ECLI:NL:TAHVD:2026:206 Hof van Discipline 's Gravenhage 250306W
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:206 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-07-2026 |
| Datum publicatie: | 06-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250306W |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking |
| Beslissingen: | Wraking |
| Inhoudsindicatie: | Afwijzing wrakingsverzoek. Het hof ziet in de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden geen aanleiding het wrakingsverzoek toe te wijzen. Verzoeker benoemt in zijn wrakingsgronden dat hij de zitting als partijdig heeft ervaren. Partijdigheid en vrees voor vooringenomenheid is alleen een toewijzingsgrond van een wrakingsverzoek indien de vrees hiervoor objectief gerechtvaardigd is. Dat is hier niet het geval. Het feit dat er tijdens de zitting vragen werden gesteld door het hof aan verzoeker en/of anderszins (door de voorzitter) enige sturing werd gegeven aan het verloop van de zitting, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat de tuchtrechters wier wraking wordt verzocht bevooroordeeld en/of vooringenomen, laat staan racistisch, zouden zijn. |
Beslissing van 6 juli 2026
in de zaak 250306W
naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:
verzoeker
tegen:
mrs. C.H. van Breevoort-de Bruin, A.R. Sturhoofd en R.N.E. Visser
leden van het hof van discipline
verweerders
1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF
1.1 Op 2 september 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld bij het hof van discipline tegen een beslissing van de raad van discipline in het ressort Den Haag van 25 augustus 2025. In deze beslissing is de klacht van verzoeker deels gegrond en deels ongegrond verklaard. De beslissing van de raad is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:170 gepubliceerd op tuchtrecht.nl
1.2 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 3 maart 2026. Verzoeker heeft tijdens die behandeling een verzoek tot wraking ingediend tegen verweerders.
1.3 Verweerders hebben niet berust in het wrakingsverzoek.
1.4 Het dossier van het hof bevat de volgende stukken:
- verweerschrift van verweerders
- repliek van verzoeker
- proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 maart 2026
- aanvullende stukken van verzoeker.
1.5 Op 9 april 2026 heeft verzoeker de wraking verzocht van de behandelend voorzitter van het wrakingsverzoek van verzoeker. Dit wrakingsverzoek is op 17 april 2026 door de voorzitter buiten behandeling gesteld op grond van artikel 3.1 onder g van het wrakingsprotocol van het hof zoals dit geldt met ingang van 9 januari 2026.
1.6 Het wrakingsverzoek van 3 maart 2026 is mondeling behandeld op 11 mei 2026.
Daar is verzoeker verschenen.
1.7 Bij aanvang van de zitting op 11 mei 2026 heeft verzoeker opnieuw een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter en, naast de voorzitter, ook van de andere twee leden van het hof. Verzoeker heeft daartoe als grond aangevoerd dat de voorzitter eerder partijdig is geweest jegens verzoeker doordat zijn wrakingsverzoek van 9 april 2026 buiten behandeling is gesteld. Volgens verzoeker zal de voorzitter zijn wrakingsverzoek van 3 maart 2026 daarom niet onpartijdig (kunnen) behandelen.
1.8 Het hof heeft de zitting geschorst en zich teruggetrokken voor beraad. Na hervatting van de zitting heeft het hof het ter zitting gedane wrakingsverzoek door verzoeker buiten behandeling gesteld op grond van de artikelen 3.1 onder a, g en i van het wrakingsprotocol van het hof (het wrakingsverzoek bevat geen nieuwe feiten of omstandigheden ten opzichte van het wrakingsverzoek van 3 maart 2026, het verzoek is gericht tegen de wrakingskamer en kwalificeert als misbruik van recht).
1.9 Vervolgens is de behandeling van het wrakingsverzoek van verzoeker van 3 maart 2026 hervat. Verzoeker heeft dit wrakingsverzoek toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die ook onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
2 BEOORDELING
Wrakingsgronden
2.1 Verzoeker heeft tijdens de zitting op 3 maart 2026 verweerders gewraakt omdat
verweerders:
- partijdig en racistisch zijn;
- verzoeker steeds onderbreken en hij zijn zinnen niet kan afmaken;
- zijn antwoorden worden afgekapt;
- er niet wordt geluisterd naar de onderbouwing van een misschien onwelgevallige
procespartij;
- emotioneel zijn en vooringenomen;
- de corrupte griffier, die een persoonlijke vete tegen verzoeker heeft, onvoorwaardelijk
steunen.
Verweer
2.2 Verweerders verzoeken het wrakingsverzoek af te wijzen waartoe het volgende wordt aangevoerd.
2.3 Volgens verweerders is er geen sprake van een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof. Waarop verzoeker baseert dat het hof partijdig of racistisch is, is voor verweerders niet duidelijk. De voorzitter heeft verzoeker een aantal keren onderbroken om verzoeker uit te leggen wat het kader van de zitting zou zijn, maar verzoeker wilde de voorzitter niet aan het woord laten. Verzoeker heeft zijn pleitaantekeningen voorgedragen. De voorzitter onderbrak verzoeker daarna alleen als hij bij de beantwoording van nadere vragen te breed uitweidde over zaken die voor de beoordeling van de klacht niet aan de orde zijn (zoals de onderliggende strafzaak waarin verweerster verzoeker bijstond en het handelen van de deken). Onduidelijk is wat verzoeker bedoelt met de term ‘misschien onwelgevallige procespartij’ en waarop hij dat baseert. Verweerders kunnen niet plaatsen dat zij volgens verzoeker emotioneel waren en een vooringenomen standpunt hadden en of dat laatste voor alle leden gold of alleen de voorzitter. Dat geldt ook voor de wrakingsgrond dat verweerders de corrupte griffier, die een persoonlijke vete tegen verzoeker heeft, onvoorwaardelijk steunen.
