ECLI:NL:TAHVD:2026:200 Hof van Discipline 's Gravenhage 250362
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:200 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2026 |
| Datum publicatie: | 03-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250362 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft een klacht ingediend over de advocaat van zijn ex-partner. Hij is met zijn ex-partner verwikkeld in een procedure over de beëindiging van hun samenlevingscontract en de omgang met hun kinderen. De klacht betreft door verweerder gekozen bewoordingen en uitlatingen in een conclusie van antwoord en tijdens een zitting bij de rechtbank. De raad van discipline Den Haag heeft overwogen dat, hoewel het de voorkeur had verdiend als verweerder zich minder scherp en ferm had uitgedrukt, geen sprake is van onnodig grievende bewoordingen en uitlatingen, gelet op de context waarin verweerder de bewuste bewoordingen heeft gebruikt en de uitlatingen heeft gedaan. De klacht is door de raad dan ook ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft klager hoger beroep ingesteld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. |
Beslissing van 3 juli 2026
in de zaak 250362
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
gemachtigde: mr. J.E. Kötter
tegen:
ve rweerder
gemachtigde: mr. M.R. de Kok
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht ingediend over de advocaat van zijn ex-partner. Hij is met zijn ex-partner verwikkeld in een procedure over de beëindiging van hun samenlevingscontract en de omgang met hun kinderen. De klacht betreft door verweerder gekozen bewoordingen en uitlatingen in een conclusie van antwoord en tijdens een zitting bij de rechtbank. De raad van discipline Den Haag heeft overwogen dat, hoewel het de voorkeur had verdiend als verweerder zich minder scherp en ferm had uitgedrukt, geen sprake is van onnodig grievende bewoordingen en uitlatingen, gelet op de context waarin verweerder de bewuste bewoordingen heeft gebruikt en de uitlatingen heeft gedaan. De klacht is door de raad dan ook ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft klager hoger beroep ingesteld. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (met zaaknummer 25-275/DH/RO) op 20 oktober 2025 een beslissing genomen. In deze beslissing is de klacht van klager op alle onderdelen ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:210 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 27 oktober 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder van 11 december 2025.
2.5 Het hof heeft de zaak behandeld tijdens de openbare zitting van 17 april 2026. Daar zijn klager en verweerder met zijn gemachtigde verschenen. De gemachtigde van klager heeft via een Teams-verbinding aan de zitting deelgenomen.
3 OMVANG VAN HET HOGER BEROEP
3.1 Het hoger beroep van klager is gericht tegen de beslissing van de raad op klachtonderdeel b). Omdat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep op grond van artikel 56 lid 3 Advocatenwet wordt bepaald door de beroepsgronden die binnen de beroepstermijn tegen de beslissing van de raad zijn aangedragen, zijn de andere klachtonderdelen a), c) en d) in hoger beroep dan ook niet meer aan de orde.
3.2 Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad. Dat betekent dat de klacht niet kan worden uitgebreid in hoger beroep. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). Voor de omschrijving van klachtonderdeel b) verwijst het hof naar de visie van de deken van 4 april 2025 (klachtonderdeel 2 op pagina 2), met welke omschrijving klager bij de mondelinge behandeling door de raad heeft ingestemd. Dat is de omschrijving zoals hierna onder 5 bij klachtonderdeel b) is opgenomen. Het betreffende klachtonderdeel houdt in dat verweerder onbewezen uitspraken zou hebben gedaan over een lopend zedenonderzoek tegen klager en een vermeende tweede melder. In de door klagers gemachtigde bij de deken ingediende reactie op het verweerschrift van 13 februari 2025 (de repliek) zijn echter ook andere uitlatingen van verweerder genoemd die volgens klager als onnodig grievend ten opzichte van hem dienen te worden aangemerkt. Ter zitting bij het hof heeft de gemachtigde van klager daarover opgemerkt dat hij vanaf het moment van indienen van de repliek bij de zaak betrokken is geraakt en dat klachtonderdeel b) in zijn visie meer uitlatingen van verweerder omvat dan alleen de uitingen over het lopende zedenonderzoek en de vermeende tweede melder. Het hof constateert dat de raad de klachtomschrijving niet heeft uitgebreid, maar de klacht blijkens de feitenomschrijving wel ruimer heeft beoordeeld, overeenkomstig de uitbreiding die de gemachtigde van klager daaraan in de repliek heeft gegeven. Het hof verstaat de klacht daarom zoals die in de repliek is verwoord en door de raad is beoordeeld.
