ECLI:NL:TAHVD:2026:202 Hof van Discipline 's Gravenhage 260110
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:202 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2026 |
| Datum publicatie: | 16-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260110 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag art 13 Advocatenwet ongegrond. Al tweemaal eerder een advocaat aangewezen voor procedures in het kader van hetzelfde feitencomplex. Onvoldoende kans van slagen van de thans door klager gewenste procedure. |
Beslissing van 3 juli 2026
in de zaak 260110
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. W.H.H. Timmermans
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Gelderland
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat
als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 9 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager zijn ex-echtgenote failliet wil laten verklaren, maar dat niet is gebleken dat aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan (namelijk dat de schuldenaar is gestopt met betalen en twee of meer schulden heeft bij verschillende schuldeisers, waarvan minimaal één schuld opeisbaar is).
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 20 maart 2026 een klacht tegen de deken ingediend. Op 31
maart 2026 is namens de deken aan het Hof van Discipline (hierna: het hof) verzocht
om deze klacht te verwijzen. Op 8 april 2026 heeft het hof partijen bericht dat het
hof de klacht van klager beschouwt als een beklagschrift op grond van artikel 13 Advocatenwet
tegen de beslissing van de deken van 9 maart 2026 bij het hof. Het hof heeft klager
in de gelegenheid gesteld zijn beklag nader toe te lichten.
1.4 Verder bevat het dossier:
- de toelichting van klager op het beklag van 28 april 2026;
- het verweer van de deken;
- de repliek van klager, bestaande uit zijn e-mails van 13 en 16 mei 2026;
- de dupliek.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 In 2023 heeft de ex-echtgenote van klager (hierna: de vrouw) een echtscheidingsverzoek met nevenverzoeken ingediend bij de rechtbank. Klager heeft in die procedure verweer gevoerd. De rechtbank heeft op 1 november 2023 de echtscheiding uitgesproken, de beslissing over de vermogensrechtelijke afwikkeling aangehouden en op de overige verzoeken beslist.
2.2 De vrouw heeft hoger beroep ingesteld van de echtscheidingsbeschikking. Klager heeft op 25 maart 2024 incidenteel hoger beroep ingesteld. Blijkens de hierna (in 2.4) te bespreken uitspraak van de rechtbank van 5 december 2024 heeft het gerechtshof bij beschikking van 16 juli 2024 klager in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Niet duidelijk hoe deze hoger beroepsprocedure verder verlopen is.
2.3 De vrouw heeft de echtscheidingsbeschikking op 19 april 2024 laten inschrijven in de openbare registers. Klager is van mening dat die inschrijving nietig en onrechtmatig is en heeft bij de rechtbank doorhaling van de inschrijving gevorderd. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de inschrijving rechtsgeldig is. Kennelijk loopt hierover nog (ten minste) een procedure.
2.4 De rechtbank heeft op 5 december 2024 uitspraak gedaan over de vermogensrechtelijke
afwikkeling tussen klager en de vrouw. Bij beschikking van 15 januari 2025 heeft de
rechtbank deze beschikking aangevuld. Uit deze uitspraken blijkt het volgende:
- Partijen waren op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Klager stelde een vordering
te hebben op de vrouw van € 65.000,- uit zijn privévermogen, welk bedrag in de woning
van de vrouw was geïnvesteerd. Klager stelde voorts dat zijn vordering moest worden
vermeerderd met rente, opbrengsten en/of winst vanaf de datum van investering.
- De rechtbank heeft de vordering geaccepteerd en vastgesteld op welke wijze
de uiteindelijke vordering van klager moest worden berekend. Een concrete berekening
kon de rechtbank niet maken, omdat meerdere variabelen in de berekening de rechtbank
niet bekend waren. Onder andere diende de woning nog getaxeerd te worden (r.o. 4.6).
- Op de vordering van klager moeten volgens de rechtbank twee (voorschot)betalingen
van de vrouw aan de man van elk € 10.000,- in mindering worden gebracht (r.o. 4.10).
- Als peildatum voor de afrekening heeft de rechtbank 19 april 2024 gehanteerd.
- De rechtbank heeft verder bepaald welke overige bestanddelen van het vermogen
in de verrekening tussen partijen moeten worden betrokken en op welke wijze dat dient
te geschieden.
2.5 Wat er na de beslissing van de rechtbank van 5 december 2024 (al dan niet procedureel) is gebeurd, is niet duidelijk. Kennelijk heeft de vermogensrechtelijke afwikkeling (nog) niet plaatsgevonden.
2.6 De deken heeft op verzoek van klager op 11 maart 2025 op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aangewezen om klager bij te staan in een hoger beroepsprocedure tegen de ex-echtgenote. Niet duidelijk is om welke hoger beroepsprocedure het gaat.
2.7 De deken heeft op verzoek van klager op 23 januari 2026 op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aangewezen naar aanleiding van een vonnis in kort geding, eveneens in een (gerelateerde) procedure met de ex-echtgenote als wederpartij.
2.8 Klager wenst nu (opnieuw) aanwijzing van een advocaat. Hij stelt een opeisbare vordering te hebben op de vrouw van € 65.000,- en wil een faillissementsverzoek indienen, omdat zij nalaat de vordering te betalen. Klager stelt dat deze vordering al sinds 2022 niet is voldaan en dat alle procedures die er in de tussentijd zijn geweest op enigerlei wijze herzien moeten worden.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij heeft
de navolgende beklaggronden aangevoerd.
