ECLI:NL:TAHVD:2026:213 Hof van Discipline 's Gravenhage 250254

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:213
Datum uitspraak: 14-07-2026
Datum publicatie: 14-07-2026
Zaaknummer(s): 250254
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over advocaat van de wederpartij dat verweerder betaling van declaraties vorderde, terwijl hij een toevoeging had en dat verweerder willens en wetens een onjuist gedateerde overeenkomst in het geding had gebracht. De raad heeft deze klachten gegrond verklaard. Het hof heeft vastgesteld dat er geen toevoeging was en kan niet vaststellen dat verweerder opzettelijk een gepostdateerd exemplaar in het geding heeft gebracht. Vernietiging, ongegrond. 

Beslissing van 14 juli 2026
in de zaak 250254

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

1    INLEIDING

1.1    Deze klacht over de advocaat van de wederpartij is door de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) gedeeltelijk gegrond verklaard. De raad oordeelde dat verweerder op twee onderdelen informatie had verstrekt waarvan hij wist of had moeten weten dat die niet juist was. Het beroep van verweerder slaagt en het hof vernietigt de uitspraak van de raad, voor zover daarin de klacht gegrond is verklaard. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline
2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-920/AL/OV) een beslissing gewezen op 23 juni 2025. De raad heeft van de klacht van klager klachtonderdeel a) ongegrond verklaard en de klachtonderdelen b) en c) gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel opgelegd van een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening van twee weken. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:160 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline
2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 21 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    de op 3 februari 2026 door verweerder nagezonden stukken.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 juni 2026. Daar is verweerder verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten, voor zover in hoger beroep nog van belang.

3.2    Verweerder treedt sinds mei 2022 als (derde) advocaat op voor de ex-vrouw van klager in een familierechtelijke procedure. 

3.3    De echtscheiding tussen klager en zijn ex-vrouw is uitgesproken, maar de boedelscheiding is nog niet afgehandeld. Partijen twisten onder andere nog over de eigendom van een Volkswagen Golf en de waarde van de BV van klager. 

3.4    Verweerder heeft namens de ex-vrouw in februari 2024 een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt, onder andere met de vorderingen tot afgifte van de Volkswagen Golf aan de ex-vrouw en tot betaling van een voorschot ter zake de boedelscheiding. Daarnaast heeft verweerder namens de ex-vrouw advocaatkosten gevorderd ten bedrage van € 20.000,- vanwege openstaande declaraties, waaronder een voorschotdeclaratie van € 5.000,-. 

3.5    Bij akte vermindering van eis en overlegging producties heeft verweerder namens zijn cliënte haar eis verminderd, in die zin dat zij niet langer betaling van advocatendeclaraties vordert.

3.6    In de boedelscheidingsprocedure was namens de ex-vrouw op 14 oktober 2021 een productie in het geding gebracht, een koopovereenkomst van de Volkswagen Golf, gedateerd 13 augustus (zonder jaartal). In de kortgedingprocedure op 12 februari 2024 heeft verweerder namens zijn cliënte een identieke koopovereenkomst overgelegd, gedateerd 13 augustus 2023.

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)    (…)    

b)    hij namens zijn cliënte in de kortgedingprocedure, die diende op 12 februari 2024, heeft gevorderd klager te veroordelen tot betaling aan zijn cliënte van een bedrag van € 20.000,- vanwege openstaande declaraties kosten advocaat, terwijl zijn cliënte op een toevoeging procedeerde; 

c)    hij in het kader van datzelfde kort geding willens en wetens een geantedateerde koopovereenkomst van een Volkswagen Golf in het geding heeft gebracht, waardoor de rechtbank onjuist is ingelicht.

5    BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel b)
5.1    De raad heeft overwogen dat de vordering van advocaatkosten in de kortgedingprocedure in strijd was met de waarheid, omdat verweerder zijn cliënte bijstond op basis van een toevoeging. Verweerder heeft dat erkend en hij heeft ook verklaard dat zijn cliënte hem nooit heeft betaald. Van een openstaande declaratie was dan ook geen sprake. De door verweerder aangevoerde omstandigheid dat de toevoeging waarschijnlijk zou worden vernietigd, maakt niet dat verweerder deze vordering wel had mogen indienen. Ook het feit dat verweerder deze vordering (na een opmerking hierover van de advocaat van klager) heeft ingetrokken, maakt niet dat verweerder hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt meer kan worden gemaakt. Verweerder heeft door op deze wijze te handelen - in strijd met gedragsregel 8 - feitelijke informatie verstrekt waarvan hij wist, althans behoorde te weten, dat die onjuist was. 

Klachtonderdeel c)
5.2    De door verweerder in februari 2024 in de kortgedingprocedure ingebrachte koopovereenkomst kan, gelet op de datum die erop staat en het reeds op 14 oktober 2021 overgelegde exemplaar daarvan, niet juist zijn. Hoewel verweerder in 2021 nog niet optrad voor zijn cliënte, zat de eerder overgelegde koopovereenkomst wel in zijn dossier. De raad heeft overwogen dat verweerder daarom had kunnen en moeten weten dat de door hem in 2024 overgelegde koopovereenkomst onjuist was en dat hij deze niet in het geding had mogen brengen.

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder
6.1    Verweerder is van mening dat bij de deken geen sprake is geweest van een eerlijke procesgang met voor iedere betrokkene twee rondes. De deken had geen rechtens te respecteren belang om van de normale tuchtrechtelijke procedure af te wijken. Dat geldt ook voor het door klager laten verstrijken van een termijn om te reageren. Daarbij komt dat de stukken van klager van de hand van zijn advocaat afkomstig zijn. De nagekomen stukken en de te late reactie moeten buiten beschouwing blijven.

