We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:198 Hof van Discipline 's Gravenhage 240119H

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:198
Datum uitspraak: 03-07-2026
Datum publicatie: 03-07-2026
Zaaknummer(s): 240119H
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Herziening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Verweerder heeft herziening verzocht van een uitspraak van het hof van 8 maart 2024. Het herzieningsverzoek is door het hof wegens schending van een fundamenteel rechtsbeginsel ontvankelijk geacht. Ten onrechte is een door verweerder ingediend verweerschrift bij de oorspronkelijke beoordeling niet meegenomen. Het hof stelt voorop dat na een gegrond verklaard herzieningsverzoek de zaak in hoger beroep opnieuw wordt behandeld, maar met dien verstande dat geen ruimte bestaat om nieuwe beroepsgronden naar voren te brengen. Er is slechts plaats voor een nadere beschouwing en/of onderbouwing van (een) reeds eerder ingenomen standpunt(en). Met medeneming van het eerder door verweerder ingediende verweerschrift in de integrale (her)beoordeling van de zaak komt het hof tot het oordeel dat het herzieningsverzoek niet slaagt. De uitspraak van het hof waarvan herziening is verzocht, wordt niet herzien.

Beslissing van 3 juli 2026

in de zaak 240119H

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen

mr. E.A.C. van de Wiel

advocaat en deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Noord-Nederland

de deken

1 INLEIDING

1.1 Verweerder heeft herziening verzocht van een uitspraak van het hof van 8 maart 2024. Het herzieningsverzoek is door het hof wegens schending van een fundamenteel rechtsbeginsel ontvankelijk geacht. Ten onrechte is een door verweerder ingediend verweerschrift bij de oorspronkelijke beoordeling niet meegenomen. Met medeneming hiervan in de integrale (her)beoordeling van de zaak komt het hof tot het oordeel dat het herzieningsverzoek niet slaagt. De uitspraak van het hof waarvan herziening is verzocht, wordt niet herzien.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en van het (eerdere) geding bij het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: het herzieningsverzoek, de omvang van het hoger beroep na het gegrond verklaarde herzieningsverzoek, het verdere verloop van de procedure bij het hof, de feiten, de beroepsgronden en het verweer. Daarna volgt de beoordeling van het herzieningsverzoek door het hof en de beslissing.

2 HET GEDING BIJ DE RAAD VAN DISCIPLINE

2.1 Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) van 27 juni 2022, met zaaknummer 22-044/AL/NN/D. In deze beslissing is het dekenbezwaar tegen verweerder ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2022:135 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

3 HET (EERDERE) GEDING BIJ HET HOF VAN DISCIPLINE

3.1 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing van de raad is op 18 juli 2022 ontvangen door de griffie van het hof. Het beroepschrift van de deken tegen die beslissing is op 25 juli 2022 ontvangen door de griffie van het hof.

3.2 Het hof heeft bij beslissing van 8 maart 2024 met zaaknummer 220244D het hoger beroep van verweerder ongegrond verklaard en het dekenbezwaar alsnog gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van 12 weken opgelegd, met veroordeling van verweerder in de proceskosten.

3.3 De beslissing is onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2024:73 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.

4 HET VERZOEK TOT HERZIENING

4.1 Verweerder heeft bij e-mail van 15 april 2024 verzocht om herziening van de beslissing van het hof van 8 maart 2024. Bij e-mail van 18 april 2024 heeft verweerder het herzieningsverzoek van een korte nadere toelichting voorzien.

4.2 Op 17 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling van het herzieningsverzoek plaatsgevonden. Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft het hof toen, na een korte schorsing, terstond mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is een proces-verbaal van mondelinge uitspraak opgemaakt. De voorzitter heeft partijen als beslissing van het hof meegedeeld dat het herzieningsverzoek gegrond is. Verder houdt het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak het volgende in:

“Overwegingen                                                                                                                                                     Het hof heeft bij de behandeling van de zaak met zaaknummer 220244D in zijn beslissing van 8 maart 2024 (ECLI:NL:TAHVD:2024:73) ten onrechte geen rekening gehouden met het door verzoeker op 2 oktober 2022 ingediende verweer op het beroepschrift van de deken. Daarmee is sprake van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel, te weten het beginsel van hoor en wederhoor, waardoor in die procedure mogelijk geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Daarom is het herzieningsverzoek ontvankelijk en gegrond.

