We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:199 Hof van Discipline 's Gravenhage 250322

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:199
Datum uitspraak: 03-07-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): 250322
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klagers hebben een klacht ingediend over het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat van hun wederpartij in een civiel geschil. Het verwijt dat verweerder zich tijdens een telefoongesprek met één van de klagers onnodig grievend heeft uitgelaten is door de raad van discipline Den Haag gegrond verklaard. Ook verweerders verdere opstelling in het telefoongesprek is naar het oordeel van de raad onbehoorlijk en onvoldoende zakelijk geweest. De raad heeft daarvoor een waarschuwing opgelegd. De klachten zijn door de raad voor het overige niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard. Verweerder is het niet eens met de gegrondverklaring door de raad en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof van discipline bekrachtigt de beslissing van de raad.

Beslissing van 3 juli 2026

in de zaak 250322

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager 1

en

klager 2

gemachtigde: [klager 1]

klager 1 en 2 hierna gezamenlijk ook te noemen: klagers

1 INLEIDING

1.1 Klagers hebben een klacht ingediend over het handelen van verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat van hun wederpartij in een civiel geschil. Het verwijt dat verweerder zich tijdens een telefoongesprek met één van de klagers onnodig grievend heeft uitgelaten is door de raad van discipline Den Haag gegrond verklaard. Ook verweerders verdere opstelling in het telefoongesprek is naar het oordeel van de raad onbehoorlijk en onvoldoende zakelijk geweest. De raad heeft daarvoor een waarschuwing opgelegd. De klachten zijn door de raad voor het overige niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard. Verweerder is het niet eens met de gegrondverklaring door de raad en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof van discipline bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (met zaaknummer 24-267/DH/RO) een beslissing genomen op 18 augustus 2025. De klacht van klagers bestaat uit de klachtonderdelen a), b), c) en d). In de beslissing is klachtonderdeel a) ten aanzien van klager 1 gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten. Klachtonderdeel a) is ten aanzien van klager 2 niet-ontvankelijk verklaard, klachtonderdeel d) is ten aanzien van beide klagers niet ontvankelijk verklaard. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:166 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof

2.3 Het beroepschrift van verweerder is op 17 september 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.

2.5 Het hof heeft de zaak behandeld tijdens de openbare zitting van 17 april 2026. Daar is verweerder verschenen. Klagers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.  

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen grieven zijn gericht. Het gaat, voor zover in hoger beroep nog van belang, om de volgende feiten.

3.2 Tussen klager 2 en een luchtvaartmaatschappij is een geschil gerezen. Klager 1 treedt op als gemachtigde van klager 2. Door of namens klager 2 is de luchtvaartmaatschappij gedagvaard.

3.3 Verweerder is de belangenbehartiger van de luchtvaartmaatschappij.

3.4 Op 17 januari 2023 heeft mr. H, een kantoorgenoot van verweerder, aan de rechtbank meegedeeld dat verweerder zich als gemachtigde van de luchtvaartmaatschappij stelt en om een eerste uitstel voor het dienen van antwoord verzocht. 

3.5 Op 14 februari 2023 heeft mr. P, namens verweerder, de rechtbank om uitstel voor het indienen van antwoord verzocht. Mr. P is juridisch medewerker op het kantoor waar verweerder werkzaam is.

3.6 Op 14 maart 2023 heeft mr. P, namens verweerder, de conclusie van antwoord aan de rechtbank verstuurd. Zij heeft de rechtbank verzocht toekomstige correspondentie in deze zaak naar het kantoor te sturen, nu verweerder per 1 januari 2023 daar werkzaam is.                                                   De bijgevoegde conclusie is “i.o” ondertekend.

3.7 Op 6 juni 2023 heeft mr. P de rechtbank om uitstel voor het indienen van dupliek verzocht.

3.8 Op 28 juni 2023 heeft mr. H de rechtbank verzocht om eenmalig uitstel op grond van klemmende redenen. Zij heeft onder meer geschreven:

“Normaliter behandel ik de luchtvaartpraktijk op kantoor. Weliswaar staat [verweerder] als zaakbehandelaar vermeld bij alle [luchtvaartmaatschappij] zaken maar feitelijk worden ze altijd door mij behandeld. (…) In mijn afwezigheid hebben twee van mijn collega’s de praktijk overgenomen, [mr. Z] en [mr. P].”

