ECLI:NL:TAHVD:2026:215 Hof van Discipline 's Gravenhage 260134
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:215 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 14-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260134 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het gaat om twee verzoeken. Klager wil bij de Hoge Raad om herziening vragen. De deken heeft verzocht om toezending van de uitspraak waarvan klager herziening wil vragen. Dat heeft klager niet gedaan. Gelet op de informatieverplichting van de verzoeker, mocht de deken afwijzend beslissen op het aanwijzingsverzoek. Ten aanzien van het tweede verzoek is het hof is van oordeel dat de deken het verzoek van klager op goede gronden heeft afgewezen. Bij het onderzoek naar aanleiding van dit verzoek van klager heeft de deken vastgesteld dat klager reeds wordt bijgestaan door een advocaat. Deze advocaat heeft bevestigd dat hij klager bijstaat en dat hij een procesadvies zal geven inzake het door klager gewenste herzieningsverzoek bij de Hoge Raad. |
Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260134
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 18 november 2025 bij de deken van de orde van Advocaten te
Amsterdam een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel
13 lid 1 Advocatenwet. Op 26 januari 2026 is het verzoek verwezen naar de deken van
de Orde van Advocaten te Den Haag.
1.2 De deken te Den Haag heeft het verzoek van 18 november 2025 afgewezen met de beslissing van 3 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en dat de procedure die klager wil voeren bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geen verplichte procesvertegenwoordiging kent.
1.3 Klager heeft op 13 januari 2026 bij de deken van de Orde van advocaten te Amsterdam een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat voor een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad inzake een strafzaak. Het verzoek is op dezelfde dag verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten Rotterdam. Nadat duidelijk was geworden op welke procedure het verzoek betrekking heeft, is het verzoek op 30 maart 2026 verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten te Den Haag.
1.4 De deken te Den Haag heeft het verzoek van 13 januari 2026 afgewezen met de beslissing van 15 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager reeds wordt bijgestaan door een advocaat.
Bij het hof
1.5 Klager heeft op 15 april 2026 een beklag tegen de beslissingen van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.6 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken;
- de repliek;
- de dupliek.
1.7 Het hof heeft het beklag schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager wil een herzieningsverzoek indienen bij de hoge Raad. Daarnaast wil klager een klacht indienen bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
2.2 Naar aanleiding van klagers verzoek om een advocaat aan te wijzen heeft verweerster klager verzocht om de uitspraak waarvan hij herziening wenst toe te sturen.
2.3 Op 2 februari 2026 heeft klager aan verweerster het volgende antwoord gestuurd:
“De uitspraak is niet nodig, de advocaat heeft al uitgelegd erover gegeven aan de orde van Amsterdam. Voor overige vragen kunt u zich wenden aan de orde van Amsterdam.”
2.4 Op het tweede verzoek van 16 februari 2026 om de uitspraak zo spoedig mogelijk toe te sturen, heeft klager niet gereageerd.
2.5 Verweerster heeft bij besluit van 3 maart 2026 het verzoek van klager afgewezen omdat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Verweerster stelt dat zij niet kan beoordelen of een verzoek om herziening enige kans van slagen heeft en welke advocaat zij voor een dergelijk verzoek zou moeten aanwijzen.
2.6 Daarnaast acht verweerster het van belang dat herziening van een onherroepelijke uitspraak alleen mogelijk is wanneer er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden (novum), die bestonden voor de uitspraak, maar die klager toen niet kende en redelijkerwijs niet kon kennen. Klagers voormalige advocaat, mr. van R heeft daarop ook gewezen. Voor zover hij het kan inschatten kan het filmpje, dat door de rechter kennelijk niet als bewijs is toegelaten, niet als novum dienen. Verder heeft verweerster opgemerkt dat een door de Amsterdamse Orde van Advocaten geraadpleegde advocaat de kans van slagen van het herzieningsverzoek nihil heeft geacht.
