niet-ontvankelijk omdat deze te laat is ingediend gelet op de hiervoor genoemde driejaarstermijn. In hoger beroep is ook verder niet meer in geschil dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het standpunt van verweerster dat alle gedragingen waar de klacht op ziet dateren van vóór 13 augustus 2021 klopt reeds niet omdat het bij klachtonderdeel b) gaat om een verrekening van derdengelden met een declaratie (20241917) die volgens het eigen overzicht van verweerster heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2024. Het hof zal dan ook in het navolgende bij elk klachtonderdeel de gedragingen beoordelen die hebben plaatsgevonden ná 13 augustus 2021. 

Maatstaf 

8.3    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

8.4     Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.

Overwegingen hof

- klachtonderdeel b): verrekening factuur met derdengelden

8.5      Tussen klaagster en verweerster is niet in geschil dat verweerster derdengelden die in beginsel aan klaagster toekwamen heeft aangewend ter voldoening van haar eigen declaraties en dat klaagster hiermee heeft ingestemd, behalve met de verrekening van de laatste declaratie (met nummer 20241917). Deze instemming is niet schriftelijk vastgelegd. Verweerster heeft in haar beroepschrift ook erkend dat klaagster niet met de verrekening van de laatste declaratie heeft ingestemd. Uit het door verweerster op 21 augustus 2024 verzonden overzicht van verrekende declaraties met derdengelden volgt dat de verrekening van de laatste declaratie ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2024. Daarmee heeft verweerster ten aanzien van deze laatste declaratie tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.  

8.6    Dat verweerster de verrekening van de laatste declaratie inmiddels heeft teruggedraaid en de resterende derdengelden (zonder de verrekening van de laatste declaratie) heeft teruggestort aan klaagster, maakt het voorgaande niet anders. De tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging wordt daarmee niet ongedaan gemaakt. Het hof acht daarbij bovendien van belang dat verweerster de verrekening pas heeft teruggedraaid, nadat zij door de gemachtigde van klaagster is gewezen en nadat zij aanvankelijk het standpunt had ingenomen dat zij mocht verrekenen op grond van de algemene verrekeningsverklaring van klaagster. 

8.7    Klachtonderdeel b is gegrond.

- klachtonderdeel c): informatieplicht

8.8     Klaagster heeft ter zitting bij het hof nader toegelicht dat zij via het schuldenloket  bij de gemeente bij verweerster terecht is gekomen. Klaagster heeft aanvankelijk € 25.000,- overgemaakt naar de derdengeldrekening van verweerster ten behoeve van het schuldhulpverleningstraject. Volgens klaagster heeft zij niet begrepen dat er twee verschillende dossiers waren; waarvan één op betalende basis (voor rekening van klaagster) en één waarin de betalingen zouden verlopen via en afkomstig zouden zijn van de gemeente. Op een gegeven moment heeft klaagster een mail gestuurd naar verweerster met de vraag waarom er niets meer overbleef van het door haar ingelegde bedrag, terwijl er geen vooruitgang werd geboekt in het schuldhulpverleningstraject. Volgens klaagster werd zij door de medewerkers op kantoor van verweerster als vervelend ervaren. Daar raakte zij van in de war en daarom nam zij steeds mensen mee naar de besprekingen op kantoor. Toch werd het haar niet duidelijk, aldus klaagster. Verweerster heeft het voorgaande betwist en aangevoerd dat het klaagster wel duidelijk was dat er twee dossiers zijn aangelegd, dat de consequenties van de werkzaamheden meermaals zijn besproken en ook dat er werkzaamheden op betalende basis zijn verricht. Dat er werkzaamheden op betalende basis zijn verricht die normaal via en door de gemeente zouden zijn betaald, komt doordat klaagster zelf geen BKR-registratie wilde. Dat is ook aan haar uitgelegd. Bij elke declaratie is volgens verweerster een urenspecificatie meegestuurd en de vraag gesteld of het mocht worden verrekend. Klaagster heeft daar altijd, behalve voor de laatste factuur, mee ingestemd. Verweerster kan zich niet voorstellen dat klaagster niet heeft begrepen wat was besproken. Zij had ook ondersteuners mee. Als verweerster het idee had gehad dat klaagster het niet had begrepen, had zij haar communicatie aangepast, aldus verweerster. 