3.9 Klager 1 heeft diezelfde dag gereageerd en gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen verder uitstel.

3.10 Op 29 juni 2023 heeft mr. H aan de rechtbank onder meer geschreven:

“Anders dan [klager 1] stelt staat [verweerder] slechts formeel gesteld als gemachtigde van [luchtvaartmaatschappij]. Het feit is en blijft dat ik de zaken van [luchtvaartmaatschappij] op mij neem en deze praktijk behartig. (…) [Klager 1] heeft weliswaar een telefoongesprek gevoerd met [verweerder] maar na dit gesprek heb ik de zaak overgenomen en heeft [klager 1] mij meerdere malen gebeld in deze zaak. “

3.11 Op 19 juli 2023 is de conclusie van dupliek namens de luchtvaartmaatschappij ingediend.

3.12 Diezelfde dag heeft klager 1 verweerder erop gewezen dat hij in de conclusie staat vermeld als gemachtigde en behandelaar, maar dat de conclusie niet door verweerder is ondertekend.

3.13 Op 20 juli 2023 heeft verweerder onder meer als volgt gereageerd:

“Dank dat u ons attendeert op een kleine inconsistentie in onze processtukken. Weliswaar ben ikzelf de gestelde advocaat, maar ik ben niet de feitelijke zaakbehandelaar. (…)

Overigens zijn de processtukken wel in mijn opdracht ondertekend, zij het dat dat niet met zoveel woorden vermeld stond.”

3.14 Op 20 juli 2023 heeft klager 1 de rechtbank verzocht om de conclusie van dupliek buiten beschouwing te laten omdat deze niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Klager 1 heeft hiertoe aangevoerd dat in de conclusie is vermeld dat verweerder de gemachtigde en behandelaar is, terwijl de conclusie niet door hem is ondertekend, en ook niet namens hem.

3.15 Verweerder heeft op 21 juli 2023 als volgt gereageerd:

“Naar aanleiding van onderstaand bericht van [klager 1] bevestig ik dat de Conclusie van Dupliek in bovengenoemde zaak in mijn opdracht namens mij door mijn kantoorgenote [mr. H] is ondertekend. (…) Hiermee is de eventuele onduidelijkheid opgehelderd, zodat mijns inzien niet hoeft worden toegekomen aan een formeel herstel. (…)

Voor zover van belang bevestig ik tevens dat ook alle overige berichten over deze zaak aan de (griffie van de) rechtbank, zoals uitstelverzoeken, in mijn opdracht namens mijn kantoorgenoten zijn gedaan.”

3.16 Op 21 juli 2023 is er telefonisch contact geweest tussen klager 1 en verweerder. Verweerder heeft in dat gesprek onder meer gezegd:

“Mijn kantoorgenoten liggen dubbel van het lachten van alle mails die we voorbij zien komen. (…) Misschien een kleine tip: hou op met al die onzin en ga de deken er ook niet mee lastig vallen, schrijf de kantonrechter gewoon dat er niks aan de hand is.”

en

“Ja, maar ik denk ook een beetje aan uw gezondheid, want volgens mij bent u ook rijp voor de psychiater inmiddels. Dat is een observatie die enigszins buiten mijn expertise valt, want ik ben geen zielenknijper, maar het is een observatie waar ik mij nauwelijks aan kan onttrekken. (…) U bereikt hier niets mee behalve dat u uzelf onsterfelijk belachelijk maakt. Dus als dat het doel is dan is het doel geslaagd.”

Een geluidsopname van het gesprek maakt onderdeel uit van het klachtdossier.

3.17 Klager 1 heeft de geluidsopname van het gesprek diezelfde dag per e-mail naar mr. X van verweerders kantoor gestuurd, met het verzoek om een reactie en om de melding van grensoverschrijdend gedrag door te geleiden naar de vertrouwenspersoon van het kantoor.

3.18 Op 25 juli 2023 heeft verweerder in een e-mail aan klager 1 onder meer geschreven:

“Naar aanleiding van uw onderstaande bericht adviseerde [mr. X] (cc) mij om excuses aan te bieden voor de door mij uitgesproken zorgen over uw geestelijke gezondheid. Hij heeft gelijk dat ik dat niet had moeten zeggen.

Overigens blijf ik van mening dat de deken er niet is om klachten te behandelen over een verschoonbare, en inmiddels gecorrigeerde vergissing bij de ondertekening van een processtuk, waardoor uw cliënten bovendien op geen enkele wijze in hun belangen zijn geschaad. Daarmee veroorzaakt u een onnodige overbelasting van de toezichthouder, waardoor er minder aandacht en tijd kan worden besteed aan zaken die werkelijk de integriteit van de advocatuur en de goede rechtsbedeling raken.

Bovendien vind ik het opmerkelijk dat u enerzijds mij aanspreekt op de gedragsregels maar anderzijds zelf die gedragsregels op grote schaal schendt, wetende dat u daar als niet-advocaat niet op kunt worden aangesproken.

