We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:203 Hof van Discipline 's Gravenhage 260116

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:203
Datum uitspraak: 03-07-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): 260116
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Voor de vordering van klaagster is de kantonrechter bevoegd. Het is dus geen zaak waarvoor vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven.

Beslissing van 3 juli 2026

in de zaak 260116

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster          

gemachtigde J. van der Wielen te Tilburg

tegen:

mr. E.W.J. de Groot

Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Zeeland-West-Brabant

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 2 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing - kort weergegeven - ten grondslag gelegd dat de kantonechter bevoegd is om te oordelen over de vordering van klaagster en dat in die procedure geen vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven.

Bij het hof

1.3 Klaagster heeft op 3 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek.

1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klaagster heeft op 22 september 2025een overeenkomst gesloten met Bewindvoering N BV (hierna: BN) met de bedoeling haar schulden te saneren. Zij is van mening dat de gemaakte afspraken door BN niet werden nagekomen en heeft daarom de overeenkomst met BN op 10 november 2025 opgezegd. De overeenkomst met BN is uiteindelijk (nadat BN daarmee instemde) eind december 2025 geëindigd. Klaagster wenst BN en de bij BN betrokken natuurlijke personen/bestuurders in rechte te betrekken.

2.2 Klaagster stelt schade geleden te hebben en heeft een berekening daarvan overgelegd. Volgens deze berekening heeft BN in totaal een bedrag van € 2.787,34 ontvangen (2x nettosalaris klaagster ad € 1.293,67 + 2x toeslag belastingdienst ad € 100,00). Daarvan heeft BN een bedrag van € 903,17 vrijgegeven aan klaagster voor de primaire levensbehoeften. Klaagster stelt dat zij voor het resterende bedrag schade heeft geleden, omdat BN ten onrechte € 1.236,50 heeft ingehouden aan kosten (opstartkosten en budgetbeheer) en het restantbedrag van € 647,67 niet heeft verantwoord. Dat laatste bedrag is op de rekening van BN is blijven staan en ondanks sommaties niet aan klaagster uitbetaald.

2.3 Op de schulden van klaagster is niet afbetaald. Gedurende de loop van de overeenkomst zou de schuldenlast van klaagster met € 4.132,75 zijn toegenomen. Met nog enkele posten vervolgschade berekent klaagster haar materiële schade in totaal op € 10.129,49. Zij stelt verder immateriële schade geleden te hebben tot een totaalbedrag van € 10.000,00. In totaal bedraagt de schade van klaagster € 20.129,49.

2.4 De schadeberekening bevat daarnaast kostenposten (materieel en immaterieel) van klaagsters partner (haar gemachtigde in deze procedure) tot een totaalbedrag van € 16.000,28. Het gaat onder andere om kosten die hij voor klaagster heeft voorgeschoten. Ook is hierin een post immateriële schade (€ 3.000,00) opgevoerd naast de (kosten voor de) tijd die klaagsters gemachtigde heeft besteed aan onderzoek naar BN en met haar gelieerde ondernemingen en natuurlijke personen (ca. € 7.300,00).

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft de navolgende beklaggronden aangevoerd.

  1. Onjuiste toepassing van art. 93 Rv en miskenning hoofdelijke vordering.

De deken heeft ten onrechte de “totale integrale claim” van € 36.129,77 van klaagster en haar gemachtigde in tweeën gesplitst, wat feitelijk en juridisch onjuist is. Klaagster en haar gemachtigde stellen BN en haar bestuurders op grond van art. 6:166 BW (groepsaansprakelijkheid) hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor dit ondeelbare bedrag. Art. 94 lid 1 Rv bepaalt dat bij objectieve cumulatie in één zaak het totale beloop van de vordering beslissend is voor de competentie.

Daarnaast hebben klaagster en haar gemachtigde een vordering van onbepaalde waarde (een vordering tot rekening en verantwoording), die tot de bevoegdheid van de rechtbank behoort. De kantonrechter is dan ook niet bevoegd.

  1. Negeren van de dwingende noodzaak tot conservatoir beslag.

Klaagster heeft expliciet gewezen op de acute noodzaak om conservatoir beslag te leggen wegens het risico op verduistering via de aangetoonde bedrijvencarrousel. Daarvoor is een advocaat nodig.