4 FEITEN
4.1 Het hof neemt de feiten van de raad, voor zover in hoger beroep nog van belang, over omdat hiertegen geen grieven zijn aangevoerd, met dien verstande dat het hof de feiten onder 4.6 aanvult met de door klager verzochte toevoeging.
4.2 Klager is met zijn ex-partner verwikkeld in een procedure over de beëindiging van hun samenlevingscontract en de omgang met hun twee kinderen. Verweerder staat de ex-partner hierin bij.
4.3 Klagers ex-partner heeft aangifte tegen klager gedaan van zedenfeiten tegen haar en één van
hun dochters.
4.4 Op 5 december 2024 heeft bij de rechtbank Rotterdam een kort geding plaatsgevonden tussen klager en de ex-partner. In dat verband heeft verweerder namens de ex-partner een conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie (hierna: conclusie van antwoord) ingediend. Daarin heeft verweerder het volgende opgenomen:
“9. (…) De man was weinig thuis en droeg geen zorg voor de kinderen. Zodra de man thuis was,
was er een gespannen sfeer in huis. De kinderen hadden daardoor almaar meer last van
gedragsproblemen.
(…)
34. (…) Immers:
- de man vindt het kennelijk nodig om coke te snuiven waar de kinderen bij zijn (productie 12)
- de man gebruikt overmatig alcohol waarop meer dan eens niet-consensuele seks met de vrouw volgt
- (…)
- zelfs nu – bij het telefonische contact tussen vader en dochters – beeldbelt de man met zijn dochtertje terwijl er een fles glijmiddel in het zicht op zijn bureau staat (productie 14). De gelegitimeerde vraag van de vrouw is dan ook – mede in de context van de in de Veilig Thuis melding geuite zorgen betreffende de man – hoe zij het gedrag van de man moet duiden.
Uit de reactie op berichten van de vrouw aan de man – zo blijkt uit de Whatsapp berichten die als
productie worden overgelegd – kan niet blijken dat de man deze handelingen ontkent en betwist,
integendeel. Hieruit volgt eerder een bevestiging door de man van hetgeen de vrouw heeft
geconstateerd.
(…)
38. Hierbij komt nog dat de zorg die de man heeft betracht voor de kinderen immer zeer beperkt/
marginaal is geweest, Alle/ de zorg voor de minderjarige kinderen kwam en komt gewoon
overwegend neer op/ bij de vrouw, De man ontbeert eenvoudig de interesse en vaardigheden om
de kinderen het nodige te kunnen bieden. Dit heeft zeker te gelden voor [de dochter] die extra
aandacht en begeleiding nodig heeft in verband met de bij haar gediagnosticeerde autismespectrumstoornis.
(…)
47. [De dochter] heeft vanwege haar ASS (autismespectrumstoornis) (productie 16) en daarmee
gepaard gaande OCD en angsten speciale zorg nodig die de man niet kan bieden. Zijn
betrokkenheid bij de kinderen is altijd zeer gering/ marginaal geweest. De vrouw heeft sedert
jaren de voltijdse zorg voor de kinderen gehad en heeft deze nog steeds, en de man was/is
doorgaans bezig met zijn werk en andere dingen (uitgaan, drinken, hobby's, vrienden etc.).
(…)
60. De man acht zichzelf klaarblijkelijk ook niet in staat om de zorg te dragen voor de kinderen.
Op 4 september 2024 omstreeks 18:00 uur liep de vrouw langs de computer en zag dat de man
op ChatGPT over zijn kinderen schreef. De vrouw schrok van de inhoud van dit bericht (productie
18). Uit de vraag aan ChatGPT blijkt dat de man zich weinig competent toont in het dragen van
de zorg voor de kinderen en zeer zeker de extra zorg die zijn autistische dochter nodig heeft.
