ECLI:NL:TAHVD:2026:191 Hof van Discipline 's Gravenhage 260082
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:191 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260082 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 niet-ontvankelijk. De -verlengde- termijn voor het instellen van beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2026 verliep op 12 maart 2026. Nu deze termijn is verstreken, heeft klager geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van hoger beroep. Reeds om die reden is het beklag niet-ontvankelijk. Inmiddels is cassatieberoep ingesteld door een advocaat die voor klager de zaak mag behandelen. De in het beklag genoemde gronden behoeven daarom, bij gebrek aan belang, geen bespreking meer. |
Beslissing van 29 juni 2026
in de zaak 260082
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 25 februari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing
van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 25 februari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de termijn te kort is om een cassatieadvocaat aan te wijzen. Op 27 februari 2026 heeft klager opnieuw verzocht om aanwijzing van een advocaat. Bij beslissing van 3 maart 2026 heeft de deken ook dit verzoek afgewezen.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 3 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken
van 3 maart 2026 ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
1.5 Het hof heeft het verzoek behandeld zonder zitting op basis van de stukken
in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager wil beroep in cassatie instellen tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2026. De termijn om cassatie in te stellen is acht dagen na de dag van de uitspraak.
2.2 De deken heeft aan de beslissing van 25 februari 2026 om geen advocaat aan te wijzen ten grondslag gelegd dat klager het verzoek om een advocaat aan te wijzen om voor hem cassatie in te stellen te laat heeft gedaan. Het verzoek is ingediend op 25 februari 2026 en de termijn om cassatie in te stellen eindigt eveneens op 25 februari 2026. De deken heeft zich op het standpunt gesteld dat van een aan te wijzen cassatieadvocaat niet kan worden verwacht dat deze advocaat in één dag het nog te verkrijgen dossier bestudeert en cassatie instelt.
2.3 Op 3 maart 2026 heeft de deken, in reactie op de brief van 27 februari 2026 van de Hoge Raad, die klager aan de deken heeft gezonden met het herhaalde verzoek om een advocaat aan te wijzen, te kennen gegeven dat zijn verzoek -wederom- wordt afgewezen. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat gebleken is dat klager op 26 februari 2026 zelf cassatieberoep heeft ingesteld bij de Hoge Raad. Uit de door klager overgelegde brief van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de door klager ingediende procesinleiding niet voldoet aan de eisen van artikel 407 lid 3 Rv, nu daarin niet een advocaat bij de Hoge Raad is aangewezen die klager in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen. Dit gebrek kan worden hersteld door hetzelfde schriftuur -uiterlijk op 12 maart 2026- in te dienen. De deken heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de door klager ingediende procesinleiding niets meer mag worden gewijzigd. Een aan te wijzen advocaat kan enkel nog zijn of haar handtekening onder de procesinleiding zetten. Aangezien de cassatieadvocaat een eigen verantwoordelijkheid heeft en moet onderzoeken of de betreffende beslissing tot cassatie kan leiden, en dit niet meer mogelijk is, heeft de deken aan klager bericht dat zij niet kan overgaan tot aanwijzing van een advocaat.
2.4 Op 17 maart 2026 heeft het hof aan klager meegedeeld dat de (verlengde) cassatietermijn op 12 maart 2026 is verstreken. Dat betekent dat klager geen cassatie meer kan instellen. Het hof heeft aan klager verzocht te laten weten of hij het beklag desondanks wilt voortzetten.
2.5 Klager heeft in reactie hierop op 17 maart 2026 laten weten dat hij het beklag wil voortzetten. Klager heeft erop gewezen dat inmiddels cassatie is ingesteld door een cassatieadvocaat. Klager meent echter dat door de Orde een principieel (hoger) recht is geschonden. Door laat en hardvochtig te reageren, heeft de deken niet gehandeld zoals zij zou moeten handelen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens
klager gaat de opvatting en ‘enge’ kijk op artikel 13 (advocatenwet) van de deken
voorbij aan het EHRM. Klager stelt dat de deken weigert mee te werken om een situatiegerichte
oplossing te vinden. Volgens klager lijkt de deken vooral op zoek te zijn naar verdere
ondermijning van het grondrecht op toegang tot het recht. Klager kan de persoonlijke
interpretatie van de Advocatenwet van de deken niet volgen en is ervan overtuigd dat
de hogere (internationale) rechtbanken -welke deze wel weten te respecteren en daarom
honoreren - daar ook grote bezwaren tegen zullen hebben.
Verweer
3.2 De deken heeft erop gewezen de termijnen in het faillissementsrecht kort
zijn. Klager is door de rechtbank van Amsterdam bij vonnis van 6 januari 2026 in staat
van faillissement verklaard. Per e-mail van 14 januari 2026 heeft klager hoger beroep
aangetekend. Het had voor de hand gelegen dat klager hierop vooruitlopend alvast contact
op zou nemen met een cassatieadvocaat die zo nodig kon optreden indien het hoger beroep
zou worden afgewezen.
3.3 De deken blijft bij het standpunt van 25 februari 2026 dat het niet mogelijk is om op de dag dat de termijn verloopt nog een advocaat aan te wijzen in een cassatiezaak. In het kader van het tweede verzoek heeft de deken opgemerkt dat niet kan worden verlangd dat een advocaat wordt aangewezen voor het enkel “blind” overnemen van een niet door een cassatieadvocaat geëntameerde cassatieprocedure. Met de beslissing van 3 maart 2026 heeft de deken dit toegelicht: een aanwijzing zou in strijd zijn met de tuchtrechtelijke regel dat een advocaat een zaak niet mag verdedigen als hij/zij die in gemoede niet verdedigbaar acht.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
4.2 De -verlengde- termijn voor het instellen van beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 februari 2026 verliep op 12 maart 2026. Nu deze termijn is verstreken, heeft klager geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van hoger beroep. Reeds om die reden is het beklag niet-ontvankelijk.
4.3 Daarnaast heeft klager op 17 maart 2026 aan het hof bericht dat inmiddels cassatieberoep is ingesteld door een advocaat die voor hem de zaak mag behandelen. De door klager in het beklag genoemde gronden, die door de deken zijn weersproken, behoeven daarom, bij gebrek aan belang, geen bespreking meer.
4.4 Uit het voorgaande volgt dat het beklag tegen de beslissing van de deken van 25 februari 2026 en de vervolgbeslissing van 3 maart 2026 niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissingen van 25 februari 2026 en 3 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 29 juni 2026.