De deken heeft inmiddels een advocaat aangewezen voor het leggen van conservatoir beslag, waarmee hij impliciet heeft erkend dat de hoofdvordering wel degelijk kans van slagen heeft. Dit creëert echter een onwerkbare situatie: als het beslag gelegd wordt, moet daarna op korte termijn de bodemprocedure aanhangig worden gemaakt, waarvoor de advocaat niet is aangewezen. Als het beslag niet haalbaar blijkt, is sprake van verspilling van tijd en geld voor een taak die de deken zelf had moeten verrichten.

  1. Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsgebrek.

De beslissing bevat feitelijke onjuistheden en aannames. De deken heeft de actuele feiten uit 2026 verward met data uit het verleden, wat duidt op een gebrek aan zorgvuldig onderzoek. Het dossier is ten onrechte gereduceerd tot een casus waarbij louter 'gemaakte afspraken niet zijn nagekomen". Hiermee worden de daadwerkelijke straf- en civielrechtelijke complexiteit van de feiten en de noodzaak van gespecialiseerde procesvertegenwoordiging miskend.

De deken heeft ook zonder enige toelichting gesteld dat de toewijzing van enkele schadeposten hem "twijfelachtig" lijkt, waarbij de deken ten onrechte en ongemotiveerd op de stoel van de civiele rechter is gaan zitten. Alleen de rechter mag over causaliteit en toewijsbaarheid van schadeposten oordelen.

  1. Miskenning van de complexiteit en het recht op toevoeging.

De deken erkent dat er ook een advocaat kan worden aangewezen als men in aanmerking komt voor een toevoeging, maar past dat niet toe. Het gaat hier om een uiterst complexe procedure (met bestuurdersaansprakelijkheid) en dan is het onredelijk en in strijd met art. 6 EVRM om te verwachten dat benadeelde burgers dat zonder gespecialiseerde advocaat zelfstandig bepleiten.

  1. Feitelijke ontzegging toegang tot de rechter (financiële drempel).

Door de vordering ten onrechte te splitsen en klaagster zonder toevoeging naar de kantonrechter te verwijzen, heeft de deken een onneembare financiële drempel opgeworpen voor klaagster. Klaagster en haar gemachtigde moeten daardoor (niet efficiënt) twee afzonderlijke procedures starten en tweemaal griffierechten en deurwaarderskosten uit eigen middelen voorschieten. De vordering van klaagsters gemachtigde is een afgeleide vordering, waarvoor hij zelf (op grond van wanprestatie) geen grondslag heeft. Hierdoor wordt beiden de fundamentele toegang tot de rechter feitelijk ontzegd.

Verweer

3.2 De deken heeft uit het klaagschrift begrepen dat klaagster ook wilde dat een advocaat zou worden aangewezen voor het vragen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag. Daarover had de deken op 2 april 2026 niet beslist. De deken heeft op 16 april 2026 alsnog een advocaat aangewezen om te onderzoeken of er voldoende rechtsgrond bestaat voor het leggen van beslag en zo ja, om verlof te vragen om conservatoir beslag te leggen. Die aanwijzing heeft geen betrekking op een eventuele bodemprocedure.

3.3 Klaagster is de contractspartij van BN en degene die om aanwijzing van een advocaat heeft gevraagd. Haar gemachtigde heeft zich later als zodanig voor klaagster gesteld. Zijn persoonlijke belangen zijn niet relevant voor de beslissing op het aanwijzingsverzoek en ook niet in de onderhavige procedure.

3.4 De deken heeft naar aanleiding van de beklaggronden verder nog het volgende aangevoerd:

  1. Er is sprake van twee aparte vorderingen (één van klaagster en één van haar gemachtigde), die ieder voor zich onder de competentiegrens van de kantonrechter blijven. Artikel 94 geldt niet voor samengevoegde zaken. Samenvoegen is een keuze, die klaagster niet hoeft te maken en dus niet leidt tot een verplichte vertegenwoordiging door een advocaat.

Artikel 6:166 BW ziet op meerdere aansprakelijke personen en niet op meerdere eisers. Zaken over vorderingen van onbepaalde waarde horen ook tot de competentie van de kantonrechter, als er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de waarde niet meer dan € 25.000,00 bedraagt. Het gaat hier om een bewindvoeringsovereenkomst die nog geen twee maanden heeft bestaan en waarmee bedragen waren gemoeid, die ruim onder de competentiegrens van de kantonrechter blijven.