8.9    Het hof stelt voorop dat het hier gaat om het schriftelijk vastleggen van belangrijke informatie en afspraken door verweerster in de periode vanaf 13 augustus 2021. Verweerster heeft in de periode daarna een tiental facturen verstuurd die zij heeft verrekend met de derdengelden (zie het overzicht in haar e-mail van 21 augustus 2024) Dit betreft werkzaamheden die door verweerster in die periode zijn verricht. Het hof is met de raad van oordeel dat het gelet op kwetsbaarheid van klaagster van belang was dat verweerster (schriftelijk) op een overzichtelijke wijze duidelijk maakte welke werkzaamheden zij in welke zaak verrichtte en voor wiens rekening die werkzaamheden zouden komen. Dit juist omdat verweerster klaagster zowel zakelijk als privé en zowel op betalende als niet-betalende basis heeft bijgestaan. Dit geldt te meer nu klaagster kennelijk er van heeft afgezien om de bijstand via de gemeente te laten lopen, omdat zij geen BKR-registratie wilde. Een dergelijk overzicht had verweerster voorafgaand aan het maken van de kosten moeten verstrekken en zij had moeten verifiëren of klaagster daarvan de consequenties overzag. Het hof is evenals de raad van oordeel dat een dergelijk overzicht ontbreekt. Verweerster heeft weliswaar gesteld dat bij elke factuur een urenspecificatie is meegestuurd waaruit de gemaakte kosten blijken, maar deze specificaties zijn bij het hof niet overgelegd en is daarenboven geen informatieverstrekking en vastlegging van afspraken voorafgaand aan het maken van kosten. Het hof acht evenals de raad laakbaar dat verweerster het bedrag van € 25.000,- dat klaagster in de schuldhulpverleningszaak heeft overgemaakt naar de derdengeldrekening van verweerster door verweerster is aangewend om declaraties te verrekenen die zagen op werkzaamheden die in de andere zaak waren verricht (en dus kennelijk niet ten behoeve van de schuldhulpverlening). Niet alleen kan die gang van zaken de onduidelijkheid bij klaagster hebben vergroot, maar verweerster heeft bovendien ook in hoger beroep niet inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden er dan wel ten behoeve van de schuldhulpverlening zijn verricht. Het hof is van oordeel dat verweerster ook hiermee tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 

8.10    Klachtonderdeel c is gegrond.

Slotsom 

8.11    Verweerster heeft met haar handelen de kernwaarden (financiële) integriteit en deskundigheid geschonden en daarmee niet gehandeld zoals een advocaat betaamt. Het handelen van verweerster is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerster heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.

9    MAATREGEL

9.1    Verweerster heeft derdengelden aangewend ter voldoening van een eigen declaratie zonder expliciete toestemming van klaagster. Daarnaast heeft zij niet duidelijk genoeg met klaagster gecommuniceerd. Dit verwijtbare handelen van verweerster is in strijd met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden (financiële) integriteit en deskundigheid. Het hof rekent verweerster dit te meer zwaar aan nu zij te maken had met een kwetsbare cliënt die zij  via en op verzoek van de gemeente in het kader van een schuldhulpverleningstraject is gaan bijstaan. Tegen die achtergrond was het des te belangrijker dat verweerster klaagster goed informeerde over welke werkzaamheden tegen betaling werden verricht en wat er met het door overgemaakte bedrag ten behoeve van de schuldhulpverlening werd gedaan.
 
9.2    Gaandeweg is verweerster gaan erkennen dat zij bepaalde zaken onvoldoende schriftelijk heeft vastgelegd. Ten aanzien van de verwijtbare aanwending van derdengelden ter voldoening van haar eigen declaratie, heeft zij er evenwel blijk van gegeven weinig zelfinzicht te tonen in de laakbaarheid van haar handelen. Het hof ziet tegen deze achtergrond aanleiding om een zwaardere maatregel op te leggen dan de raad heeft gedaan. Het hof acht een berisping in dit geval passend en geboden.  

Slotsom

9.3    Het hof zal de beslissing van de raad vernietigen voor zover het de opgelegde maatregel betreft en, zoals hiervoor overwogen, de maatregel verzwaren. 


10    PROCESKOSTEN

10.1     Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    
                                                                                                                              
a) € 50,- kosten  van klaagster (forfaitair); 
b) € 1.050,- [€ 525,- per punt]  kosten voor rechtsbijstand van klaagster;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.

10.2     Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

10.3     Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


11    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

11.1     verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

11.2    vernietigt de beslissing van 22 december 2025  van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-348/AL/MN, voor zover daarin de maatregel van waarschuwing is opgelegd;

en doet in zoverre opnieuw recht:

11.3     legt aan verweerster de maatregel van berisping op;

11.4    bekrachtigt de beslissing van 22 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-348/AL/MN, voor het overige;

11.5    veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van €  1.100,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

11.6     veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.


Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. C.H. van Breevoort-de Bruin en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.