Met zijn e-mail van 23 augustus 2024 heeft verzoeker het hof nog verzocht de gronden die zijn aangevoerd in zijn herzieningsverzoek(en) van 22 augustus 2024 ten aanzien van drie andere uitspraken van het hof in de onderhavige zaak ook mee te nemen. Dit verzoek honoreert het hof niet. Ten eerste zijn deze gronden pas later aangevoerd. Ten tweede is het niet nodig om daarop in te gaan, omdat de eerste aangevoerde grond voor herziening reeds slaagt. De  herzieningsverzoeken van 22 augustus 2024 zullen separaat door het hof worden behandeld.

Hoe gaat het nu verder?

Het vorenstaande betekent dat het Herzieningsprotocol, artikel 5.3 e.v. nu verder gevolgd zal worden. Verzoeker mag zich binnen zes weken na de datum van toezending van deze uitspraak opnieuw schriftelijk uitlaten over het hoger beroep. Ter voorlichting van partijen merkt het hof hierbij op dat er geen ruimte bestaat om nieuwe beroepsgronden naar voren te brengen. Er is slechts plaats voor een nadere beschouwing en/of onderbouwing van een reeds eerder ingenomen standpunt.

Vervolgens krijgt de deken de gelegenheid daarop binnen zes weken schriftelijk te reageren.

Tenzij beide partijen daar in hun schriftelijke reactie vanaf zien, zal de zaak opnieuw op een zitting worden gepland.

De voorzitter heeft er melding van gemaakt dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.”

5 OMVANG VAN HET HOGER BEROEP NA GEGROND VERKLAARD HERZIENINGSVERZOEK

Na een gegrond verklaard herzieningsverzoek wordt de zaak in hoger beroep opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld. Dat volgt uit het toepasselijke herzieningsprotocol zoals dat in werking is getreden op 1 januari 2020 (vastgesteld op 10 december 2019) en dat gold tot 9 december 2025. Dat betekent dat het hof alle grieven van verzoeker en de deken tegen de beslissing van de raad van 27 juni 2022 opnieuw zal beoordelen, met inachtneming van hetgeen partijen tot heden hebben aangevoerd.

6 HET VERDERE VERLOOP VAN DE PROCEDURE

6.1 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 17 april 2026. Daar is verweerder verschenen, alsmede de deken, vergezeld door mrs. H. (adjunct-secretaris) en J. (plaatsvervangend lid van het college van afgevaardigden van de Orde). Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

6.2 Verder bevat het dossier van het hof:

  • het dossier van de hoofdzaak met nummer 220244D;
  • een e-mail van de deken van 3 juni 2024, waarin de deken aangeeft zich met betrekking tot het herzieningsverzoek te refereren aan het oordeel van het hof;
  • de stukken van het hof zoals deze zich in het dossier bevonden voorafgaand aan de mondelinge uitspraak van het hof van 17 januari 2025;
  • een e-mail van verzoeker van 28 januari 2025;
  • een e-mail van verzoeker van 17 maart 2025, met bijlagen;
  • een e-mail van verzoeker van 18 maart 2025, met bijlagen;
  • een e-mail van verzoeker van 4 juni 2025;
  • een e-mail van het hof aan verzoeker van 5 juni 2025;
  • een e-mail van het hof aan partijen van 30 maart 2026.

7 DE FEITEN

7.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

7.2 Verweerder houdt, althans hield, (via zijn praktijkrechtspersoon) de helft van de aandelen in het advocatenkantoor S (hierna: het kantoor). Zijn voormalig compagnon mr. H. houdt, althans hield, de andere helft van de aandelen. Het kantoor heeft een vestiging in Groningen (waar verweerder als advocaat werkzaam was) en een vestiging in Almelo. Advocaten werkzaam op de vestiging in Almelo vallen onder het toezicht van de deken Overijssel.

7.3 Op 22 juli 2020 heeft de deken bij verweerder 56 dossiers van 14 cliënten opgevraagd naar aanleiding van diverse signalen die bij de deken en de deken Overijssel waren binnengekomen. Die signalen waren afkomstig van oud-medewerkers van het kantoor, de Raad voor Rechtsbijstand (hierna ook: RvR) en de gemeente Rotterdam.

