ECLI:NL:TAHVD:2026:194 Hof van Discipline 's Gravenhage 260215 260223
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:194 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-07-2026 |
| Datum publicatie: | 02-07-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing |
| Beslissingen: | Verwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over deken wordt niet verwezen op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. De beslissing van de deken om een schriftelijke reactie in een lopend klachtonderzoek al dan niet aan het dossier toe te voegen, is een procedurele beslissing in het kader van het klachtonderzoek. Het klachtrecht is geen middel om een dergelijke beslissing van de deken ter discussie te stellen. Klager kan, na afronding van het onderzoek door de deken en betaling van het griffierecht, zijn klacht laten toetsen door de Raad van Discipline en binnen de kaders van die procedure kan klager ook zijn klachten over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen aan de raad voorleggen. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 2 juli 2026
in de zaken 260215 en 260223
naar aanleiding van een klacht van:
klager
over:
mr. M.A.R.C. Padberg
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam
de deken
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 8 juni 2026 van klager. Hierin heeft klager een dringend verzoek tot interventie, dan wel tot de formele registratie van een tuchtrechtelijk bezwaar jegens de deken gedaan.
1.2 Klager heeft aan de klacht ten grondslag gelegd dat de deken in een lopende klachtprocedure het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor, dan wel de wettelijke onderzoeksplicht van artikel 46c Advocatenwet heeft geschonden. Klager heeft uiteengezet dat hij op 31 mei 2026 bij de deken in een lopend klachtonderzoek een cruciale inhoudelijke reactie heeft ingediend, die door de deken integraal buiten beschouwing is gelaten. De deken heeft daaraan ten grondslag gelegd dat stukken die niet mogen worden doorgezonden aan de wederpartij door de deken niet bij de behandeling van de klacht betrokken kunnen worden en dat de advocaat over wie klager bij de deken een klacht heeft ingediend bovendien al een slotreactie heeft gegeven. Klager heeft erop gewezen dat hij de deken op 8 juni 2026 vervolgens uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk toestemming heeft gegeven om zijn bericht met bijlagen van 31 mei 2026 alsnog aan de betreffende advocaat te verstrekken. Hierdoor is de door de deken opgeworpen procedurele belemmering komen te vervallen en bestaat er geen enkel wettelijk of feitelijk argument meer om dit stuk te weigeren, aldus klager. Klager verzoekt het hof:
1. de deken te wijzen op zijn wettelijke verplichting tot het voeren van een volledig
onderzoek met inachtneming van hoor en wederhoor;
2. te bewerkstelligen dat het bericht van 31 mei 2026 alsnog officieel aan het
dekenale dossier wordt toegevoegd en doorgezonden wordt aan de advocaat over wie klager
een klacht heeft ingediend voor een eventuele reactie (dupliek);
3. subsidiair, indien de deken weigert te capituleren, deze klacht formeel in
te boeken als een tuchtklacht tegen het handelen van de deken zelf, en deze wegens
strijdige belangen ter behandeling door te verwijzen naar een deken in een aangrenzend
arrondissement.
1.3 Op 15 juni 2026 heeft het hof van de deken het webformulier ontvangen waarmee klager de betreffende klacht op 8 juni 2026 bij de deken heeft ingediend. De deken heeft het hof verzocht de klacht in behandeling te nemen en te beoordelen of deze verwezen dient te worden.
2 DE BEOORDELING
2.1 Het hof stelt voorop dat het hof geen wettelijke bevoegdheid heeft om in te grijpen in een lopend klachtonderzoek door de deken. Aan de verzoeken 1 en 2 van klager gaat het hof dan ook voorbij.
2.2 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.3 De beslissing van de deken om een schriftelijke reactie in een lopend klachtonderzoek al dan niet aan het dossier toe te voegen, is een procedurele beslissing in het kader van het klachtonderzoek. Het klachtrecht is geen middel om een dergelijke beslissing van de deken ter discussie te stellen.
2.4 Klager kan, na afronding van het onderzoek door de deken en betaling van het griffierecht, zijn klacht laten toetsen door de Raad van Discipline en binnen de kaders van die procedure kan klager ook zijn klachten over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen aan de raad voorleggen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst de verzoeken van klager af.
Deze beslissing is genomen op 2 juli 2026 door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 2 juli 2026.