ECLI:NL:TAHVD:2026:201 Hof van Discipline 's Gravenhage 260103
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:201 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2026 |
| Datum publicatie: | 03-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260103 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag art 13 Advocatenwet ongegrond. Onvoldoende kans van slagen. De door klager aan de deken te verstrekken gegevens moeten ten minste een begin van bewijs voor zijn stellingen vormen om in aanmerking te komen voor aanwijzing van een advocaat. In deze zaak zijn in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor een redelijke kans van slagen van de door klager gewenste procedure. |
Beslissing van 3 juli 2026
in de zaak 260103
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen en mr. J.H. Stek
Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet om een procedure, in het bijzonder een kortgeding, te kunnen starten tegen twee banken, waarbij een bank heeft aangekondigd zijn rekening te zullen sluiten.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 26 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager de door hem gestelde vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom acht de deken de slagingskans van een procedure in kort geding onvoldoende om daarvoor een advocaat aan te wijzen.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 31 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft geschillen met R Bank UAB (hierna R) en B B.V. (hierna B), Klager heeft bij beide banken zogenaamde chargeback-verzoeken ingediend, die zijn afgewezen. Een chargeback-verzoek houdt in dat een rekeninghouder via zijn bank een eerder gedane creditcard- of bankpasbetaling betwist en het geld terugvordert.
2.2 Klager heeft vooral bij R vele chargeback-verzoeken ingediend inzake “Nexo” transacties en zich beklaagd over ook anderszins volgens hem ten onrechte afgeschreven bedragen. Het gaat om meerdere posten en meerdere verkopers/begunstigden. Een enkel verzoek werd gehonoreerd, vele niet. R heeft de bankrelatie met klager opgezegd tegen 2 april 2026, waarbij zij heeft aangegeven dat zij vermoedt dat klager misbruik maakt van de chargebackmogelijkheden.
2.3 Bij B gaat het volgens klager om twee chargeback-verzoeken, die niet zijn gehonoreerd.
2.4 Klager meent dat de chargeback verzoeken ten onrechte zijn afgewezen en dat R de bankrelatie ten onrechte heeft opgezegd. Klager wil tegen beide banken een (kort geding) procedure starten.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert aan dat artikel 13 Advocatenwet niet bedoeld is als vehikel voor een volledige civielrechtelijke eindbeoordeling van bewijs, causaliteit en slagingskans en dat een te zware inhoudelijke toets juist de rechtsbescherming frustreert die artikel 13 Advocatenwet wil waarborgen. Dat volgt ook uit de functie van de regeling: zonder aanwijzing strandt de toegang tot de rechter, waar bijstand van een advocaat nodig is. Klager meent dat de deken een te vergaande toets heeft toegepast door een voorlopige inhoudelijke bewijswaardering en een kanseninschatting die eerder aan de civiele rechter en de aan te wijzen advocaat toekomt.
3.2 Daarbij komt dat de deken enerzijds om nadere stukken en correspondentie heeft gevraagd en anderzijds daarna heeft geoordeeld dat er geen begin van bewijs zou zijn. De door de deken gevraagde categorieën documentatie maken deel uit van de door klager aangeleverde stukken. De aanlevering was omvangrijk, omdat het dossier omvangrijk is. Het bestand van de meer dan 500 pagina's betreft de supportchat-correspondentie met R, die juist in het dossier thuishoort. Voor zover de door klager aangeleverde ZIP-bestanden technisch niet toegankelijk waren, had de deken concreet kunnen aangeven welke specifieke documenten nog ontbraken of in welk alternatief formaat deze gewenst waren. In plaats daarvan is de technische blokkade te veel tegen klager gebruikt. Een gerichte nadere uitvraag of herordening had meer voor de hand gelegen dan een afwijzing van toegang tot advocaatbijstand.