Signalen van oud-medewerkers

7.4 Mr. O. vertelde dat er buiten medeweten van advocaten bij het kantoor op hun naam brieven werden verstuurd en/of opdrachten werden gegeven. Dat wilde hij niet. Ook wilde hij niet dat op zijn naam bijzondere bijstand aangevraagd zou worden voor medische contraexpertise. Hij klaagde bij de deken en schreef o.a.:

"Feitelijk werd mij door [het kantoor], in de persoon van de heer H. en de heer [verweerder], verplicht om klachtwaardig te handelen en is mij de mond gesnoerd toen ik dit intern heb aangekaart. Eerst is mijn bericht uit eenieders mailbox verwijderd, zodat het niet gelezen zou worden. Toen ik daar achter kwam en het vervolgens naar bijna allen (alleen de secretaresses wilden mijn e-mail niet privé ontvangen) privé mocht sturen, ben ik op staande voet ontslagen."

7.5 Mr. K. uitte zich aanvankelijk via de RvR en verklaarde later aan de deken het volgende over de werkwijze van het kantoor:

  • standaard bijzondere bijstand aanvragen voor het verrichten van een medische contra-expertise, bezwaar maken tegen de afwijzing en een voorlopige voorziening aanvragen ondanks de kansloosheid daarvan (gelet op de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), zie CRvB 23 april 1019, ECLI:NL:CRVB:2019:1450);
  • geen fatsoenlijke, persoonlijke intake;
  • niet bespreken van goede en kwade kansen;
  • niet bespreken van een processtrategie, voeren van procedures zonder dat cliënt zich dat ten volle realiseert en weet waarom;
  • aanvragen van toevoegingen buiten de behandelend advocaat om;
  • niet meegaan naar hoorzittingen;
  • gebruiken van standaard processtukken.

7.6 Mr S. (advocaat in loondienst bij het kantoor van 26 maart 2018 tot 9 januari 2020) nam in die periode een aantal keer contact op met het ordebureau. Zij voelde zich bij het kantoor niet (meer) prettig, omdat er werkzaamheden en werkwijzen zoals ook door mr. K. beschreven van haar gevraagd werden. Zij vond die niet passen bij de advocatuurlijke kernwaarden. Zij heeft uiteindelijk in overleg met het kantoor haar dienstverband beëindigd, hoewel ze op dat moment nog geen andere baan had. Zij heeft op verzoek van de deken die feitelijke gang van zaken bevestigd in haar verklaring van 24 december 2021.

Signalen van de Raad voor Rechtsbijstand

7.7 De gemeente Rotterdam en mr. K. hadden bij de RvR geklaagd en er was verschil van mening tussen verweerder en de RvR over de rechtmatigheid van de door verweerder gehanteerde korting in verband met het Juridisch Loket.

Signalen van de gemeente Rotterdam

7.8 De teamleider Juridische diensten van de gemeente Rotterdam sprak haar zorgen uit over de ondermaatse belangenbehartiging door het kantoor. Zij constateerde een patroon van inhoudelijk zwakke bezwaarschriften en nooit meegaan naar de hoorzittingen (ondanks de soms grote belangen die op het spel staan).

Signaal van een opvolgend advocaat

7.9 Mr. J., lid van de Raad van de Orde Noord-Nederland, gaf mondeling het signaal aan de deken naar aanleiding van twee cliënten (R. en M.) die zij van het kantoor had overgenomen.

7.10 De dekens Overijssel en Noord-Nederland hebben naar aanleiding van de signalen onderzoek ingesteld. De deken Overijssel had op basis van de lijst met toevoegingen van de RvR de selectie gemaakt waarbij onder andere gekeken is naar de cliënten waarvoor meerdere toevoegingen waren aangevraagd. In Noord-Nederland zijn de dossiers opgevraagd op 22 juli 2020. De deken Overijssel heeft de door hem opgevraagde dossiers meteen gekregen en hij heeft op basis van zijn studie van die dossiers een dekenbezwaar tegen de mrs. H. en G. (advocaat in loondienst bij de vestiging Almelo van het kantoor) ingediend op 23 augustus 2021. De raad heeft bij beslissing van 28 maart 2022 het dekenbezwaar jegens beide advocaten gegrond verklaard met oplegging van de maatregel van een voorwaardelijke schorsing aan mr. H en een berisping aan mr. G. (ECLI:NL:TADRARL:2022:30).

