ECLI:NL:TAHVD:2026:214 Hof van Discipline 's Gravenhage 260118
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:214 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-07-2026 |
| Datum publicatie: | 14-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260118 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Voorwaarde voor aanwijzing van een advocaat is – onder meer - dat de advocaat moet worden betaald. Ingeval er een toevoeging wordt verleend moet de eigen bijdrage worden betaald en eventuele bijkomende kosten. De deken heeft erop gewezen dat het budget van klaagster van € 500,- redelijkerwijze onvoldoende is voor een advocaat om klaagster van juridische bijstand te voorzien in het onderliggende geschil. Daarbij heeft de deken in aanmerking genomen dat het geschil door klaagster wordt beschreven als een juridisch complexe zaak met een lange voorgeschiedenis. Zelfs al zou aan een advocaat een beperkte opdracht worden gegeven zoals klaagster voorstelt, dan nog vergt het indienen van processtukken een inhoudelijke voorbereiding van de zaak. Het hof acht het voorstelbaar dat het beperkte budget van klaagster al niet voldoende is om de kosten daarvan te kunnen dekken. Gelet hierop heeft de deken het aanwijzingsverzoek naar het oordeel van het hof wegens een gegronde reden afgewezen. |
Beslissing van 13 juli 2026
in de zaak 260118
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mr. E.W.J. de Groot
deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Zeeland-West-Brabant
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft de deken bij e-mail van 21 maart 2026 verzocht een advocaat aan te wijzen als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Nadat de stafjurist van de deken klaagster in reactie daarop had meegedeeld dat een dergelijk verzoek pas in behandeling kan worden genomen als het daarvoor bestemde formulier op de website van de orde wordt gebruikt, heeft klaagster het verzoek op 27 maart 2026 ook via het daarvoor bestemde formulier bij de deken ingediend.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 31 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster niet voldoet aan de voorwaarden om te komen tot aanwijzing van een advocaat. Klaagster heeft aangegeven dat er beperkte financiële middelen zijn en er maximaal € 500,- aan advocaatkosten betaald kan worden. De deken heeft erop gewezen dat dit redelijkerwijze onvoldoende is voor een advocaat om klaagster van juridische bijstand te voorzien in een geschil dat door klaagster zelf wordt beschreven als een juridisch complexe zaak met een lange voorgeschiedenis. Bovendien zal ook griffierecht moeten worden betaald en komt klaagster niet in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand. De deken heeft meegedeeld dat van een advocaat niet kan worden verwacht dat hij een cliënt bijstand verleent zonder daarvoor een redelijke vergoeding voor de werkzaamheden te ontvangen. Klaagster voldoet niet aan de voorwaarde dat de advocaat betaald wordt voor de diensten, aldus de deken.
Bij het Hof van Discipline
1.3 Klaagster heeft op 1 april 2026 een beklag, met bijlagen, tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- een e-mail van het hof aan klaagster van 10 april 2026, waarin aan klaagster
is meegedeeld dat het voor het hof praktisch onmogelijk was om voor 15 april 2026
een beslissing op het verzoek van klaagster te nemen;
- het verweer van de deken van 23 april 2026;
- de repliek van klaagster van 4 mei 2026;
- de dupliek van de deken van 7 mei 2026;
- een e-mail van klaagster van 7 mei 2026, met bijlage.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
2.1 Klaagster heeft meegedeeld dat klaagster de gedaagde is in een civiele procedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg. Daarvoor diende zich uiterlijk op 15 april 2026 een advocaat gesteld te hebben. Klaagster heeft erop gewezen dat klaagster zonder advocaat een reëel risico liep dat verstek zou worden verleend en dat de vorderingen zonder inhoudelijk verweer zouden worden beoordeeld. In reactie op de afwijzing door de deken heeft klaagster aangevoerd dat klaagster niet elke betaling heeft geweigerd, maar dat de financiële middelen van klaagster zeer beperkt zijn en dat klaagster daarom behoefte heeft aan aanwijzing van een advocaat die bereid is de zaak eerst in elk geval op te pakken, ten einde tijdig te kunnen verschijnen en de noodzakelijke processtukken te kunnen indienen. Het standpunt van klaagster is dat de deken zich in de afwijzing onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de volgende omstandigheden:
1. de acute processuele noodsituatie waarin advocaatbijstand verplicht is;
2. het feit dat klaagster aantoonbaar meerdere advocaten heeft benaderd en afwijzingen heeft ontvangen;
3. de mogelijkheid van een beperkte eerste opdracht tegen een lager of haalbaar aanvangsvoorschot;
4. het belang van effectieve toegang tot de rechter, mede nu zonder aanwijzing feitelijk een processueel vacuüm ontstaat. Daarbij wijst klaagster erop dat zij als gevolg van de afwijzing in een procedure met verplichte advocaatstelling tegenover een wel professioneel vertegenwoordigde wederpartij komt te staan, zonder reële mogelijkheid om haar verweer behoorlijk aan de rechter voor te leggen. Dat raakt aan het beginsel van equality of arms als onderdeel van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, aldus klaagster.
