ECLI:NL:TAHVD:2026:210 Hof van Discipline 's Gravenhage 260229
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:210 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-07-2026 |
| Datum publicatie: | 10-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260229 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: | Verwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Het klachtrecht is niet de geëigende weg om onvrede te uiten over de behandeling van een aanwijzingsverzoek door de deken op grond van artikel 13 Advocatenwet omdat het hof niet kan interveniëren in de behandeling daarvan door de deken. Om dezelfde reden kan niet bij het hof worden geklaagd over procedurele beslissingen die de deken in die behandelfase neemt. Klager zal de beslissing van de deken op zijn aanwijzingsverzoek dienen af te wachten. Klager kan – bij afwijzing van zijn verzoek om aanwijzing van een advocaat – beklag instellen bij het hof van discipline op grond van artikel 13 lid 3 Advocatenwet. In het beklagschrift kan klager uiteenzetten waarom de deken volgens klager onjuist heeft gehandeld en wat er – in de ogen van klager – niet juist is aan de door de deken genomen procedurele beslissingen. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 9 juli 2026
in de zaak 260229
naar aanleiding van de klacht van:
klager
tegen:
mr. E.A.C. van de Wiel
deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland
de deken
1 HET VERZOEK
De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht met bijlagen van de deken
van
17 juni 2026 waarin de deken verzoekt de klacht die klager over haar heeft ingediend
op 16 juni 2026 te verwijzen naar een andere deken voor nader onderzoek en afhandeling.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Uit de toelichting van klager op zijn klacht over de deken begrijpt de voorzitter dat de deken een verzoek van klager om aanwijzing van een advocaat (artikel 13 Advocatenwet) in behandeling heeft en dat klager zijn onvrede uit over de behandeling van zijn aanwijzingsverzoek door de deken.
2.3 Het klachtrecht is hiervoor niet de geëigende weg omdat het hof niet kan interveniëren
in de behandeling door de deken van een aanwijzingsverzoek op grond van artikel 13
Advocatenwet.
Om dezelfde reden kan niet bij het hof worden geklaagd over procedurele beslissingen
die de deken in die behandelfase neemt.
2.4 Klager zal de beslissing van de deken op zijn aanwijzingsverzoek dienen af te wachten. Klager kan – bij afwijzing van zijn verzoek om aanwijzing van een advocaat – beklag instellen bij het hof van discipline op grond van artikel 13 lid 3 Advocatenwet. In het beklagschrift kan klager uiteenzetten waarom de deken volgens klager onjuist heeft gehandeld en wat er – in de ogen van klager – niet juist is aan de door de deken genomen procedurele beslissingen.
2.5 De voorzitter merkt ten slotte op dat de mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen een aanvullende voorziening is voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat (Hof van Discipline 26 januari 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:24).
2.6 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht van klager niet verwijzen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
- wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is genomen op 9 juli 2026 door mr. J.D.Streefkerk, plaatsvervangend
voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 9 juli 2026.