7.11 Nadat ook de deken Noord-Nederland over alle gevraagde dossiers de beschikking had gekregen, heeft zij het dekenbezwaar in deze zaak ingediend.

7.12 Verweerder heeft na de uitspraak van de raad in de onderhavige zaak op 6 juli 2022 een klacht tegen de deken ingediend. Verweerder verweet de deken onzorgvuldig onderzoek te hebben gedaan op grond van vage dan wel onjuiste of irrelevante signalen en ondeskundig handelen nu zij zelf niet beschikt over kennis op het betreffende rechtsgebied. Ook verweet hij de deken dat zij een oneerlijke procedure heeft gevoerd door bewust systematisch voor hem ontlastend bewijs achter te houden en feiten in het geding te hebben gebracht waarvan zij weet dat die niet waar zijn. De klacht is kennelijk ongegrond verklaard door de voorzitter van de raad op 5 juli 2023, ECLI:NL:TADRSGR:2023:139. Het verzet van verweerder tegen de beslissing van 5 juli 2023 is op 18 december 2023 door de raad ongegrond verklaard (ECLI:NL:TADRSGR:2023:249).

8 HET DEKENBEZWAAR

8.1 Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerders (hof: dat wil zeggen verweerder en het kantoor) tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerders het volgende.

8.2 Het kantoor heeft een verdienmodel gemaakt van de toevoegingen in de sociale zekerheid, dat ten koste gaat van de kwaliteit. Het kantoor stuurt zijn advocaten erop om met een minimale inspanning de maximale vergoedingen op basis van een toevoeging te kunnen incasseren, ook als dat ten koste gaat van de kwaliteit en de zorg voor de cliënt. Dit blijkt volgens de deken uit het volgende:

  • De bemoeienis van de advocaat van het kantoor heeft in (bijna) alle bestudeerde dossiers niet (zichtbaar) tot toegevoegde waarde geleid.
  • In (bijna) alle bestudeerde zaken is in bezwaar met één, standaard, schot hagel geschoten en is nauwelijks gezocht naar andere argumenten. Er waren geen indringende, diepgravende gesprekken met de cliënt. Er zijn nooit protocollen geraadpleegd, er zijn meestal geen medische gegevens opgevraagd. In beroep was er nog minder aandacht voor de zaken. Het (hoger) beroepschrift verschilt meestal niet of nauwelijks van het bezwaarschrift.
  • Een advocaat moet ook het verschil maken voor zijn cliënt door hem te steunen en in het proces te begeleiden. Cliënten hebben behoefte aan en recht op uitleg. Zij hebben recht op de aanwezigheid van de advocaat tijdens de (hoor)zitting.
  • Advocaten van het kantoor voerden geregeld kansloze procedures, zoals bezwaar maken en voorlopige voorziening vragen tegen de afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor medische contra-expertise en voorlopige voorzieningen of het niet intrekken van kansloze procedures tegen het UWV.
  • De advocaten hielden geen uren bij, hoewel dat een vereiste is van de RvR. Overtreding van deze administratieve plicht klemt temeer nu de feitelijke urenbesteding in veel dossiers minimaal moet zijn geweest.

8.3 Dat er sprake is van sturing door verweerders blijkt onder andere uit de signalen ontvangen van mrs. O., K. en S. Zij konden zich niet in de hiervoor beschreven werkwijze vinden, maar waren niet bij machte daarvan af te wijken. Dat was voor hen een belangrijke reden om niet langer voor het kantoor te willen werken.

8.4 De handelwijze van verweerder in zijn hoedanigheid als advocaat-bestuurder heeft tot gevolg dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad, niet alleen theoretisch als toetsingskader, maar ook feitelijk, aldus het dekenbezwaar.

8.5 De handelwijze is in strijd met de kernwaarden deskundigheid en integriteit, met de gedragsregels 1, 6, 12 en 16, met de ‘best practices’ van de Specialisatievereniging Socialezekerheidsrecht (SSN), en met artikel 1 sub r van de Inschrijvingsvoorwaarden Advocatuur en valt (de advocaat-bestuurder in genoemde hoedanigheid van) het kantoor tuchtrechtelijk aan te rekenen.

