ECLI:NL:TAHVD:2026:193 Hof van Discipline 's Gravenhage 260071
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:193 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260071 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet niet-ontvankelijk. Het hof stelt vast dat de termijn voor het indienen van hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter is verstreken. Klaagster heeft geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van hoger beroep. |
Beslissing van 29 juni 2026
in de zaak 260071
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft op 27 februari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot
aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 2 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van een situatie waarin klaagster geen advocaat bereid heeft gevonden om te beoordelen of er juridische mogelijkheden bestaan om hoger beroep in te stellen.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 3 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek behandeld zonder zitting op basis van de stukken
in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster heeft bij de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat voor het instellen van hoger beroep tegen het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken te rekenen vanaf de dag van het vonnis. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde derhalve op 6 maart 2026.
2.2 Klaagster is tijdens de procedure bij de rechtbank bijgestaan door advocaat mr. L. Na het vonnis van 6 februari 2026 heeft mr. L op 18 februari 2026 aan klaagster het volgende bericht:
“(..)
Ik heb het vonnis bestudeerd en ik ben met je eens dat het op belangrijke punten
niet de juiste informatie weergeeft. De vraag is of een hoger beroep zinvol zal zijn,
en daarover kan ik je het volgende meegeven.
De enige reden om hoger beroep in te stellen is de proceskostenveroordeling
– omdat het duidelijk is dat de verkoop niet tegengehouden zal kunnen worden. Dan
komt het neer op een afweging van de te maken kosten, en of het zinvol is.”
2.3 Op 26 februari 2026 heeft mr. L het volgende aan klaagster bericht:
“(..)
Overigens kan de voorzieningenrechter ook een beslissing geven die niet gunstig
uitpakt ten aanzien van de proceskostenveroordeling voor jou, en dan zit je alsnog
met deze veroordeling. Mijn advies is dan ook om het verzoek aan de voorzieningenrechter
in te trekken zodra mr N aan mij bevestigd dat de proceskosten niet worden geïnd.
Een hoger beroep met deze stand van zaken is geen optie, aangezien er in hoger beroep ook niet bepaald wordt hoe het zal verlopen met de woning in Spanje, en waarbij het proces- verbaal van vorig jaar nog altijd in stand zal blijven, omdat daar geen hoger beroep tegen is ingesteld.”
2.4 De deken heeft het verzoek van klaagster om een advocaat aan te wijzen voor het instellen van hoger beroep afgewezen omdat er geen sprake van een situatie waarin klaagster geen advocaat bereid heeft gevonden om te beoordelen of er juridische mogelijkheden bestaan om met enige kans op succes hoger beroep in te stellen. De deken heeft erop gewezen dat mr. L gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij een hoger beroep in de kort gedingzaak niet kansrijk acht. Zij heeft met klem geadviseerd geen hoger beroep in te stellen. Nu de wederpartij bereid is af te zien van de proceskostenveroordeling die in de bodemzaak is uitgesproken vervalt volgens mr. L zelfs elke rechtsgrond van het hoger beroep. De deken heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13 Advocatenwet.
2.5 Verder heeft de deken opgemerkt dat zij geen advocaat aanwijst als op voorhand duidelijk is dat met een procedure bij de rechter niet kan worden bereikt wat de rechtzoekende wil. Er wordt geen advocaat aangewezen indien de rechtszaak bij voorbaat geen redelijke kans van slagen heeft. Zoals hiervoor aangegeven heeft mr. L gemotiveerd aangegeven waarom er volgens haar onvoldoende mogelijkheden bestaan om met enige kans op succes hoger beroep in te stellen. De deken heeft geen reden om aan dit procesadvies te twijfelen.
2.6 Tenslotte wijst de deken erop dat het verzoek pas op 2 maart 2026 is binnengekomen, terwijl de hoger beroepstermijn op 6 maart 2026 eindigt. De deken heeft erop gewezen dat dit te kort dag is om een advocaat aan te wijzen.
2.7 Op 17 maart 2026 heeft het hof aan klaagster gevraagd of zij het beklag wil doorzetten, ondanks het feit dat de termijn waarbinnen zij hoger beroep kon instellen op 6 maart 2026 is verlopen. Klaagster is erop gewezen dat zij, bij voortzetting van het beklag, er rekening mee moet houden dat het beklag niet-ontvankelijk kan worden verklaard, omdat zij daar geen belang meer bij heeft door de verstreken termijn.
2.8 Klaagster heeft op 19 maart 2026 aan het hof laten weten dat zij haar beklag wenst voort te zetten.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klaagster
heeft aangevoerd dat het standpunt van de deken dat zij reeds werd bijgestaan door
mr. L feitelijk onjuist was. Op 2 maart 2026 heeft mr. L zich aan haar zaak heeft
onttrokken. Klaagster stelt dat zij in een situatie verkeert waarin aanwijzing verplicht
is. De hoger beroepstermijn verstrijkt op 6 maart 2026. Zonder advocaat kan klaagster
geen hoger beroep instellen. Daarmee voldoet zij aan de voorwaarden van artikel 13
lid 1 Advocatenwet. Door de afwijzing van de deken wordt klaagster de mogelijkheid
ontnomen om tijdig hoger beroep in te stellen. Dit vormt volgens klaagster een ernstige
beperking van haar recht op toegang tot de rechter.
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat de termijn voor het instellen van hoger beroep
op 6 maart 2026 is verstreken. Het aanwijzen van een advocaat is derhalve zinloos
geworden. Nu het doel van klaagster -het instellen van hoger beroep- niet langer bereikt
kan worden, heeft de deken verzocht het beklag ongegrond te verklaren.
3.3 Verder heeft de deken gesteld dat zij het verzoek om aanwijzing van een advocaat om gegronde redenen heeft afgewezen. Zij heeft geen reden om aan het procesadvies van mr. L te twijfelen. Van een situatie als bedoeld in artikel 13 Advocatenwet was dan ook geen sprake. Bovendien was de termijn te kort om nog een advocaat te kunnen aanwijzen.
3.4 De deken heeft erop gewezen dat zij, nadat zij het verzoek van klaagster had afgewezen, van klaagster een verzoek tot herziening van de beslissing om geen advocaat aan te wijzen heeft ontvangen omdat mr. L zich inmiddels had onttrokken aan haar zaak. Klaagster stelde zich op het standpunt dat zij nu wel aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet zou voldoen. Bij e-mail van 3 maart 2026 is aan klaagster te kennen gegeven dat haar e-mail geen aanleiding gaf de beslissing te herzien en dat zij zich tot het hof kon wenden.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het hof stelt vast dat de termijn voor het indienen van hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter 6 februari 2026 verliep op 6 maart 2026. Nu deze termijn is verstreken, heeft klaagster geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van hoger beroep. Reeds om die reden is het beklag niet-ontvankelijk. De door klaagster in het beklag genoemde gronden, die door de deken zijn weersproken, behoeven daarom geen bespreking meer.
4.3 Uit het voorgaande volgt dat het beklag tegen de beslissing van de deken van 2 maart 2026 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 2 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.E.H. van
der Voort Maarschalk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 29 juni 2026.