ECLI:NL:TAHVD:2026:217 Hof van Discipline 's Gravenhage 260034 

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:217
Datum uitspraak: 13-07-2026
Datum publicatie: 14-07-2026
Zaaknummer(s): 260034 
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 advocatenwet ongegrond. Het verzoek van klaagster ziet het aanwijzen van een advocaat die haar belangen in de procedure betreffende het verlenen van een zorgmachtiging in de volle breedte behartigt. Klaagster is van mening dat de rechtbank onbevoegd was om nog enige beschikking te wijzen en zij vindt daarom dat de beschikking van 18 december 2025 onbevoegd is genomen. Voor het aanvechten van die beschikking heeft klaagster om een advocaat verzocht. Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat klaagster met het instellen van cassatie niet kon bereiken wat zij wilde, namelijk de vernietiging van de beslissing van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025. Dit betekent dat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos was geworden. De deken heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat toewijzing van een (stam)advocaat niet zal leiden tot een samenwerking waarin klaagster vertrouwen in heeft. Gelet op de voorgeschiedenis, waarin reeds meermalen -zowel door de deken als door de rechtbank- een advocaat is aangewezen, onderschrijft het hof dit standpunt van de deken.


Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260034 

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster
    
tegen:
    
mr. I. Aardoom-Fuchs
Deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Den Haag

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klaagster heeft bij de deken op 13 en 23 januari 2026 diverse verzoeken ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft deze verzoeken afgewezen met de beslissing van 2 februari 2026. 

Bij het hof
1.3    Klaagster heeft op 3 februari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken;
-    de repliek;
-    de dupliek.


1.5    Het hof heeft het beklag schriftelijk behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klaagster heeft in 2025 en 2026 meerdere verzoeken om aanwijzing van een advocaat ingediend. 

2.2    Op 30 januari 2025 heeft de deken mr. E aangewezen om klaagster te adviseren over, en eventueel bij te staan in, een cassatieprocedure tegen een beschikking van 29 november 2024 waarin tot 29 november 2025 een zorgmachtiging was verleend ten aanzien van klaagster. Klaagster werd in eerste aanleg bijgestaan door mr. van L. Mr. E heeft de deken op 10 februari 2025 laten weten dat mr. L klaagster bijstaat en haar zou adviseren over de kansen in cassatie. Mr. E heeft dus geen cassatieadvies uitgebracht.

2.3    Op 4 augustus 2025 heeft de deken mr. K aangewezen om klaagster te adviseren en eventueel bij te staan in een procedure over herstel contact, omgang en gezag over haar kinderen. Mr. K heeft negatief geadviseerd en klaagster heeft een klacht tegen mr. K ingediend.

2.4    De rechtbank Den Haag heeft op 18 december 2025 beslist op een verzoek tot aansluitende zorgmachtiging. De rechtbank heeft daarin overwogen dat de vorige zorgmachtiging na 29 november was 2025 vervallen. De rechtbank heeft een (nieuwe) zorgmachtiging verleend ten aanzien van klaagster voor de duur van drie maanden, dus tot en met 18 maart 2026. Klaagster had tijdens deze procedure een stamadvocaat toegewezen gekregen door de rechtbank, mr. de W. Klaagster weigerde echter bijstand van mr. de W. Ook nadien toegevoegde advocaten hebben zich onttrokken, al dan niet op verzoek van klaagster. De rechtbank heeft overwogen dat niet te verwachten is dat een nieuwe toevoeging zal leiden tot een samenwerking waarin klaagster vertrouwen heeft. Klaagster heeft zelfstandig de rechtbank gewraakt. Deze wraking is afgewezen.
 
2.5  Op 8 januari 2026 heeft de deken, op een verzoek van klaagster van 25 december 2025, mr. P  aangewezen om klaagster te adviseren en bij te staan in de procedure betreffende verlenging zorgmachtiging. Nadien bleek dat deze verlenging door de rechtbank al op 18 december 2025 was verleend en dat dus alleen nog cassatie kon worden ingediend.

