ECLI:NL:TAHVD:2026:216 Hof van Discipline 's Gravenhage 260130

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:216
Datum uitspraak: 13-07-2026
Datum publicatie: 14-07-2026
Zaaknummer(s): 260130
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Klaagster heeft, ten tijde van de behandeling van haar aanwijzingsverzoek door de deken, twee advocaten bereid gevonden haar bij te staan. Hierdoor heeft klaagster geen belang bij de behandeling van haar aanwijzingsverzoek en zal haar beklag reeds daarom ongegrond worden verklaard.  Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat klaagster er zelf voor heeft gekozen om geen gebruik te maken van de diensten van die advocaten. De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met een aanwijzing van een advocaat door de deken niet kan worden bereikt dat de aangewezen advocaat zijn werkzaamheden verplicht op toevoegingsbasis moet verrichten, terwijl de rechtzoekende geen recht heeft op gefinancierde rechtsbijstand.  


Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260130

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster
    
tegen:
    
mr. A.J.G. van Strien
Deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Oost-Brabant

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klaagster heeft op 2 maart 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 10 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster niet aan de voorwaarden voldoet voor aanwijzing van een advocaat omdat er meerdere advocaten bereid zijn klaagsters zaak in behandeling te nemen.

Bij het hof
1.3    Klaagster heeft op 13 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken;
-    de repliek;
-    de dupliek.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken in het dossier. 


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klaagster wil een civiele (bodem)procedure starten tegen een IT-bedrijf, C  B.V. klaagster wil als voormalig vennoot van LM V.O.F. een schadevergoeding ten laste van C  B.V. vorderen voor een bedrag van circa 3 miljoen euro wegens wanprestatie.

2.2    De deken heeft geconstateerd dat twee van de door klaagster benaderde advocaten, mr. Van Z en mr. Van der H, hun bereidheid hebben uitsproken om klaagster advies/rechtsbijstand te gaan verlenen bij de door haar gewenste procedure. Dit is voor de deken reden geweest om het verzoek om aanwijzing van een advocaat van klaagster af te wijzen.

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klaagster heeft aangevoerd dat de vaststelling van de deken dat er twee advocaten zijn die haar willen bijstaan onjuist is. Deze advocaten werken op commerciële basis terwijl klaagster financieel afhankelijk is van gefinancierde rechtsbijstand. Klaagster heeft erop gewezen dat de Raad voor de Rechtsbijstand haar toevoegingsaanvraag heeft afgewezen omdat zij als eisende partij optreedt in een geschil dat voortvloeit uit de uitoefening van een voormalig bedrijf.

3.2    In haar repliek heeft klaagster gesteld dat zij wel is ingegaan op het aanbod van mr. Van Z maar dat hij niet meer heeft gereageerd op de vraag of hij bereid was de zaak op basis van gefinancierde rechtsbijstand aan te nemen. Ook heeft klaagster erop gewezen dat mr. Van der H bij brief van 25 februari 2026 de zaak alsnog afgewezen. Hij heeft daarbij medegedeeld dat zijn kantoor toevoegingszaken beperkt tot “zaken met een maatschappelijk belang, zoals ontruimings- en ontslagzaken, en dat zakelijke geschillen buiten zijn toevoegingsbeleid vallen."

3.3    Verder heeft klaagster aangevoerd dat het besluit van de deken in strijd is met het effectieve toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 EVRM. Klaagster heeft gewezen op uitspraken van het Europese Hof in de zaken Gürakin t. Turkije (Application no. 1313/08, uitspraak 28 november 2017) en Marazas t. Litouwen (Application no. 42177/19, uitspraak 19 oktober 2021).

Verweer
3.4  De deken heeft aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat de zaak van klaagster door de twee advocaten is geweigerd. Mr. Van Z heeft immers in zijn reactie aangegeven bereid te zijn tot een kennismaking met klaagster. Hij heeft het aanbod tot een kennismaking gedaan nadat hij een aantal kanttekeningen heeft geplaatst op de uiteenzetting van de zaak. Mr. Van Z heeft haar zaak dus niet geweigerd −zoals klaagster stelt− omdat zijn kantoor onvoldoende expertise heeft op het gebied van IT-recht om deze zaak te kunnen behandelen. De opmerking van mr. Van Z dat, als klaagster specifieke expertise in het IT-recht noodzakelijk acht, hij haar zal moeten doorverwijzen naar een daarin wel gespecialiseerde advocaat betekent iets anders. Klaagster heeft zelf de voorwaarde gesteld dat voor haar zaak een in het IT-recht gespecialiseerde advocaat nodig is. De deken vindt dat het aan de advocaat zelf is om te bepalen of hij/zij de deskundigheid/bekwaamheid heeft om de belangen van een cliënt op zorgvuldige wijze te behartigen. Het spreekt voor zich dat als een rechtzoekende bij het benaderen van een advocaat aangeeft uitsluitend een in het IT-recht gespecialiseerde advocaat te willen voor de zaak, een benaderde advocaat de betreffende potentiële cliënt zal doorverwijzen. Klaagster had de gelegenheid om op het aanbod van mr. Van Z in te gaan maar heeft er zelf voor gekozen om daar geen gebruik van te maken.