3.3 De zaak van klager is niet kansloos. Het geschil is concreet, actueel en spoedeisend, omdat R heeft aangekondigd de rekening van klager per 2 april 2026 te sluiten wegens vermeend misbruik van het chargebackrecht. Het R-dossier bevat een uitgebreide final response van 21 november 2025 over de Nexo-chargebacks met een opsomming van een lange lijst van afzonderlijk betwiste Nexo-transacties. Dit bevestigt juist dat sprake is van een omvangrijk en gespecificeerd geschil. Klager heeft bij R 27 chargebacks ingediend, terwijl de afwijzing niet per afzonderlijke betwiste transactie op inzichtelijke wijze is onderbouwd. De chargebacknotities met ARN-codes en reason-codes onderstrepen dat het gaat om concrete dispute-administratie en kaartnetwerksporen, die juridisch en technisch moeten worden geduid. Klager heeft een onderbouwd fraudestandpunt ingenomen en R heeft ontvangst van de fraudemelding bevestigd. Ten aanzien van B ligt er een final response waarin B klagers transacties categorisch onder 'crypto of investment activities' schaart en op die grond een terugbetaling weigert. Ook dat is een concrete, juridisch toetsbare beslissing van een bank. De sluiting door Kifid van de klachtdossiers maakt klagers civiele zaak niet kennelijk kansloos. Hierdoor heeft alleen een inhoudelijke behandeling bij Kifid niet plaatsgevonden. Klager heeft voldaan aan de maatstaf door te laten zien dat zijn vordering serieus, verdedigbaar en niet evident ongegrond is. Het onderliggende geschil vergt specialistische beoordeling en kan niet worden afgedaan als bij voorbaat kansloos. De banken beschikken over informatie, die klager zelf niet kan opeisen, terwijl juist daarin mogelijk doorslaggevend bewijs te vinden is.
3.4 Klager heeft aantoonbaar niet zelf een advocaat kunnen vinden om de zaak te behandelen. Effectieve toegang tot de rechter zonder aangewezen – gespecialiseerde – advocaat is illusoir. De zaak is bovendien spoedeisend vanwege de opheffing van klagers rekening bij R per 2 april 2026.
Verweer
3.5 De deken heeft aangevoerd dat niet ter discussie staat dat klager niet zelf een advocaat heeft kunnen vinden en evenmin dat hij een advocaat nodig heeft voor het voeren van een kort geding. De deken moet in het kader van een verzoek tot aanwijzing van een advocaat echter ook onderzoek doen naar de haalbaarheid van de procedure die klager voor ogen heeft. De deken is niet gehouden tot aanwijzing over te gaan als een procedure geen redelijke kans van slagen heeft. Als een procedure geen redelijke kans van slagen heeft, vormt dit een gegronde reden om het verzoek af te wijzen.
3.6 Ondanks herhaalde verzoeken heeft klager niet alle door de deken gevraagde informatie toegestuurd. In ieder geval ontving de deken niet alle gevraagde correspondentie tussen klager en B. Wel ontving de deken (herhaaldelijk) een grote hoeveelheid aan zeer omvangrijke stukken waar hij niet om had verzocht, waaronder door klager zelf opgestelde stukken. Dat maakte het lastig om het verzoek van klager en zijn belang bij een procedure te beoordelen. Klager heeft voldoende gelegenheid gekregen om de verzochte informatie aan te leveren. Duidelijk is dat niet alle verzochte correspondentie is toegestuurd.