8.6 Alleen de klacht over het voeren van kansloze procedures treft verweerder ook in zijn (gewone) hoedanigheid van advocaat en om die reden is het dekenbezwaar ook tegen hem persoonlijk ingesteld.’

9 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

9.1 Verweerder heeft als beroepsgrond tegen de beslissing van de raad van 27 juni 2022 aangevoerd dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, omdat sprake is van bedrog en misbruik van bestuursrechtelijke bevoegdheden door de deken. Dit blijkt volgens verweerder uit de volgende voorbeelden:

  • het opvragen van 56 dossiers vanwege niet bestaande signalen, dan wel niet voldoende onderzochte signalen. De betreffende signalen hadden geen betrekking op verweerder maar op een advocaat van een ander kantoor uit een ander arrondissement (het signaal van de gemeente Rotterdam), bestonden helemaal niet (die van cliënten), of hadden door een simpele vraag verduidelijkt kunnen worden (die van de RvR).
  • de dossiers houden geen verband met de vermeende signalen. Er zijn geen dossiers van klagende cliënten opgevraagd, noch zijn dossiers opgevraagd waarbij de gemeente Rotterdam betrokken was. Verder zat in de aangeleverde dossiers geen informatie over de aanvraag van toevoegingen waarop het (onjuiste) signaal van de RvR betrekking had. De deken was hierin kennelijk ook niet geïnteresseerd, want ze heeft bij haar onderzoek deze aanvragen ook niet opgevraagd.
  • de overeenkomst tussen de opgevraagde dossiers is dat deze allemaal verloren zaken betreffen, hetgeen de kans dat de deken iets tuchtrechtelijk verwijtbaars zou ontdekken zou doen toenemen. De deken is dus onder valse voorwendselen een ‘fishing expedition’ gestart met louter als doel om verweerder tuchtrechtelijk veroordeeld te krijgen.
  • in het dekenbezwaar doet de deken de suggestie dat de dossiers willekeurig zijn geselecteerd, terwijl ze in werkelijkheid zijn geselecteerd op ‘verloren zaak’.
  • de deken houdt (meerdere keren) bewust ontlastend bewijs achter.
  • de deken heeft een oud-collega van verweerder geïntimideerd om belastend te verklaren, hierover gelogen tegen de raad en deze collega bewust onjuist geparafraseerd.

Beroepsgronden deken

9.2 De deken heeft de volgende beroepsgronden tegen de beslissing van de raad aangevoerd:

  1. Ten onrechte heeft de raad overwogen dat onvoldoende gebleken is dat de individuele advocaten zijn aangestuurd om de verweten handelingen te verrichten, of dat er sprake was van vast beleid om op die wijze te handelen en dat de aangevoerde signalen onvoldoende zijn om tot dat oordeel te komen.
  2. Ten onrechte heeft de raad overwogen dat onvoldoende gebleken is dat het kantoor daarin op tuchtrechtelijke wijze een rol heeft gespeeld, dat verweerder dat gemotiveerd en met stukken onderbouwd heeft betwist en dat de verklaring van oud-medewerkster mr. K. erop duidt dat advocaten de vrijheid hadden af te wijken van de standaardwerkwijzen.
  3. Ten onrechte heeft de raad overwogen dat door het kantoor gemotiveerd is betwist dat het beleid was geen intakegesprekken te voeren en de zaken niet of summier met cliënten te bespreken.

Ter toelichting op de gronden 1 tot en met 3 heeft de deken aangevoerd dat dezelfde raad in zijn beslissing van 28 maart 2022 (vermeld bij de feiten onder 7.10) op het bezwaar van de deken Overijssel tegen hetzelfde kantoor op basis van vrijwel dezelfde stukken (afgezien van de arrondissement-specifieke dossiers) en deels dezelfde bezwaren tot het oordeel kwam dat de door verweerders gehanteerde handelwijze niet het belang van de cliënten vooropstelt, maar het belang om zoveel mogelijk zaken en toevoegingen binnen te halen. De raad achtte dit extra verwijtbaar omdat het gaat om bijstand aan zeer kwetsbare en afhankelijke cliënten die juist extra zorg nodig hebben. Ook werd de eigenaar van het kantoor tuchtrechtelijk verweten dat hij een ontoelaatbaar verdienmodel op zijn kantoor heeft geïmplementeerd en dat ook zelf heeft uitgevoerd. Onbegrijpelijk is dat de raad in de onderhavige zaak tot een geheel andersluidend oordeel kon komen. Zelfs al zou een individuele advocaat de vrijheid hebben gehad om in een individuele zaak van die aanpak af te wijken. Het oordeel van de raad dat geen sprake was van aansturing en zelfs niet van een vast beleid is onbegrijpelijk.