repliek
2.4 Volgens verzoeker is er sprake van een crisis bij de dekens, de raad van discipline en het hof van discipline en door hun hardnekkige onwil om deze crisis te accepteren, wordt dit structureel onzichtbaar gemaakt. Eerdere beslissingen in zijn dossiers zijn volgens verzoeker doelbewust doorgedrukt door raadsheren die eerder al door verzoeker waren gewraakt en dat bevestigt volgens verzoeker de structurele onzuiverheid van de besluitvorming. Verzoeker legt ter onderbouwing van de door hem gestelde obstructie drie genummerde stukken over die verzoeker ter zitting wil toelichten en ontleden. Verzoekster stelt dat zijn wrakingsverzoek de fundamentele aantasting van de rechterlijke onpartijdigheid en onafhankelijkheid raakt (artikel 6 EVRM) en voert daartoe (samengevat) aan:
- het proces-verbaal is feitelijk onjuist en verweerster in de hoofdzaak was niet
fysiek aanwezig op zitting maar digitaal. Dit is een schending van het beginsel van
equality of arms;
- er is sprake van onverenigbare dubbelrollen en belangenverstrengeling omdat mr.
K werkzaam is bij de raad van de discipline en als privacy officer optreedt van het
hof van discipline. Verzoeker kan een griffier of privacy officer niet wraken waarmee
het ambtelijk apparaat zich in een onschendbare positie waant en het hof nalaat om
hierin corrigerend op te treden;
- mr. U ontmoedigt verzoeker actief om rechtsmiddelen aan te wenden;
- verzoeker is een onwelgevallige procespartij wiens tijdig ingediend bewijs wordt
geweigerd;
- tijdens de zitting was er sprake schending van hoor en wederhoor (zijn inbreng
werd volgens verzoeker gebagatelliseerd), rechterlijke distantie en ongepaste observatie.
De zitting werd volgens verzoeker gekenmerkt door een intimiderende sfeer waarbij
een derde pal naast verzoeker werd geplaatst wat een onveilige zittingsomgeving creëerde;
- tijdens de zitting was er sprake van willekeur, ontoereikende dossierkennis en
procedurele nalatigheid. Verweerders passen de eigen regelgeving niet consequent toe
en dragen onvoldoende kennis van de systematiek en onderzoeksmethoden van de deken;
- vermoeden van institutionele vooringenomenheid (racisme).
geen dupliek
2.5 Verweerders hebben geen reactie gestuurd op de repliek met bijlagen van verzoeker.
toetsingskader
2.6 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164).
2.7 Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoeker belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van het lid van het hof door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
2.8 Daarnaast geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door een lid van het hof / het hof gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste (proces)beslissingen.
beoordeling
2.9 Het hof ziet in de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden geen aanleiding
het wrakingsverzoek toe te wijzen. Verzoeker benoemt in zijn wrakingsgronden dat hij
de zitting op
3 maart 2026 als partijdig heeft ervaren. Partijdigheid en vrees voor vooringenomenheid
is alleen een toewijzingsgrond van een wrakingverzoek indien de vrees hiervoor objectief
gerechtvaardigd is.
Dat is hier niet het geval. Het feit dat er tijdens de zitting op 3 maart 2026 vragen
werden gesteld door het hof aan verzoeker en/of anderszins (door de voorzitter) enige
sturing werd gegeven aan het verloop van de zitting, leidt op zichzelf niet tot de
conclusie dat de tuchtrechters wier wraking wordt verzocht bevooroordeeld en/of vooringenomen,
laat staan racistisch zouden zijn.
2.10 Het hof ziet in wat verzoeker in zijn repliek heeft aangevoerd geen reden om tot een andere beslissing te komen, nog daargelaten dat het aanvullen van wrakingsgronden niet mogelijk is (artikel 2.4 wrakingsprotocol).
2.11 Verzoeker heeft, naast zijn wrakingsverzoek op 3 maart 2026 in de hoofdprocedure, op 9 april 2026 een verzoek tot wraking ingediend tegen de voorzitter van de onderhavige kamer en tijdens de zitting op 11 mei 2026 heeft verzoeker opnieuw een verzoek tot wraking gedaan van dezelfde voorzitter alsook van de andere twee leden van de behandelend kamer.
2.12 Het hof is van oordeel dat verzoeker het wrakingsmiddel (heeft) gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven en daarmee misbruik maakt van dit rechtsmiddel. Het hof ziet daarin aanleiding te bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling behoeft te worden genomen wegens misbruik van recht (artikel 3.1 onder b van het wrakingsprotocol).
3 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
3.1 verklaart het wrakingsverzoek van 3 maart 2026 van verzoeker ongegrond.
3.2 bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek bevond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter,
mrs. J.W.M. Tromp en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle,
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 6 juli 2026.