ECLI:NL:TAHVD:2026:218 Hof van Discipline 's Gravenhage 260068V
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:218 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 14-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260068V |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet tegen voorzittersbelissing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Verweerster heeft er terecht op gewezen dat klaagster in haar verzetschrift expliciet toegeeft dat, en waarom, het haar bedoeling is om met haar klacht tegen verweerster dier dekenvisie aan de orde te stellen. Wat in verzet naar voren is gebracht, is daarmee een herhaling van wat klaagster aan haar klacht tegen verweerster ten grondslag heeft gelegd en daarvoor is het klachtrecht niet bedoeld. |
Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260068V
naar aanleiding van het verzet
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof
van 2 april 2026 in de klacht van:
klaagster
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
advocaat en deken te Den Haag
verweerster
1 DE PROCEDURE
1.1 Met de beslissing van 2 april 2026 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klaagster tot verwijzing van de klacht tegen verweerster afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2026:92 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter is op 3 april 2026 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt.
1.3 Het hof heeft het verzet behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 HET VERZET
De gronden van verzet
2.1 Klaagster heeft in het verzet aangevoerd dat de klacht betrekking heeft op
het dekenaal onderzoek. Conform de regelgeving had deze klacht voorgelegd moeten worden
aan een deken van een andere orde van advocaten. Omdat klaagster géén gehoor kreeg,
en zij de tuchtklacht tegen mr. V. al als verloren had beschouwd door het handelen
van verweerster, heeft klaagster een vierde tuchtklacht ingediend. Daaruit blijkt
volgens klaagster dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld inzake de behandeling
van K376 2025.
2.2 Klaagster stelt dat verweerster in reactie op klaagsters bewijsvoering dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld een stopbrief heeft gestuurd om géén bewijs meer te hoeven krijgen van haar onzorgvuldig handelen én de gevolgen daarvan. Verweerster heeft gemeld dat de klacht wél is doorgezet naar de Raad van Discipline, verweerster heeft gemeld dat tuchtklacht K119 2026 niet behandeld wordt tot K376 2025 op basis van haar onzorgvuldig handelen is afgehandeld. Klaagster vindt het een probleem dat zij nu eerst 2 jaar moet wachten tot K376 2025 is afgehandeld, voordat haar klacht tegen mr. V op de juiste gronden afgehandeld kan worden. Dit wordt nog eens extra getraineerd doordat verweerster het standpunt in neemt dat “een klacht tegen een deken géén middel is om de inhoud van een dekenvisie op een klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen”. Klaagster voert aan dat de klacht tegen verweerster er juist op gebaseerd is dat verweerster een onzorgvuldige en zelfs onjuiste dekenvisie heeft verzonden naar de Raad van Discipline inzake K376 2025.
2.3. Klaagster heeft opgemerkt dat de inhoudelijke behandeling van tuchtklacht K119 2026 de klacht tegen verweerster onnodig maakt. Klaagster stelt dat zij tuchtklacht K376 2025 niet kan intrekken omdat men anders een grond zal zoeken om K119 2026 niet inhoudelijk te hoeven behandelen.
Het verweer
2.4 Verweerster in reactie op het verzet opgemerkt dat zij bij brief van 22 januari
2026 haar visie op de klacht tegen mr. V. heeft gegeven. Daarbij is zij eveneens ingegaan
op de eerdere twee klachten die klaagster tegen deze advocaat heeft ingediend. Verweerster
wijst erop dat klaagster inmiddels voor de vierde keer een klacht ingediend tegen
mr. V. (met het kenmerk: K119 2026).