2.7 In de beslissing van 15 april 2026 heeft verweerster over het verzoek om een advocaat voor het herzieningsverzoek bij de Hoge Raad opgemerkt dat dit verzoek, dat was ingediend bij de Orde van Advocaten in Amsterdam en doorgezonden naar de Orde van Advocaten in Rotterdam, uiteindelijk is overgedragen naar de Haagse Orde. Om de overzetting efficiënt te laten verlopen is telefonisch contact gezocht met de Rotterdamse Orde. Daarbij is kenbaar gemaakt dat klager reeds wordt bijgestaan door een advocaat, namelijk mr. F. Dit is bij mr. F geverifieerd en mr. F heeft bevestigd dat hij klager bijstaat in de herzieningsprocedure bij de Hoge Raad.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken de verzoeken ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft aangevoerd dat de afwijzing “onrechtmatig, ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met fundamentele rechtsbeginselen en mensenrechten” is.
3.2 Ter onderbouwing van het beklag heeft klager de volgende gronden aangevoerd die hierna integraal worden overgenomen:
“1. Schending van artikel 13 Advocatenwet (toegang tot rechtsbijstand)
De deken miskent de kern van artikel 13 Advocatenwet. Deze bepaling beoogt te waarborgen
dat een rechtzoekende die geen effectieve rechtsbijstand kan verkrijgen, toegang krijgt
tot een advocaat. In mijn geval is daarvan evident sprake.
De enkele stelling dat een advocaat (mr. F) een mogelijk procesadvies zou uitbrengen, kan niet worden gelijkgesteld met daadwerkelijke rechtsbijstand. Feitelijk sta ik zonder effectieve juridische vertegenwoordiging. Dan wel geeft dit al duidelijk aan, dat mr. F de zaak niet heeft afgewezen noch heeft aangenomen en enige tijd heeft om de zaak te bestuderen. Dit geeft geen garantie dat mr. F zich zal stellen in deze zaak of de zaak te hebben laten toetsen door de rechter. Want de rechter heeft het eindeoordeel, noch de deken noch de advocaat kan de zaak kansrijk achten of toegang tot het recht waarborgen. Hierbij moet duidelijk worden gemaakt, dat het gaat om toegang tot het recht in een strafzaak waarbij vrijspraak van belang is.
Deze zaak mag niet eenvoudig geacht worden, het belang erbij is zeer groot en zeer zwaarwegend. Zo kan zelfs C uit ervaring spreken, waarbij zaken voor ruim 25 advocaten niet als kansrijk waren geacht maar alsnog bleef ik zoeken totdat ik de advocaat C vond ( op doorverwijzing van B.F, nadat ik de zaak ruim heb uitgelegd op de puntjes na, waarbij zij zoals andere advocaten die mij hebben bijgestaan nader complimenten geven en zeggen dat ik wel zo een advocaat kan zijn gelang de werk die ik zelf verricht tijdens de zaken die lopen) die met succes de zaken bevocht met mijn visie en inzichten en de samenwerking die daaruit zijn gekomen. Zo heeft de rechter in 2 strafzaken zelfde argument gebruikt die ik had gebruikt, en daarbij vrijgepleit.
Ik ben geen persoon die het recht niet kent en nu pas om de hoek komt kijken of geen begrip heeft hoe het recht zich vormt. Het is dat een advocaat in deze zaak verplicht is, anders had ik zelf de zaak ingediend bij de rechtbank.
2. Onzorgvuldige besluitvorming (gebrek aan onderzoek)
De deken heeft haar beslissing gebaseerd op onvolledige en eenzijdige informatie.
Zij stelt dat ik geen uitspraak heb overgelegd, terwijl zij wist althans had moeten
begrijpen dat ik door omstandigheden (verlies van laptop en documenten, dakloosheid)
niet over deze stukken beschik. Daarbij is geen belang bij de deken te oordelen of
de zaak slaging zal kennen of niet, oordeel zal getoetst worden door een advocaat
die de zaak zou bekijken net als bij cassatiezaken. De deken geeft geen oordeel of
de zaak kansrijk is of niet of gaat bemoeien met zaak, de zaak wordt aangewezen aan
een advocaat onder art 13 advw en die geeft advies en nader kan ook nog tweede en
derde advocaat benaderd worden om te kijken of er een kans van slaging is dus een
ander advies erop volgt. Daarbij is het argument dat de deken de uitspraak ook graag
wilt niet relevant en niet noodzakelijk. Want het dossier zal opgevraagd worden bij
mijn advocaat C, en die zal gehele dossier doorzenden aan de advocaat die het zal
overnemen dan wel de stukken nodig heeft om de zaak te beoordelen.