3.7 De deken heeft klager bericht dat hij op basis van de verstrekte stukken geen begin van bewijs heeft aangetroffen dat de verschillende chargebackverzoeken van klager door R of door B hadden moeten worden gehonoreerd. Dat wil niet zeggen dat hij meent dat is gebleken dat klager de betreffende transacties zelf heeft geautoriseerd. Klager heeft zijn stelling dat er sprake is geweest van frauduleuze handelingen niet met enig bewijs onderbouwd en die bewijslast rust volgens de deken op klager. Klager heeft klachten ingediend bij het Kifid tegen R en tegen B. Die klachten zijn door het Kifid buiten behandeling gesteld vanwege de wijze waarop klager het Kifid heeft bejegend. De deken is tot de conclusie gekomen dat de procedure waarvoor door klager aanwijzing van een advocaat wordt gevraagd geen redelijke kans van slagen heeft. Hetgeen klager aandraagt in zijn beklagschrift maakt dat niet anders. Dat er door klager fraudemeldingen zijn gedaan, bewijst niet dat er daadwerkelijk sprake is geweest van frauduleuze handelingen. Klager stelt dat zijn zaak niet kansloos is, maar onderbouwt zijn vorderingen nog steeds niet met een begin van bewijs. Klager heeft geen advocaat nodig om informatie bij de banken op te vragen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Overwegingen
4.2 In deze zaak speelt slechts de vraag of de door klager gewenste procedure al dan niet een redelijke kans van slagen heeft. Dat tussen klager en R (en kennelijk ook tussen klager en B) een geschil bestaat en ook dat duidelijk is waarover het geschil gaat (meerdere afschrijvingen die de banken niet ongedaan willen maken en de beëindiging van de bankrelatie door R), zegt nog niets over de kans van slagen van een procedure. Deze feiten zijn dus niet voldoende voor aanwijzing van een advocaat. Waar het om gaat, is dat klager in de door hem gewenste procedure op zijn minst aannemelijk zal moeten maken en zo nodig zal moeten bewijzen dat de banken ten onrechte hebben geweigerd de betreffende transacties ongedaan te maken. Het is de taak van de deken om in het kader van een verzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet te toetsen of klager daarvoor concrete aanknopingspunten kan aandragen.
4.3 Met betrekking tot de kwestie B heeft klager twee e-mailberichten overgelegd, waaruit (voor zover al leesbaar) slechts blijkt dat B de cashbackverzoeken van klager heeft afgewezen. Klager heeft niets aangedragen wat een aanknopingspunt kan zijn voor het standpunt dat de beslissing van B niet juist is geweest.
4.4 Klager heeft een enorme hoeveelheid documentatie overgelegd. Een deel van die documentatie heeft betrekking op de gevolgen die klager stelt te hebben ondervonden van de handelwijze van de banken, zoals dat hij dakloos is geworden. Die informatie is, hoe verdrietig ook, niet relevant voor de vraag of de banken al dan niet terecht de chargebackverzoeken van klager hebben geweigerd. De door klager opgestelde memo’s en andere notities hebben voor die vraag evenmin een relevante betekenis, nu die stukken niet meer dan klagers eigen mening weergeven. Een concrete onderbouwing van de juistheid van die mening aan de hand van nadere documentatie ontbreekt echter.
4.5 Klager gaat er volgens zijn stukken vooral vanuit dat de banken “niet onomstotelijk hebben aangetoond” dat de chargebackverzoeken onterecht waren. Dat is echter niet het juiste criterium: het ligt juist op de weg van klager, die stelt dat de afschrijvingen ten onrechte hebben plaatsgevonden, om concrete feiten en gegevens te verstrekken ter onderbouwing van zijn stelling dat de afschrijvingen ten onrechte hebben plaatsgevonden. Die gegevens moeten ten minste een begin van bewijs voor zijn stellingen vormen om in aanmerking te komen voor aanwijzing van een advocaat, die zou kunnen beoordelen of een procedure redelijke kans van slagen heeft. Het hof heeft echter net als de deken in de door klager overgelegde stukken nog geen begin van bewijs aangetroffen voor de juistheid van de stellingen van klager.
4.6 Hiermee heeft, anders dan klager meent, geen “volledige civielrechtelijke eindbeoordeling van bewijs, causaliteit en slagingskans” plaatsgevonden, maar slechts een beoordeling van de vraag of in het dossier voldoende aanknopingspunten te vinden zijn voor een redelijke kans van slagen van de door klager gewenste procedure. Dat is in deze zaak niet het geval. De deken had een gegronde reden om het verzoek van klager af te wijzen. Het beklag van klager is ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 26 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 juli 2026.