  1. Ten onrechte heeft de raad relevant geacht dat in diverse zaken wel een positief resultaat is behaald.

De toelichting van de deken komt erop neer dat de toegevoegde waarde van een advocaat nooit (rechtstreeks) afgeleid kan worden uit het resultaat. De toegevoegde waarde houdt rechtstreeks verband met de steun die de advocaat kan bieden door zijn betrokkenheid bij het probleem (intake, analyse) en door aanwezig te zijn en steun en begeleiding te bieden bij een voor de cliënt spannende gebeurtenis als de hoorzitting.

  1. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld en van belang geacht dat er geen algemene plicht of gedragsregel bestaat die inhoudt dat een advocaat altijd dient mee te gaan naar een zitting. Ten onrechte heeft de raad relevant geacht dat verweerder heeft verklaard wel mee te gaan als cliënten dat graag willen.

Ter toelichting heeft de deken aangevoerd dat de raad niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Het gaat erom of de advocaat de zorg(vuldigheid) heeft betracht die van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. In de bezwaarfase vindt een volledige heroverweging plaats. Wie alleen naar de zitting bij de rechtbank meegaat, mist dus kansen. De uitleg van verweerder waarom hij niet meeging, was volstrekt ontoereikend. Het gaat immers niet om een medische beoordeling waaraan een advocaat niets toe te voegen heeft. Als lichamelijk onderzoek plaatsvindt, is dat na afloop van de hoorzitting. De specialisatievereniging van Sociale Zekerheid advocaten stelt aanwezigheid bij de hoorzitting als norm. De stelling dat de advocaat wel mee zou gaan als de cliënt erom zou vragen, maakt de onjuistheid van het uitgangspunt niet anders. Overigens kwam de raad in de Overijsselse zaak over dezelfde vraag tot het tegengestelde oordeel.

  1. Ten onrechte heeft de raad het bezwaar tegen het niet registreren van uren ongegrond verklaard omdat de RvR in zijn steekproef nooit erover heeft geklaagd en de uren inmiddels wel worden geregistreerd.

Ook hier wijst de deken erop dat de raad in de Overijsselse zaak tot een tegenovergesteld oordeel kwam. Het argument dat de RvR er niet over klaagt is niet valide. Het niet bijhouden van de uren is in strijd met de inschrijvingsvoorwaarden.

  1. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat de drie zaken die door de deken zijn genoemd onvoldoende zijn om tot de conclusie te komen dat verweerder op structurele, klachtwaardige wijze, kansloze procedures heeft gevoerd, ook al omdat de uitspraak van de CRvB relatief kort voor de door verweerder ingestelde bezwaren was gewezen en omdat verweerder zijn werkwijze inmiddels heeft aangepast.

De deken heeft het laatste punt als volgt toegelicht: verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat hij de betreffende procedures voerde omdat hij het niet eens was met de afwijzing van de bijzondere bijstand en met de uitspraak van de CRvB, maar dat hij was gestopt dit van zijn medewerkers te eisen, omdat die met dergelijke procedures moeite hadden. Verweerder was zich er dus van bewust dat deze procedures kansloos waren. De deken heeft daartegen ingebracht dat verweerder een bodemprocedure had moeten voeren als hij geloofwaardig de onjuistheid van vaste jurisprudentie had willen aankaarten. Het instellen van bezwaar en vragen van een voorlopige voorziening en daarvoor toevoegingen krijgen is gegeven de vaste jurisprudentie van de CRvB tuchtrechtelijk verwijtbaar. De handelwijze is niet beperkt tot drie dossiers. Er zijn slechts 14 dossiers opgevraagd, deze handelwijze is in drie van de 14 dossiers aangetroffen. Verweerders staan honderden cliënten bij en deze procedures zijn dus, mede gegeven hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard, veel vaker gevoerd.