1. Onvoldoende rekening gehouden met inspanningen klager
Klager heeft aantoonbaar een groot aantal advocaten benaderd, welke allen hebben
geweigerd de zaak in behandeling te nemen. Dit blijkt uit de overgelegde correspondentie.
Daarmee is voldaan aan de vereisten voor aanwijzing ex artikel 13 Advocatenwet.
2. Onjuiste beoordeling noodzaak rechtsbijstand
De zaak betreft een faillissementsaanvraag tegen een natuurlijke persoon, waarvoor
bijstand van een advocaat feitelijk noodzakelijk is. Zonder advocaat is klager niet
in staat zijn rechten geldend te maken. De deken verwijst ten onrechte naar de twee
eerdere verzoeken van klager tot aanwijzing van een advocaat. Beide advocaten hebben
de procedures niet op correcte wijze aangepakt.
3. Feitelijke ontzegging toegang tot rechtsbijstand
Door de afwijzing wordt klager feitelijk de toegang tot rechtsbijstand ontzegd,
nu hij ondanks aantoonbare inspanningen geen advocaat kan verkrijgen.
4. Onvoldoende motivering
De beslissing van de deken bevat geen, althans onvoldoende, concrete en toetsbare
motivering waarom geen advocaat wordt aangewezen, ondanks de evidente noodzaak en
de inspanningen van klager.
Klager heeft stukken aangeleverd, nadere toelichtingen gegeven en aanvullende stukken
gestuurd. Hij heeft daarbij ook meermaals gevraagd of de aangeleverde informatie voldoende
was en of alle benodigde stukken aanwezig waren. Voor zover de deken meende dat de
stukken onvoldoende waren, had het op zijn weg gelegen om aan te geven welk stuk ontbrak
of welk onderdeel nog nadere onderbouwing behoefde. Dat is niet gebeurd.
5. Onevenredige gevolgen
Als gevolg van de afwijzing heeft klager concrete schade geleden, waaronder het
moeten intrekken van een procedure met aanzienlijke financiële gevolgen.
Verweer
3.2 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
Overwegingen
4.2 Het feit dat klager niet zelf een advocaat heeft kunnen vinden voor de door
hem gewenste procedure, staat niet ter discussie. Ook staat niet ter discussie dat
een faillissementsverzoek moet worden ingediend door een advocaat en dat klager bij
deze procedure een advocaat nodig heeft. De deken heeft het aanwijzingsverzoek van
klager afgewezen op andere gronden, in het bijzonder omdat – zo begrijpt het hof –
klager onvoldoende heeft aangetoond dat de door hem gewenste procedure redelijke kans
van slagen heeft.
4.3 Bij de beoordeling is van belang dat de voorziening van artikel 13 Advocatenwet geen absolute waarborg is voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter is niet absoluut, maar mag aan verschillende beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Daarbij geldt verder dat een deken niet gehouden is nog een advocaat aan te wijzen als hij dat al heeft gedaan en de aangewezen advocaat niet aan al de wensen van een klager tegemoet komt. (zie HvD, 21 april 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:68)
4.4 Uit de vastgestelde feiten en al hetgeen klager verder heeft aangevoerd, blijkt dat sprake is van een gecompliceerde echtscheidingskwestie, waarin zich tal van verwikkelingen hebben voorgedaan (en nog voordoen) en waarin meerdere procedures zijn gevoerd (en mogelijk nog steeds lopen). In het kader van deze problematiek heeft de deken inmiddels tot twee keer toe een advocaat aangewezen. Beide keren is de aangewezen advocaat kennelijk niet bereid geweest om aan de wensen van klager tegemoet te komen en heeft dat geleid tot een beëindiging van de rechtsbijstand. Ook het huidige verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat houdt verband met dezelfde problematiek. Alleen al dat levert naar het oordeel van het hof een gegronde reden op om het aanwijzingsverzoek van klager af te wijzen, nu voor hetzelfde feitencomplex niet éénmaal, maar zelfs tweemaal eerder een advocaat is aangewezen. Dat het om een nieuwe en andere procedure gaat, doet niet af aan het feit dat het verzoek nog steeds binnen hetzelfde feitencomplex valt, waarvoor al tweemaal een advocaat is aangewezen.
4.5 Het hof is voorts van oordeel dat de deken terecht serieuze vraagtekens heeft geplaatst bij de haalbaarheid van de door klager gewenste procedure. Klager heeft geen concrete steunvordering aangedragen, wat wel nodig is. Om een redelijke kans te hebben tot toewijzing van een verzoek om faillietverklaring is vereist dat iemand meerdere schuldeisers heeft die hij onbetaald laat. Verder staat, anders dan klager stelt, de hoogte van zijn vordering niet (voldoende) vast, alleen al omdat niet duidelijk is of de beschikking van de rechtbank in stand is gebleven en hoe de variabelen in de berekening zijn (of moeten worden) ingevuld. Ook is niet duidelijk of klagers vordering opeisbaar is: klager stelt zelf immers dat alle rechterlijke beslissingen (dus ook de beschikking van de rechtbank van 4 december 2024) moeten worden herzien.
4.6 De conclusie uit het bovenstaande is dan ook dat de deken het verzoek van klager terecht heeft afgewezen. Op grond van de beschikbare informatie kan niet worden gesteld dat een faillissementsverzoek tegen de ex-echtgenote van klager redelijke kans van slagen heeft.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 9 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 juli 2026.
De beslissing is hersteld met de aangehechte herstelbeslissing van 10 juli 2026.