Klaagster verzoekt het hof de beslissing van de deken te vernietigen en alsnog te bepalen dat een advocaat wordt aangewezen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie passend acht.
2.2 In repliek heeft klaagster aangevoerd dat zij aantoonbaar serieus naar rechtsbijstand heeft gezocht. Daarnaast heeft klaagster aangevoerd dat de deken het verzoek om een beperkte eerste opdracht voor de aan te wijzen advocaat te eng heeft uitgelegd.
Verweer
2.3 De deken heeft er allereerst op gewezen dat het feit dat in een procedure sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging niet maakt dat een verzoek om aanwijzing dient te worden toegewezen. Weliswaar is één van de voorwaarden om een advocaat te kunnen aanwijzen dat sprake moet zijn van verplichte procesvertegenwoordiging, maar een andere voorwaarde is dat de advocaat moet worden betaald voor de bijstand. Het standpunt van de deken is dat door deze voorwaarde geen sprake is van een ongerechtvaardigde beperking van de toegang tot het recht. Het aanwijzen van een advocaat alleen voor het stellen in een procedure en het indienen van stukken acht de deken in strijd met het beginsel van verplichte procesvertegenwoordiging. Een advocaat mag niet slechts een doorgeefluik zijn, maar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de opdracht en is dominus litis. Daarnaast is het standpunt van de deken dat klaagster niet voldoende serieus zelf naar een advocaat heeft gezocht om haar bij te staan. De deken verzoekt het hof het beklag ongegrond te verklaren.
2.4 In dupliek is de deken gebleven bij de motivering van het besluit van 31 maart 2026 en bij dat wat in het verweerschrift naar voren is gebracht.
3 BEOORDELING
Toetsingskader
3.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klaagster gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft. Voorwaarde voor aanwijzing van een advocaat is ook dat de advocaat moet worden betaald. Ingeval er een toevoeging wordt verleend moet de eigen bijdrage worden betaald en eventuele bijkomende kosten.
Ten aanzien van het onderhavige beklag
3.2 In de beslissing van 31 maart 2026 heeft de deken klaagster erover geïnformeerd dat aanwijzing van een advocaat een uitzonderlijke aangelegenheid is en een verzoek om aanwijzing alleen kan worden ingewilligd als aan strikte voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden houden onder meer in:
“6. Indien de rechtzoekende niet in aanmerking komt voor de overheid gefinancierde rechtsbijstand moet hij of zij bereid en in staat zijn de aan te wijzen advocaat te betalen en eventueel een voorschot te voldoen.”
3.3 Klaagster heeft aangegeven dat er maximaal € 500,- betaald kan worden aan een advocaat. De deken heeft erop gewezen dat dit redelijkerwijze onvoldoende is voor een advocaat om klaagster van juridische bijstand te voorzien in het onderliggende geschil. Daarbij heeft de deken in aanmerking genomen dat het geschil door klaagster wordt beschreven als een juridisch complexe zaak met een lange voorgeschiedenis. Zelfs al zou aan een advocaat een beperkte opdracht worden gegeven zoals klaagster voorstelt, dan nog vergt het indienen van processtukken een inhoudelijke voorbereiding van de zaak. Het hof acht het voorstelbaar dat het beperkte budget van klaagster al niet voldoende is om de kosten daarvan te kunnen dekken. Gelet hierop heeft de deken het aanwijzingsverzoek naar het oordeel van het hof wegens een gegronde reden afgewezen. Het beslag kan dan ook niet slagen.
3.4 Daarbij overweegt het hof dat wat hiervoor is overwogen niet betekent dat bijstand door een advocaat niet (dringend) gewenst zou zijn, maar dat die rechtsbijstand niet langs de weg van artikel 13 Advocatenwet kan worden geboden. Het hof overweegt in dit verband verder nog dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen, waaronder financiële, mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken naar het oordeel van het hof niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.
3.5 Het hof zal daarom het beklag ongegrond verklaren.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 31 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk
en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 13 juli 2026.