Verweer verweerder

9.3 Verweerder heeft op 2 oktober 2022 een verweerschrift ingediend in reactie op het beroepschrift van de deken. In de begeleidende e-mail heeft verweerder allereerst opgemerkt dat hij uit mededelingen van de deken in een andere zaak afleidt dat de kwestie die tot het onderhavige dekenbezwaar heeft geleid niet is begonnen vanwege de kwaliteit van de dienstverlening door klager, maar om klager te disciplineren. Verweerder baseert zich daarbij op een mededeling van de deken dat zij verweerder een deskundig advocaat vindt, maar dat gezag bij hem als een rode lap op een stier werkt. Verweerder voert aan dat de deken haar bevoegdheden daarvoor niet heeft gekregen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een onderzoek gestart moet worden naar de wijze waarop de deken haar bevoegdheden - naar verweerder stelt - op onrechtmatige en tuchtrechtelijk verwijtbare wijze uitoefent. Verweerder verwijst in dat verband naar de klacht die hij op 6 juli 2022 over de deken heeft ingediend en naar een e-mail die hij op 19 september 2022 aan de deken heeft gestuurd. Volgens verweerder is de deken steeds de hand boven het hoofd gehouden. In het verweerschrift heeft verweerder vervolgens per beroepsgrond van de deken verweer gevoerd, als volgt - zakelijk en samengevat - weergegeven.

9.4 In reactie op de beroepsgronden 1 t/m 3 heeft verweerder aangevoerd dat de beide dekenbezwaren, dat wil zeggen het dekenbezwaar tegen mrs. H. en G. (voormalig compagnon van verweerder respectievelijk advocaat in loondienst bij de vestiging Almelo van het kantoor) en het dekenbezwaar tegen verweerder, om meerdere redenen onvergelijkbaar zijn, en dat de door de deken genoemde beslissing van de raad op het dekenbezwaar gericht tegen mrs. H en G gelet daarop niet maatgevend kan zijn voor de beslissing van de raad in de zaak van verweerder.

9.5 Ten aanzien van beroepsgrond 4 heeft verweerder vraagtekens geplaatst bij de relevantie ervan en aangevoerd dat de deken in het dekenbezwaar zelf wel heeft meegewogen dat in de onderzochte dossiers geen of bijna geen resultaat is behaald. Verder wijst verweerder erop dat de onderzochte dossiers daarop ook geselecteerd waren, zodat dit in de argumentatie geen ‘fair play’ oplevert.

9.6 Ten aanzien van beroepsgrond 5 heeft verweerder allereerst erop gewezen dat het onjuist is dat het kantoor rechtzoekenden alleen naar een hoorzitting liet gaan, maar dat het kantoor aanstuurde op het afzien van een juridische hoorzitting door onduidelijkheden over de onderliggende zaak vooraf weg te nemen. Verweerder verwijst naar wat hij hierover in eerste aanleg naar voren heeft gebracht en voegt daaraan toe dat de kans op een goede afloop van een zaak naar zijn overtuiging juist toeneemt als de rechtzoekende zelf niet ter zitting aanwezig is. 

9.7 In reactie op beroepsgrond 6 verwijst verweerder ook naar wat hij daarover in eerste aanleg al heeft opgemerkt. Verder heeft verweerder opgemerkt ten aanzien van de urenregistratie geen rol voor de tuchtrechter te zien. Verweerder heeft in dat verband naar voren gebracht dat kennelijk niemand is benadeeld, dan wel dat de RvR zelf voor de eigen belangen moet opkomen. Verweerder heeft verder nog erop gewezen dat de werkwijze van het kantoor al jaren werd toegestaan en geen controle op het bijhouden van de uren plaatsvond.

9.8 Ten aanzien van beroepsgrond 7 betwist verweerder dat hij wist dat de geëntameerde voorlopige voorzieningen procedures bij voorbaat kansloos waren, en daarnaast wijst verweerder erop dat met het voeren van een bodemprocedure teveel tijd gemoeid is. Verweerder verwijst hierbij ook naar wat hij in eerste aanleg al heeft aangevoerd.  

Verweer deken

9.9 De deken heeft ter zitting van 12 januari 2024 mondeling verweer gevoerd. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het hoger beroep.

10  BEOORDELING

10.1 Het vervolg van de procedure na de gegrondverklaring van het herzieningsverzoek en de omvang van het onderhavige hoger beroep is in de rubrieken 3 en 4 weergegeven.

