ECLI:NL:TAHVD:2026:212 Hof van Discipline 's Gravenhage 260233bis
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:212 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-07-2026 |
| Datum publicatie: | 10-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260233bis |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: | Verwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Vervallenverklaring van een op 2 juli 2026 door de plaatsvervangend voorzitter van het hof genomen afwijzende beslissing tot verwijzing omdat die beslissing is gebaseerd op een onjuiste lezing van het verzoek tot verwijzing (ECLI:NL:TAHVD:2026:197). Het verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46aa lid 5 Advocatenwet wordt alsnog toegewezen. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 9 juli 2026
in de zaak 260233bis
naar aanleiding van de klachten van:
klager
tegen:
verweerder
1 HET VERZOEK
De voorzitter van het hof verwijst naar de bij het e-mailbericht van 9 juni 2026 gevoegde brief van dezelfde datum van de stafmedewerker van de Amsterdamse Orde van Advocaten. Hierin is aan de voorzitter van het hof verzocht voor twee klachten over verweerder de raad van discipline in het ressort Den Bosch aan te wijzen voor behandeling, omdat deze klachten samenhangen met een klacht van klager over mr. M, advocaat, kantoorhoudend in het arrondissement Zeeland-West-Brabant. Volgens de deken is sprake van zoveel samenhang dat deze klachten het beste gezamenlijk door één raad van discipline behandeld kunnen worden. Opgemerkt is dat mr. M. voorheen werkzaam was in Amsterdam, zij is voormalig kantoorgenoot van mr. V.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46aa lid 5 van de Advocatenwet kan voor de behandeling van de klacht van klager over verweerder een andere raad in een ander ressort worden aangewezen dan waar verweerder kantoor houdt indien tussen de klachten een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling bij één raad van discipline rechtvaardigen. In de brief van 9 juni 2026 is toegelicht dat op 12 april 2025 klager al een klacht over mr. M en verweerder heeft ingediend (hierna: eerste klacht). Deze twee klachten zijn onderzocht door de deken Zeeland-West Brabant nadat verweerder ermee heeft ingestemd dat deze deken in plaats van de voor hem bevoegde deken, de deken in het arrondissement Amsterdam, dit onderzoek zou verrichten. Het onderzoek door de deken Zeeland-West Brabant is inmiddels voltooid (naar het hof begrijpt in mei 2026).
2.2 Door klager is op 26 december 2025 een tweede klacht over verweerder (hierna: tweede klacht) ingediend. Deze klacht is onderzocht door de deken Amsterdam en het onderzoek is voltooid (naar het hof begrijpt in juni 2026). De tweede klacht over verweerder vertoont samenhang met de eerste klacht over mr. M en verweerder, omdat beide klachten zich (onder meer) richten op (de vergoeding voor) de dienstverlening.
2.3 Op 2 juli 2026 is door het hof beslist (onder nummer 260233) het verzoek om de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch aan te wijzen voor de behandeling van de tweede klacht af te wijzen (ECLI:NL:TAHVD:2026:197).
2.4 Bij e-mail van 2 juli 2026 is namens de deken Amsterdam erop gewezen dat in het slot van de brief van 9 juni 2026 is verzocht voor de behandeling van de eerste en de tweede klacht de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch aan te wijzen en niet alleen voor de tweede klacht. Opgemerkt wordt dat in het licht hiervan onbegrijpelijk is dat het hof het verzoek heeft opgevat als een verzoek om alleen de tweede klacht te verwijzen.
2.5 De bij de brief overgelegde bijlagen met correspondentie van de deken Amsterdam
met klager en verweerder over de aanwijzing van de raad van discipline in het ressort
’s-Hertogenbosch hadden slechts betrekking op de tweede klacht (kenmerk: 2543643).
Het hof constateert evenwel dat het juist is dat in het slot van de brief van 9 juni
2026 is verzocht voor de twee klachten over verweerder de raad van discipline in het
ressort ’s-Hertogenbosch voor de behandeling aan te wijzen.
De beslissing van 2 juli 2026 is dus gebaseerd op een onjuiste lezing van het verzoek
en het hof zal daarom deze beslissing vervallen verklaren.
2.6 Op grond van het verzoek in (het slot van) de brief van 9 juni 2026 zal het hof voor de behandeling van de eerste en de tweede klacht over verweerder de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch aanwijzen, omdat deze klachten over verweerder samenhangen met de klacht over mr. M.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
- verklaart de beslissing van 2 juli 2026 (260233) voor vervallen;
- wijst toe het verzoek om voor behandeling van de eerste en de tweede klacht van
klager over verweerder de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch aan
te wijzen.
Deze beslissing is genomen op 9 juli 2026 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend
voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 09 juli 2026.