2.5 Klaagster heeft op 23 januari 2026 het griffierecht betaald, waarna de klacht K376 2025 is doorgestuurd naar de Raad van Discipline. Verweerster heeft erop gewezen dat klaagster -omdat zij het niet een was met de dekenvisie- een klacht tegen verweerster heeft ingediend. Zoals klaagster zelf onderschrijft, is haar klacht erop gericht om de inhoud van de dekenvisie ter discussie te stellen. Verweerster werpt de stelling van klaagster dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen van de dekenvisie verre van zich. Gelet op het feit dat dit de derde klacht was tegen mr. V. en het -volgens verweerster- wederom hetzelfde feitencomplex betrof, heeft zij de dekenvisie op voorhand gegeven. Verweerster heeft erop gewezen dat het haar vrijstond om deze beslissing te nemen nu zij, op grond van de Leidraad, het verloop van het onderzoek bepaalt. Verweerster stelt dat zij duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat haar brief enkel een visie op de klacht betreft en dat het daadwerkelijke oordeel is voorbehouden aan de tuchtrechter.
2.6 Klaagster heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de klacht voor te leggen aan de tuchtrechter. Dat betekent dat klaagster de gelegenheid heeft om bij de tuchtrechter gemotiveerd aan te geven op welke punten de dekenvisie niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen. Inmiddels heeft de voorzitter van de Raad van Discipline op 22 april 2026 de klacht deels kennelijk ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. Klaagster heeft de gelegenheid om hiertegen in verzet te gaan.
2.7 In reactie op voorstel dat klaagster aan verweerster heeft gedaan om de tuchtklacht K119 2026 inhoudelijk in behandeling te nemen, tegen inwisseling van deze verzetprocedure/klacht en tegen inwisseling van de tuchtklacht K376 2025, heeft verweerster opgemerkt dat klaagster hiermee opnieuw een poging doet om haar ertoe te bewegen om haar visie op K376 2025 ter discussie te stellen. Zoals in de voorzittersbeslissing van 2 april jl. is overwogen, is een klacht tegen de deken geen middel is om de inhoud van een dekenvisie over een andere advocaat ter discussie te stellen. Verweerster heeft de indruk dat verweerster denkt dat de Raad van Discipline gebonden is aan de dekenvisie. Verweerster heeft nogmaals opgemerkt dat dat niet het geval is. Kennelijk heeft klaagster de tuchtrechter niet weten te overtuigen van haar eigen visie op de klacht, omdat de klacht deels kennelijk ongegrond en deels niet-ontvankelijk is verklaard. Dat is spijtig voor klaagster, maar doet niets af aan de juistheid van de voorzittersbeslissing van 2 april 2026.
2.8 Volgens vaste jurisprudentie van het hof is een verzet alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. Hiervan is mijns inziens geen sprake. Verweerster heeft opgemerkt dat klaagster een dergelijk standpunt niet, althans onvoldoende gemotiveerd, naar voren heeft gebracht.
2.9 Tenslotte heeft verweerster aangevoerd dat het klachtrecht er niet voor is bedoeld om te klagen over de procedurele beslissingen die verweerster heeft genomen in het kader van het dekenaal onderzoek. Ook deze bezwaren kunnen in de procedure bij de Raad van Discipline onder aandacht worden gebracht en bij de Raad van Discipline kunnen ook nog stukken worden ingediend.
3 BEOORDELING
Verzet mogelijk?
3.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet
op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advw. In dit artikel is bepaald dat
de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om
de klacht te laten onderzoeken en af te handelen.
3.2 De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.
Maatstaf
3.3 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of
de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de
voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
3.4 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Verweerster heeft er terecht op gewezen dat klaagster in haar verzetschrift expliciet toegeeft dat, en waarom, het haar bedoeling is om met haar klacht tegen verweerster dier dekenvisie aan de orde te stellen. Wat in verzet naar voren is gebracht, is daarmee een herhaling van wat klaagster aan haar klacht tegen verweerster (K376 2025) ten grondslag heeft gelegd en daarvoor is het klachtrecht niet bedoeld. Het verzet leidt dus niet tot een ander oordeel. Het hof verklaart daarom het verzet van klaagster ongegrond.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. B.J.R. van
Tongeren en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.