6.2    Klager is geen belanghebbende bij klachtonderdeel b). Alleen de deken kan klagen als een advocaat een declaratie stuurt voor werkzaamheden waarover de toevoeging gaat. Klager kan hierover ook niet klagen, omdat hij geen zekerheid heeft of verweerder wel of niet op basis van een toevoeging procedeert. Verweerder treedt voor zijn cliënte op betalende basis op in de echt- en boedelscheidingszaak. Voor het kort geding was wel een toevoeging aangevraagd. Het voorschot was niet gevraagd voor een procedure met een toevoeging. Het ging om de bodemprocedure, waarin de rechtbank nog altijd geen uitspraak heeft gedaan. Het voorschot was in de dagvaarding vermeld, maar de vordering is ingetrokken voor de zitting. Inmiddels is meer dan 42 uur gewerkt aan de bodemprocedure en ruim € 33.000 gedeclareerd. De vraag naar een voorschot voor de enorme openstaande post is redelijk en billijk te noemen.

6.3    Met betrekking tot klachtonderdeel c) voert verweerder aan dat alle informatie voor beide partijen beschikbaar was. De informatie over de VW-Golf moest verweerder krijgen van zijn cliënte. Hij was afhankelijk van deze informatie en hij heeft op de informatie van zijn cliënte mogen vertrouwen. Verweerder had niet alle processtukken van de bodemprocedure van de voorgaande advocaat ontvangen. Pas na de kortgedingzitting kreeg verweerder van de advocaat van klager de oudere informatie over de VW-Golf. Als verweerder niet had mogen vertrouwen op de informatie van zijn eigen cliënte had klagers advocaat evenmin mogen vertrouwen op de informatie van klager. 

Verweer klager
6.4    Klager heeft in beroep geen verweer gevoerd.


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf
7.1    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof
7.2    De eerste beroepsgrond van verweerder faalt. Het is aan de deken om te bepalen hoe hij zijn onderzoek naar een klacht inricht. Bovendien hebben beide partijen de gelegenheid om, voorafgaande aan de behandeling door de raad, en ook in hoger beroep bij het hof, nog nadere stukken in te dienen. Klager had de stukken die in de ogen van verweerder ten onrechte door de deken zijn geaccepteerd, dus ook bij de raad nog kunnen indienen. Verweerder is daardoor niet benadeeld. Tot slot mag een klager zich - formeel of informeel - door zijn advocaat laten bijstaan in het kader van de klachtbehandeling. 

7.3    Met betrekking tot klachtonderdeel b) overweegt het hof dat verweerder bij zijn beroepschrift een (niet door hem en zijn cliënte ondertekende) opdrachtbevestiging heeft overgelegd, waaruit blijkt dat verweerder in de boedelscheidingszaak betalend voor zijn cliënte optreedt. Ook heeft hij een mail van zijn cliënte overgelegd waarin zij schrijft akkoord te zijn met de voorwaarden vermeld in de opdrachtbevestiging. Verder heeft verweerder een brief van de Raad voor Rechtsbijstand overgelegd, waaruit blijkt dat verweerder de voor de boedelscheiding afgegeven toevoeging niet heeft overgenomen en dat verweerder uitsluitend voor het kort geding een toevoeging heeft aangevraagd. Het hof stelt dan ook op basis van het voorgaande vast dat verweerder voor de boedelscheidingskwestie geen toevoeging had. Dat betekent dat klachtonderdeel b) ongegrond is.

7.4    Vast staat dat aan de datum vermeld in het exemplaar van de door verweerder in het geding gebrachte overeenkomst op enig moment het jaartal 2023 is toegevoegd, terwijl die overeenkomst in een eerder stadium - toen verweerder nog niet voor zijn cliënte optrad - al zonder jaartal in het geding was gebracht. Ook blijkt uit de kortgedinguitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland dat het bestaan van de overeenkomst niet wordt betwist door klager en dat de overeenkomst in 2018 is gesloten. Wanneer, waarom en door wie het jaartal is toegevoegd heeft het hof niet kunnen achterhalen. Verweerder heeft – terecht – tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn verweer laten varen dat hij de eerder in 2021 overgelegde ongedateerde overeenkomst niet had. Hij beroept zich er nu op dat hij het dossier niet goed heeft bestudeerd en het verschil in de beide documenten heeft gemist. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder ‘willens en wetens’ en dus opzettelijk een gepostdateerd exemplaar van de overeenkomst in het geding heeft gebracht. De klacht ziet wel op dergelijk opzettelijk handelen. Dat betekent dat ook klachtonderdeel c) niet gegrond verklaard kan worden.

Slotsom
7.5    De conclusie uit het voorgaande is dat de beslissingen van de raad op de klachtonderdelen b) en c) niet in stand kunnen blijven en dat beide klachtonderdelen ongegrond worden verklaard. Daarmee vervallen ook de opgelegde maatregel en de proceskostenveroordeling. 

8    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1    vernietigt de beslissing van 23 juni 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-920/AL/OV, voor zover daarin de klachtonderdelen b) en c) gegrond zijn verklaard, aan verweerder de maatregel is opgelegd van een voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening van twee weken en verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten; 

en doet opnieuw recht:

8.2    verklaart de klachtonderdelen b) en c) ongegrond;

8.3    bekrachtigt de beslissing van 23 juni 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-920/AL/OV, voor het overige.

Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam,
A.E.H. van der Voort Maarschalk, I.P.A. van Heijst en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 14 juli 2026.