2.6  Klaagster heeft bij webformulier van 13 januari 2026 opnieuw aan de deken verzocht een advocaat aan te wijzen die haar belangen in de volle breedte zou behartigen en de absolute nietigheid van de gehele procedure zou aanvechten. De kern van deze opdracht was volgens klaagster de grove schending van de strikte wettelijke vervaltermijn van 29 november 2025 (art. 6:6 Wvggz), waardoor de rechtbank, naar de mening van klaagster, ex lege onbevoegd was om nog enige beschikking te wijzen. De gezochte stamadvocaat diende de volgende cruciale punten uit het dossier aan te pakken: absolute nietigheid: de beschikking van 18 december 2025 is volgens klaagster onwettig omdat de strikte termijn van de 29e onherroepelijk was verstreken. Ook heeft klaagster op 23 januari 2026 bij brief van 23 januari opnieuw verzocht een gespecialiseerde Wvggz-advocaat aan te wijzen, omdat de politie op 22 januari 2026 zonder haar toestemming haar woning was binnengegaan en de sloten van de deuren zijn vervangen.

2.7    Bij beslissing van 2 februari 2026 heeft de deken de verzoeken van klaagster van 13 en 23 januari 2026 afgewezen. Aan deze beslissing is ten grondslag gelegd dat op 8 januari 2026 mr. P al was aangewezen. Deze advocaat kon niets voor klaagster betekenen omdat de zorgmachtiging toen al bleek te zijn verleend. Daardoor kon klaagster met het instellen van cassatie niet (meer) bereiken wat zij wilde bereiken, namelijk de vernietiging van de beslissing van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025. Bovendien heeft verweerster voor haar afwijzing van klaagsters verzoeken verwezen naar de volgende overwegingen van de rechtbank:

“De rechtbank stelt het volgende vast. Betrokkene heeft meermaals zowel schriftelijk als op 4 december 2025 nogmaals ter zitting te kennen gegeven niet door de toegevoegde advocaten te willen worden bijgestaan. De rechter heeft onderzocht of betrokkene toevoeging van een andere advocaat wenst. Meerdere advocaten zijn toegevoegd, maar hebben zich na een relatief korte periode van betrokkenheid zelf onttrokken dan wel moeten onttrekken op verzoek van betrokkene. De rechtbank is, afgaande op de opstelling van betrokkene jegens de advocaten die haar zijn toegevoegd, van oordeel dat niet te verwachten is dat een nieuwe toevoeging zal leiden tot een samenwerking waarin betrokkene vertrouwen heeft. Bovendien is op grond van de Wvggz de persoon om wie het gaat juist ook procesbekwaam verklaard en dus bevoegd om zelf het woord te voeren over dit soort verzoeken. De rechtbank heeft in deze gelet op het voorgaande geen aanleiding gezien aan deze bepaling voorbij te gaan.

De rechtbank heeft vervolgens betrokkene erop gewezen dat haar weigering om zich te laten bijstaan door de aanvankelijk toegevoegde advocaat, ertoe leidt dat zij bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van de zorgmachtiging niet door een advocaat wordt bijgestaan. 

Wettelijke beslistermijn 
Verder stelt de rechtbank vast dat de behandeling van het verzoek plaatsvindt na afloop van de wettelijke beslistermijn van drie weken zoals bepaald in artikel 6:2 lid 1 aanhef en sub a Wvggz. Zoals uit het hierboven genoemde procesverloop blijkt, is deze overschrijding te herleiden naar de aanhouding van de zitting vanwege de onttrekking van mr. J. Echteld op 19 november 2025, alsmede het wrakingsverzoek van betrokkene op de zitting van 5 december 2025. Na de beslissing van de wrakingskamer, is de mondelinge behandeling zo spoedig mogelijk, te weten op de zitting van 18 december 2025, geplaatst. In de Wvggz wordt aan de niet-naleving van de beslistermijn dan wel het verstrijken van de vorige zorgmachtiging niet het rechtsgevolg verbonden van niet ontvankelijkheid van de officier van justitie in het verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel van de verplichting tot afwijzing van het verzoek. Wel is het gevolg hiervan de eerder verleende zorgmachtiging komen te vervallen na 29 november 2025.