(…)
62. Dat de man stelt dat hij vaker alleen voor de kinderen zorg heeft gedragen, is behoudens
enige incidenten onjuist. De man heeft nimmer in substantiële mate zorg gedragen voor de
kinderen. De man stelt dit wel in zijn schriftelijke verklaring aan Veilig Thuis maar dit is apèrt
onjuist. De vrouw heeft moeten constaterend dat gehele reactie door de man is geschreven met
behulp van/door Al (ChatGPT). Op deze wijze - zo is voor te stellen - heeft de man een verklaring
kunnen schrijven waarmee hij mooi voor de dag kon komen (productie 19). De vrouw is ermee
bekend dat de man bij voortduring vragen omtrent beslissingen in zijn leven stelt aan ChatGPT
en dat hij ChatGPT zelfs als zijn vriend beschouwd.
(…)
65. De man kan (thans) geen veilige en rustige omgeving bieden aan de kinderen en heeft geen
ervaring om de kinderen voor langer dan een korte tijdsduur te verzorgen. Het gedrag van de
man, al dan niet onder invloed van drank en drugs is onberekenbaar. De man heeft suïcidale
gedachten en heeft seksueel grensoverschrijdend gedrag vertoond jegens de kinderen en de
vrouw waartoe thans onderzoek loopt.”
4.5 Als bijlage bij de conclusie van antwoord heeft verweerder onder meer een verzoekschrift voorlopige voorzieningen overgelegd waarbij een fragment van een whatsappconversatie tussen klager en zijn ex-partner is gevoegd.
4.6 In het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2024 bij de voorzieningenrechter is het volgende opgenomen over de verklaring van verweerder:
“De man doet alsof zijn neus bloedt. De man kan niet ontkennen dat hij alcohol en cocaïne gebruikt. En dat hij vrouw heeft verkracht. Is wel gebeurd. Minder van belang omdat het over omgangsregeling gaat, maar geeft wel weer hoe de man is.”
en
“Dat de man er niet is voor minderjarigen (zie producties over horloges kijken in Utrecht en dronken) is geen incident.”
4.7 Op 15 april 2025 heeft de officier van justitie aan klager bericht dat klager niet verder wordt vervolgd voor: “(…) Verkrachting, aanranding partner” en “seksueel misbruik kind”, omdat daarvoor onvoldoende bewijs is.
5 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder, voor zover nog aan de orde in hoger beroep, het volgende:
- (…)
- verweerder heeft in zijn conclusie van antwoord en zijn pleidooi tijdens de zitting van 5 december 2024 gesteld dat er een lopend zedenonderzoek tegen klager is en dat er een vermeende tweede melder zou zijn, terwijl klager niet als verdachte is aangemerkt of op enige manier op de hoogte is gesteld over een dergelijk onderzoek. Het noemen van deze onbewezen uitspraken heeft de reputatie van klager ernstig geschaad en lijkt een poging om de positie van klager in de civiele procedure te ondermijnen. Er is sprake van strijd met gedragsregel 36;
- (…)
- (…)
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft aan de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b) de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
6.2 De raad is van oordeel dat verweerder de grenzen van het betamelijke als advocaat van de wederpartij van klager niet heeft overschreden. De door verweerder gekozen bewoordingen en uitlatingen in de conclusie van antwoord en tijdens de zitting van 5 december 2024 zijn behoorlijk scherp geformuleerd en de raad begrijpt dat klager deze bewoordingen en uitlatingen als grievend heeft ervaren. Hoewel het de voorkeur had verdiend om zich minder scherp en ferm uit te drukken, is gelet op de context waarin verweerder de bewuste bewoordingen heeft gebruikt en uitlatingen heeft gedaan, geen sprake van onnodig grievende bewoordingen en uitlatingen. Verweerder heeft de bewoordingen mogen gebruiken en de uitlatingen mogen doen om de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen en te reageren op de advocaat van klager.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