10.2 Tijdens de mondelinge behandeling op 17 april 2026 is verweerder in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over het hoger beroep. Verweerder heeft daarvoor het woord gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen. Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het hof zich onbevoegd moet verklaren om in deze zaak een maatregel op te leggen, omdat de zaak is ingeleid met een dekenbezwaar. Verweerder heeft aangevoerd dat een dekenbezwaar niet gelijk kan worden gesteld aan een klacht en dat de bevoegdheid om maatregelen op te leggen in de Advocatenwet uitsluitend aan het klachtbegrip is gekoppeld. Indien het hof van oordeel is daartoe wel bevoegd te zijn, heeft verweerder zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat de deken in strijd met de wet persisteert in het niet overleggen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken en het hof niet op basis van een onvolledig dossier kan beslissen. Verweerder heeft het hof in dat verband tevens verzocht ambtshalve te bezien of sprake is van een kennelijke beoordelingsmisslag in de beslissing van het hof van 29 augustus 2025 in de zaken 240241H, 240242H en 240243H (ECLI:NL:TAHVD:2025:165). Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat hij herziening van die herzieningsbeslissing verzoekt. In de pleitaantekeningen is dit alles door verweerder nader uiteengezet.

10.3 Het hof stelt voorop dat na een gegrond verklaard herzieningsverzoek de zaak in hoger beroep opnieuw wordt behandeld, maar met dien verstande dat geen ruimte bestaat om nieuwe beroepsgronden naar voren te brengen. Er is slechts plaats voor een nadere beschouwing en/of onderbouwing van (een) reeds eerder ingenomen standpunt(en). In de mondelinge uitspraak van 17 januari 2025 is dat ook aan verweerder en de deken meegedeeld.

10.4 Wat verweerder ter zitting van 17 april 2026 heeft aangevoerd over de (on)bevoegdheid van het hof om in zaken die zijn ingeleid met een dekenbezwaar maatregelen op te leggen, kan niet worden aangemerkt als een nadere beschouwing dan wel onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt. Verweerder heeft dit standpunt niet eerder ingenomen en het hof heeft daarover in de oorspronkelijke beslissing van 8 maart 2024 dan ook niet kunnen oordelen. Wat verweerder hierover aanvoert, kan in deze stand van de procedure, nog afgezien van de vraag of het juist is wat verweerder aanvoert, niet meer in de beoordeling worden betrokken.

10.5 Verder heeft verweerder zich, zoals verweerder in zijn pleitaantekeningen ook heeft opgemerkt, reeds bij het indienen van het hoger beroep op het standpunt gesteld dat de deken (meerdere keren) bewust ontlastend bewijs heeft achtergehouden. Verweerder kleedt die beroepsgrond nu nader aan en betrekt daar nu ook de herzieningsbeslissing van het hof van 29 augustus 2025 in de zaken 240241H, 240242H en 240243H bij. Verweerder verzoekt het hof die beslissing (ambtshalve) te herzien. Verweerder heeft daarvoor in de genoemde zaken 240241H, 240242H en 240243H ook een apart verzoek ingediend. Het verzoek in die zaken is door de voorzitter daarvan afgewezen bij brief van 28 mei 2026. Die beslissing kan niet opnieuw aan de orde worden gesteld.

10.6 Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de gegrondverklaring van het herzieningsverzoek bij mondelinge uitspraak van het hof van 17 januari 2025 ook het door verweerder gewenste vervolg moet krijgen, namelijk dat de uitspraak waarvan herziening is gevraagd ook daadwerkelijk wordt herzien. Die vraag beantwoordt het hof ontkennend. Een nieuwe beoordeling van de zaak, rekening houdend met het verweer van 2 oktober 2022, werpt geen ander licht op de zaak. Het hof heeft daarin geen feiten of omstandigheden aangetroffen, die tot een andere conclusie nopen.

Conclusie

10.7 De conclusie op basis van het vorenstaande is dat wat verweerder in deze herzieningsprocedure naar voren heeft gebracht niet leidt tot een herziening van de beslissing.

11 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

wijst het verzoek om herziening van de beslissing van het hof van 8 maart 2024, gewezen onder nummer 220244D, af.

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

griffier                                                                                                      voorzitter          

De beslissing is verzonden op 3 juli 2026.