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek om een advocaat ten onrechte heeft afgewezen. Volgens klaagster is de beslissing van 2 februari 2026 gebaseerd op onjuiste feiten en is haar fundamentele recht op rechtsbijstand ingevolge artikel 6 EVRM geschonden.

3.2    Klaagster heeft verder het volgende aangevoerd:
1. De vertraging van de zitting naar december 2025 als gevolg van het aftreden van de vorige advocaat op 19 oktober 2025 wordt niet aanvaard. Het was 41 dagen tot de wettelijke vervaldatum van 29 november 2025, dat is genoeg om een vervangend advocaat aan te wijzen.
2. klaagster stelt dat de zorgmachtiging op 29 november 2025 van rechtswege is vervallen op grond van artikel 6:6 Wvggz. Hierdoor was de rechtbank op 18 december 2025 niet meer bevoegd om een beschikking te geven. Daarom heeft de deken ten onrechte geweigerd een advocaat toe te wijzen voor cassatie, met als argument dat dit niet zinvol zou zijn. De deken treedt op de stoel van de rechter en blokkeert klaagsters toegang tot de hoogste rechtsinstantie om deze grove procedurefout aan te vechten.
3. klaagster beschrijft de opname op 22 januari 2026 als onrechtmatig. Er was geen bevel tot binnentreden in haar woning en geen toestemming van de officier van justitie. Klaagster stelt te zijn verstoken van rechtsbijstand ondanks dat de rechtbank haar proces bekwaam heeft verklaard. Klaagster noemt medische bezwaren (over medicijngebruik) en een beschuldiging van geweld door een agent.
4. klaagster wijst op problemen met een wrakingsverzoek (snel afgewezen als niet-ontvankelijk) en op vormgebreken in de beschikking, zoals het ontbreken van de handtekening van de griffier en de ambtszegel.

3.3  Klaagster heeft het hof verzocht de deken te bevelen per ommegaande een gespecialiseerde Wvggz-advocaat aan te wijzen die de nietigheid van de huidige titel en de onrechtmatigheid van de opname kan aanvechten. In repliek heeft klaagster gesteld dat de haar aangewezen advocaat mr. P heeft geweigerd voor haar op te treden en dat met advocaat mr. de W een vertrouwensconflict bestaat.

Verweer
3.4   De deken heeft gewezen op de voorgeschiedenis, waarbij verschillende advocaten klaagster hebben bijgestaan. Ten aanzien van het beklag tegen de beslissing van 2 februari 2026 heeft de deken aangevoerd dat zij van mening is dat terecht geen advocaat is aangewezen en dat toewijzing van een advocaat niet zal leiden tot een samenwerking waarin klaagster vertrouwen heeft.


4    BEOORDELING

Toetsingskader
4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Het verzoek van klaagster ziet het aanwijzen van een advocaat die haar belangen in de procedure betreffende het verlenen van een zorgmachtiging in de volle breedte behartigt, waaronder het optreden van de politie op 22 januari 2026.  Klaagster is van mening dat de rechtbank onbevoegd was om nog enige beschikking te wijzen en zij vindt daarom dat de beschikking van 18 december 2025 onbevoegd is genomen. Voor het aanvechten van die beschikking heeft klaagster om een advocaat verzocht.

4.3    Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat klaagster met het instellen van cassatie niet kon bereiken wat zij wilde, namelijk de vernietiging van de beslissing van de rechtbank Den Haag van 18 december 2025. Dit betekent dat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos was geworden. Op die grond dient het beklag van klaagster te worden afgewezen (zie HvD 22 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:88).

4.4     De deken heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat toewijzing van een (stam)advocaat niet zal leiden tot een samenwerking waarin klaagster vertrouwen in heeft. Gelet op de voorgeschiedenis, waarin reeds meermalen -zowel door de deken als door de rechtbank- een advocaat is aangewezen, onderschrijft het hof dit standpunt van de deken.

4.5    Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

4.6  Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag niet slaagt.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 2 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.