7.1 Het standpunt van klager is dat mede door het handelen van verweerder zoals omschreven in klachtonderdeel b) de situatie tussen klager en zijn ex-partner (onnodig) is gepolariseerd. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel heeft de raad in de visie van klager twee fouten gemaakt. Allereerst heeft de raad volgens klager de feiten onvolledig weergegeven. Klager wenst daar een citaat uit het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2024 aan toe te voegen. Daarnaast is klager het niet eens met het oordeel van de raad dat geen sprake is geweest van onnodig grievende bewoordingen en uitlatingen. Klager voert in dat verband aan dat verweerder de door hem geuite verwijten over klagers opvoedkwaliteiten, zijn vermeende drank- en drugsgebruik en seksueel misbruik heeft gepresenteerd als feiten, zonder voorbehouden. Volgens klager mocht vanwege de gevoeligheid en ernst van de uitlatingen van verweerder worden verwacht dat hij duidelijker naar voren had gebracht dat hij daarmee het standpunt van zijn cliënte verwoordde. Gelet daarop mocht volgens klager tevens van verweerder worden verwacht dat hij de verwijten had geverifieerd en geconcretiseerd. Klager is van mening dat de raad hieraan een nadere motivering had moeten wijden, en dat op grond hiervan klachtonderdeel b) alsnog gegrond zou moeten worden verklaard.
Verweer verweerder
7.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Daarbij heeft verweerder onder meer verwezen naar randnummer 12 uit de conclusie van antwoord. Verweerder heeft aangevoerd dat uit die passage volgt dat hij niet zijn eigen standpunt, maar dat van zijn cliënte naar voren heeft gebracht en dat hij daarbij heeft aangegeven dat de politie onderzoek doet naar de stellingen van zijn cliënte. Verweerder betwist dat hij de stellingen van zijn cliënte als vaststaande feiten heeft gepresenteerd. Verder heeft verweerder erop gewezen dat hij de stellingen van zijn cliënte heeft geverifieerd en dat die steun vinden in WhatsAppberichten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitlatingen passen binnen de aan hem toekomende vrijheid bij het behartigen van de belangen van zijn cliënte en ook passend waren in het partijdebat. Ten slotte heeft verweerder erop gewezen dat het aan de raad was om de relevante feiten vast te stellen en dat het door klager aangehaalde citaat naar het oordeel van de raad kennelijk niet relevant was. Dat oordeel is volgens verweerder begrijpelijk, terwijl verweerder ook met dat citaat de grenzen van het betamelijke niet heeft overschreden. Verweerder verzoekt het hof de beslissing van de raad te bekrachtigen.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
8.3 In familierechtelijke kwesties als de onderhavige zal een advocaat bovendien ervoor moeten waken, zeker als belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen onnodig polariseren en escaleren. Dan mag van een advocaat een zekere (verdergaande) terughoudendheid worden verwacht. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures.
8.4 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.
Ten aanzien van dit hoger beroep
8.5 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de raad. Net als de raad, hanteert het hof de maatstaf dat onnodige polarisatie in familierechtkwesties als deze, zeker nu daarbij ook kinderen zijn betrokken, moet worden vermeden. Ook het hof vindt dat sprake is geweest van een behoorlijk scherp geformuleerd standpunt namens de wederpartij, hetgeen verweerder ook heeft erkend. Het hof is echter van oordeel dat een en ander past in deze procedure, waarin ook de namens klager ingenomen standpunten ferm zijn geformuleerd. Mede gelet op de context waarin verweerder de bewuste woorden heeft gebruikt en de uitlatingen heeft gedaan en waarbij verweerder naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij het standpunt van zijn cliënte verwoordde, kan niet worden gezegd dat sprake is van onnodig grievende bewoordingen en uitlatingen.
Conclusie
8.6 Het hof zal het hoger beroep tegen de beslissing van de raad ongegrond verklaren en de beslissing van de raad bekrachtigen.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt - voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van 20 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag met nummer 25-275/DH/RO.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 juli 2026.