Desondanks dat ze weten dat ze geen inzage mogen hebben en zelf geen oordeel mogen vellen over de kansrijkheid, dan wel menen het nodig te hebben zijn ze nagelaten geweest om:
• zelf de uitspraak op te vragen bij mijn voormalige advocaat of de betreffende instantie, wel hadden ze C benaderd zoals ze zelf aangeven maar dan voor andere vragen maar niet om de vraag ter inzage op uitspraak;
• nader onderzoek te doen;
• mij daadwerkelijk in staat te stellen mijn verzoek aan te vullen.
Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
3. Schending van het beginsel van hoor en wederhoor
De deken heeft informatie ingewonnen bij derden (waaronder advocaten) en deze zonder
verificatie bij mij als doorslaggevend aangemerkt. Ik ben niet adequaat gehoord over
deze informatie, hetgeen een fundamenteel gebrek oplevert. Sterker noch, C doet geen
herzieningsverzoeken en daarmee is het advies van C gebruikt als argument dat de zaak
geen nut heeft dan wel niet kansrijk is. Welke advocaat die het recht kent, zoals
de deken die het recht dient te kennen, gaat advies aannemen van een advocaat die
zelf zulke zaken niet doet, en zelf geen kennis heeft hoe het beoordeeld wordt en
zelfs de gronden van het verzoek niet eens kent.
4. Onmenselijke en onzorgvuldige behandeling (gebrek aan proportionaliteit)
De deken heeft volledig nagelaten rekening te houden met mijn kwetsbare situatie.
Ik ben dakloos, beschik niet over mijn stukken en ben afhankelijk van hulp om toegang
tot het recht te verkrijgen.
In plaats van ondersteuning te bieden, is mijn verzoek formeel en afstandelijk afgewezen.
Dit getuigt van een gebrek aan proportionaliteit en menselijke maat, hetgeen onverenigbaar
is met de rol en verantwoordelijkheid van de deken.
5. Schending van het EVRM
De beslissing leidt tot schending van onder meer:
• artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces en toegang tot de rechter);
• artikel 13 EVRM (recht op een effectief rechtsmiddel).
Door mij feitelijk de toegang tot rechtsbijstand te ontzeggen, wordt mij de mogelijkheid ontnomen om mijn zaak inhoudelijk te laten beoordelen.
6. Ondeugdelijke motivering
De verwijzing naar een vermeende kans van slagen van “0,0” is niet verifieerbaar,
niet transparant en kan geen dragende grond vormen voor afwijzing. Dit is temeer problematisch
nu deze inschatting niet afkomstig is van een onafhankelijk aangewezen advocaat in
mijn zaak.
Conclusie
De beslissing van de deken is genomen in strijd met:
• artikel 13 Advocatenwet
• fundamentele beginselen van behoorlijk bestuur
• en het EVRM “
Verweer
3.3 De deken heeft aangevoerd dat zij de stellingen van klager uitdrukkelijk
verwerpt. Zij heeft erop gewezen dat de stafjurist de advocaat van klager heeft gebeld
die hem momenteel bijstaat in meerdere procedures, namelijk mr. F. Daarin heeft mr.
F toegezegd een procesadvies te geven met betrekking tot het herzieningsverzoek. Verweerster
stelt zich op het standpunt dat zij, gelet op de professionele standaard van advocaten,
mag verwachten dat mr. F deze toezegging zal nakomen. Zij wijst erop dat artikel 13
Advocatenwet niet is bedoeld voor de situatie waarin de verzoeker reeds wordt bijgestaan
door een advocaat, althans een advocaat heeft die hem in meerdere procedures bijstaat
en ook voor deze procedure een procesadvies zal geven. Voor de volledigheid merkt
verweerster nogmaals op dat ook indien zij wel een advocaat had aangewezen, deze advocaat
ook eerst een proces-advies zal uitbrengen. Indien dit proces-advies negatief zou
zijn, zou de advocaat zich niet stellen voor die procedure. Verweerster kan een advocaat
niet dwingen om op te treden in een procedure die hij niet rechtvaardig acht. Dat
zou in strijd zijn met de advocateneed. Bij aanwijzing van een advocaat zou klager
zich in dezelfde situatie bevinden als waar hij zich nu in bevindt, namelijk in afwachting
van een proces-advies.