Ik denk er allemaal het mijne van.”

 OMVANG VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep van verweerder is gericht tegen de gegrondverklaring door de raad van klachtonderdeel a), (subsidiair) tegen de opgelegde maatregel, en (meer subsidiair) tegen de proceskostenveroordeling. Omdat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep op grond van artikel 56 lid 3 Advocatenwet wordt bepaald door de beroepsgronden die tegen de beslissing van de raad binnen de beroepstermijn zijn aangedragen, zijn de andere klachtonderdelen b), c) en d) in hoger beroep niet meer aan de orde.

5 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover nog aan de orde in hoger beroep, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:

  1. Verweerder heeft zich telefonisch onnodig grievend uitgelaten over klager 1.
  1. (…)
  1. (…)
  1. (…)

6 BEOORDELING RAAD

6.1 De raad heeft aan de gegrondverklaring van klachtonderdeel a) de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

6.2 Gedragsregel 7 draagt de advocaat op zich niet onnodig grievend uit te laten. Hoewel voor een advocaat de vrijheid van meningsuiting geldt, vindt deze zijn begrenzing in de plicht om zich in het kader van de beroepsuitoefening in het openbaar discreet en waardig op te stellen. Deze verplichting geldt onder meer jegens de eigen cliënt, jegens de wederpartij en jegens andere advocaten.

6.3 De raad stelt vast dat verweerder klager 1, de juridisch vertegenwoordiger van zijn wederpartij, op 21 juli 2023 heeft gebeld. In het telefoongesprek heeft verweerder – zo heeft hij ook erkend – onder meer gezegd dat klager 1 rijp is voor de psychiater. De raad heeft geoordeeld dat deze uitlating van verweerder onbehoorlijk en ongepast is. Ook verweerders verdere opstelling in het gesprek is naar het oordeel van de raad onbehoorlijk en onvoldoende zakelijk geweest, onder meer door te zeggen dat klager 1 zich met zijn opstelling onsterfelijk belachelijk maakt. Hoewel de uitlatingen zijn gedaan in de beslotenheid van het telefoongesprek tussen verweerder en klager 1, zijn zij wel gedaan in het kader van verweerders beroepsbeoefening in een lopend conflict met de wederpartij. Dit is niet hoe een advocaat zich dient op te stellen jegens en uit te laten over de gemachtigde van de wederpartij. Verweerder heeft daarmee gedragsregel 7 overtreden. Verweerders daaropvolgende bericht van 25 juli 2023 kan nauwelijks als het maken van excuses worden aangemerkt; verweerder gaat meteen over naar het handelen van klager 1. De raad heeft geoordeeld dat verweerder met zijn uitlatingen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld

7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

Verweerder erkent dat hij de bewuste opmerkingen tijdens het telefoongesprek met klager 1 heeft gemaakt en dat hij die opmerkingen beter achterwege had kunnen laten. In het beroepschrift schetst verweerder de achtergrond van de zaak, die volgens hem een verklaring vormt voor zijn opmerkingen tijdens dat telefoongesprek. Naar de mening van verweerder waren zijn opmerkingen in de context van alle omstandigheden niet voldoende klachtwaardig en is hij daarop door de raad te zwaar afgerekend. Subsidiair is verweerder van mening dat oplegging van een maatregel niet passend en geboden is, omdat verweerder ervan doordrongen is dat en waarom hij de opmerkingen niet had moeten maken en er geen risico op herhaling is. Meer subsidiair is verweerder van mening dat het niet passend en geboden is, en zelfs onwenselijk, om hem in de proceskosten te veroordelen, gezien de relatief geringe ernst van de verweten gedraging.

8 BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

8.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Ten aanzien van dit hoger beroep

8.3 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die aansluiten bij de in eerste aanleg door verweerder ingenomen standpunten, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad en neemt dit, alsmede de door de raad gebezigde motivering, over. Dat betekent dat het hof het hoger beroep tegen de beslissing van de raad ongegrond verklaart en de beslissing van de raad zal bekrachtigen.

9 MAATREGEL

Het hof ziet geen aanleiding een andere maatregel op te leggen dan de door de raad opgelegde maatregel van een waarschuwing en zal de beslissing van de raad daarom ook ten aanzien van de maatregel bekrachtigen.

10 PROCESKOSTEN

10.1 Omdat het hof de beslissing van de raad waarbij een maatregel is opgelegd bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:  

a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

b) € 1.000,- kosten van de Staat.

10.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

11 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt - voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van 18 augustus 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag met nummer 24-267/DH/RO.

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

griffier                                                                                    voorzitter          

De beslissing is verzonden op 3 juli 2026.