3.5  In reactie op de stelling van klaagster dat mr. Van der H de zaak heeft geweigerd omdat zijn kantoor zakelijke geschillen in beginsel niet op toevoegingsbasis behandelt, heeft de deken erop gewezen dat mr. Van der H heeft laten weten dat klaagster “op zich in een zaak als deze goed kan bijstaan”. Ook mr. Van der H heeft de nodige kanttekeningen bij de door klaagster aan hem voorgehouden uiteenzetting van haar zaak geplaatst. Dat mr. Van der H de zaak expliciet niet in behandeling heeft genomen −zoals door klaagster is gesteld− is de deken  niet gebleken. Klaagster had gebruik kunnen maken van de diensten van mr. Van der H maar heeft er zelf voor gekozen om dat niet te doen.

3.6   De deken volgt de stelling van klaagster niet dat als er een advocaat is, die uitsluitend bereid is op commerciële basis bij te staan, terwijl de rechtzoekende financieel afhankelijk is van gefinancierde rechtsbijstand, er geen sprake is van een situatie waarin een advocaat is “bereid gevonden” in de zin van artikel 13 Advocatenwet. De deken heeft gewezen op de e-mailberichten van respectievelijk 2 maart en 6 maart 2026, waarin aan klaagster te kennen is gegeven dat het uitsluitend de Raad voor Rechtsbijstand is, die bepaalt of een rechtzoekende al dan niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand. De deken heeft daar geen invloed op en dit betekent concreet dat als de rechtzoekende niet in aanmerking komt voor een toevoeging (gefinancierde rechtsbijstand) een aanwijzing van een advocaat door de deken dat niet anders maakt. De deken kan een op grond van artikel 13 Advocatenwet aangewezen advocaat niet opdragen om een rechtzoekende bij te staan op basis van toevoeging, als die rechtzoekende daar niet voor in aanmerking komt.

3.7  Klaagster heeft gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor een toevoeging omdat haar aanvraag is afgewezen door de Raad voor Rechtsbijstand. Dat klaagster niet beschikt over de noodzakelijke financiële middelen om een advocaat op betalende (commerciële) basis in te schakelen voor de zaak is spijtig, maar met een aanwijzing als bedoeld in artikel 13 Advocatenwet kan -zoals gezegd- niet worden bereikt dat een rechtzoekende een advocaat aangewezen krijgt, die verplicht wordt om de werkzaamheden kosteloos of op basis van een toevoeging te verrichten. 

3.8   De deken heeft er tenslotte op gewezen dat het hof eerder heeft geoordeeld dat het in artikel 6, lid 1 EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen, waaronder financiële, mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem (van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand) is aldus het hof niet in strijd met het in artikel 6 EVRM verankerde recht op toegang tot een rechter en ook niet onverenigbaar met enige andere verdragsbepaling (zie ECLI:NL:TAHVD:2018:79).


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Klaagster heeft, ten tijde van de behandeling van haar aanwijzingsverzoek door de deken, twee advocaten bereid gevonden haar bij te staan. Hierdoor heeft klaagster geen belang bij de behandeling van haar aanwijzingsverzoek en zal haar beklag reeds daarom ongegrond worden verklaard. 

4.3    Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat klaagster er zelf voor heeft gekozen om geen gebruik te maken van de diensten van die advocaten. De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met een aanwijzing van een advocaat door de deken niet kan worden bereikt dat de aangewezen advocaat zijn werkzaamheden verplicht op toevoegingsbasis moet verrichten, terwijl de rechtzoekende geen recht heeft op gefinancierde rechtsbijstand. 

4.4    Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

4.5    Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beklag niet slaagt.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 13 juli 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.