3.4 Met betrekking tot het hebben van “geen kans van slagen” merkt verweerster op dat een gegronde reden tot afwijzing kan zijn dat op voorhand duidelijk is dat een procedure geen kans van slagen heeft. Hiervan kan sprake zijn indien een advocaat een negatief procesadvies heeft gegeven. In haar brieven heeft de deken benoemd dat er een negatief advies is gegeven door een cassatieadvocaat te Amsterdam. Deze informatie is verkregen via de Orde van Advocaten in Amsterdam. Verweerster stelt dat zij ervan uit mag gaan dat de informatie die zij van haar Amsterdamse collega’s verkrijgt juist is. Er was geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Bij het nieuwe (herhaald) verzoek had klager zelf gemotiveerd naar voren kunnen brengen waarom het advies van de advocaat onjuist zou zijn. Echter, dit heeft hij nagelaten. Dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden heeft klager ook niet naar voren gebracht. Daarbij heeft verweerster opgemerkt dat het de eigen verantwoordelijkheid van klager is om informatie te verstrekken indien daarom gevraagd wordt.
3.5 Verweerster heeft aandacht gevraagd voor de zeer ongepaste wijze waarop klager zich heeft uitgelaten in reactie op de mail waarin verweersters beslissing inzake AA012 2026 werd gestuurd. Klager heeft verweerster en een collega “kanker en de dood” toegewenst. Bovendien viel het op dat klager een foto van verweerster heeft opgenomen in de bijlage bij zijn beklagschrift. Gelet op de eerdere mail weet verweerster niet welke intenties hieraan verbonden zijn. Daar komt nog bij dat klager een onevenredige belasting legt op het Bureau van de Haagse Orde door meerdere Woo-verzoeken, aanwijsverzoeken en klachten in te dienen. Verweerster acht deze wijze van communiceren volstrekt ontoelaatbaar en voelt zich geneigd geen gehoor meer te geven aan nadere berichten/verzoeken van klager.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beslissing van 3 maart 2026
4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. In dit geval heeft de deken terecht verzocht om toezending van de uitspraak waarvan klager herziening wil vragen bij de Hoge Raad. Dat betekent dat klager de informatie, waar de deken om heeft verzocht, had moeten indienen.
4.3 Dat heeft klager niet gedaan. Klager wil een herzieningsprocedure voeren, maar weigert de uitspraak waarvan hij herziening wil vragen aan de deken te verstrekken. Gelet op de informatieverplichting van de verzoeker, mocht de deken afwijzend beslissen op het aanwijzingsverzoek van klager van 18 november 2025.
Beslissing van 15 april 2026
4.4 Het hof is van oordeel dat de deken ook het verzoek van klager van 13 januari 2026 op goede gronden heeft afgewezen. Bij het onderzoek naar aanleiding van dit verzoek van klager heeft de deken vastgesteld dat klager reeds wordt bijgestaan door een advocaat. Deze advocaat heeft bevestigd dat hij klager bijstaat en dat hij een procesadvies zal geven inzake het door klager gewenste herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.
4.5 Het hof is van oordeel dat de deken op goede gronden heeft geweigerd om aan
klagers
-herhaalde- verzoek te voldoen. Nu klager een advocaat heeft die hem bijstaat in
de procedure die hij wil voeren, hoeft de deken geen advocaat aan te wijzen.
4.6 Ten overvloede overweegt het hof dat het feit dat de advocaat die klager bijstaat mogelijk tot een negatief procesadvies zal komen -zoals klager heeft opgemerkt-, objectief gerechtvaardigd is en niet in strijd met de wet. Zoals door het hof ook in de beslissing van 10 oktober 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:195, is overwogen, is de mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat. Daarbij hoort ook dat een advocaat heeft hierin een eigen afweging te maken. Van een aangewezen advocaat kan niet worden verlangd dat hij een cliënt bijstaat in een zaak die hij in gemoede niet rechtvaardig acht (zie in dit verband de advocateneed/belofte van artikel 3 lid 2 van de Advocatenwet). Anders gezegd: een advocaat kan niet gedwongen worden een zaak aan te nemen die hij niet kansrijk acht (vgl. HvD 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87). Dit geldt ook voor de advocaat die klager bijstaat in de procedure die klager wil voeren, te weten een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.
4.7 Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.
4.8 Het beklag is op grond van het voorgaande ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissingen van 3 maart 2026 en 15 april 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren
en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar
uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.