  1. Aan dit bezwaar is de deken tegemoetgekomen door alsnog een advocaat aan te wijzen voor het beslag. Dat impliceert niet dat de vordering daadwerkelijk kans van slagen heeft. De al dan niet aanwezige kans van slagen van de vordering is bovendien niet de reden van de afwijzing geweest.

De hoofdzaak wordt niet belemmerd door het aanwijzingsbesluit, omdat klaagster de termijnen kent en daarmee rekening kan houden.

  1. Twee jaartallen zijn onjuist weergegeven. Dat is een verschrijving die geen invloed heeft gehad op de overwegingen. De overige bezwaren van klaagster doen niet af aan het feit dat de afwijzing is gebaseerd op de vaststelling dat de vordering onder de toepasselijke competentiegrens blijft. Los daarvan ziet de deken geen grond voor de (buitensporige) immateriële schadevordering en de opgevoerde kosten voor eigen inspanningen en onderzoek.
  2. De deken gaat niet over de vraag of een rechtzoekende in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand en heeft zich daar ook niet over uitgelaten.
  3. Aan klaagster is de toegang tot de rechter niet ontzegd. Zij kan zelf procederen bij de kantonrechter of zich laten bijstaan door een juridisch geschoolde derde die geen advocaat is.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Overwegingen

4.2 Aan het verzoek van klaagster tot aanwijzing van een advocaat ligt de gestelde wanprestatie door BN in de uitvoering van de overeenkomst tussen BN en klaagster ten grondslag. Klaagster stelt door het handelen van BN schade geleden te hebben en berekent dat bedrag op ruim € 20.000,00. Vast staat dat vorderingen van deze hoogte aanhangig moeten worden gemaakt bij de kantonrechter. Het feit dat bij de kantonrechter geen rechtsbijstand van een advocaat nodig is, is een reden voor afwijzing van het aanwijzingsverzoek.

  4.3 Klaagster wil van BN ook rekening en verantwoording vragen, wat een vordering van onbepaalde waarde is. Zij stelt dat deze vordering bij de rechtbank moet worden ingediend, waarvoor wel de bijstand van een advocaat nodig is. Vast staat echter dat BN in totaal € 2.787,34 van aan klaagster toekomende gelden onder zich heeft gehad, waarvan maximaal een bedrag van € 1.1884,17 (het niet aan klaagster doorbetaalde gedeelte) te verantwoorden valt. Ook hier gaat het dus zonder enige twijfel om een vordering die geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,- en dus binnen de bevoegdheid van de kantonrechter valt.

4.4 Daarnaast stelt klaagster dat haar partner/gemachtigde ook schade heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van BN jegens klaagster en dat de vordering van de gemachtigde bij de vordering van klaagster moet worden opgeteld. Ook dat zou betekenen dat de procedure moet worden gevoerd bij de rechtbank, omdat de totale vordering boven de competentiegrens van de kantonrechter uitkomt. Klaagster doet hierbij een beroep op artikel 94 Rv (op cumulatie van vorderingen). Klaagster miskent dat artikel 94 Rv alleen ziet op zogeheten ‘objectieve cumulatie’, dat wil zeggen op het geval dat klaagster tegen één gedaagde in één dagvaarding meerdere vorderingen instelt. Die worden dan bij elkaar opgeteld voor het bepalen van de bevoegdheid van de rechter. Artikel 94 Rv ziet echter niet op “subjectieve cumulatie”, waar het in geval van klaagster om gaat (meerdere eisers tegenover één gedaagde). In dat geval worden de vorderingen van de meerdere eisers niet bij elkaar opgeteld voor het bepalen van de bevoegdheid van de rechter. In een dergelijke situatie moet afzonderlijk voor elke eiser tegen de gedaagde worden bepaald welke rechter bevoegd is. De deken heeft artikel 94 Rv dan ook juist toegepast en terecht geoordeeld dat voor de vordering van klaagster tegen BN de kantonrechter bevoegd is. Het gaat dus niet om een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven, zoals artikel 13 Advocatenwet vereist.

4.5 De conclusie uit het bovenstaande is dat het beklag ongegrond is. Wat klaagster verder nog heeft aangevoerd, doet daaraan niet af.  

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 26 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 .

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 3 juli 2026.