We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:190 Hof van Discipline 's Gravenhage 260069

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:190
Datum uitspraak: 29-06-2026
Datum publicatie: 29-06-2026
Zaaknummer(s): 260069
Onderwerp: Tuchtprocesrecht
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond. In verzet heeft klager de gronden die hij aan de klacht ten grondslag heeft gelegd herhaald. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat een klacht tegen een deken niet is bedoeld om de inhoud van een dekenvisie ter discussie te stellen of een andere procedurele beslissing van de deken (niet-doorzending van de klacht) aan te vechten. Door het klachtrecht daarvoor in te zetten wordt op een oneigenlijke wijze gebruik gemaakt van het klachtrecht. 

Beslissing van 29 juni 2026
in de zaak 260069

naar aanleiding van het verzet 
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof 
van 19 maart 2026 in de klacht van:


klager

tegen:

mr. I. Aardoom-Fuchs
advocaat en deken te Den Haag

verweerster


1    DE PROCEDURE 

1.1    Met de beslissing van 19 maart 2026 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht tegen verweerster afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2026:155 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 19 maart 2026 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast
- het verweerschrift. 

1.3    Het hof heeft het verzet behandeld zonder zitting, op basis van de stukken in het dossier.  

2    HET VERZET

De gronden van verzet
2.1    Klager heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat de klacht tegen verweerster niet door hem is ingediend. De procedure is geïnitieerd door de stafjurist van het bureau van de Orde van Advocaten Den Haag, zonder volmacht van klager. Omdat het tuchtrecht een klager veronderstelt en een door klager ingediende klacht ontbreekt, is de procedure niet-ontvankelijk. Klager stelt dat de procedure tot stand is gekomen via een stafjurist die zonder mandaat namens klager heeft gehandeld. Door het doorsturen van de klacht is een procedure gecreëerd die niet door de wet wordt gedragen.

2.2    Daarnaast stelt klager dat er sprake is van schending van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. De voorzitter heeft buiten de grenzen van zijn wettelijke bevoegdheid heeft gehandeld, nu de klacht inhoudelijk is beoordeeld en op basis daarvan de verwijzing heeft verwijzing is geweigerd.

2.3    Klager heeft aangevoerd dat de beslissing van de voorzitter in belangrijke mate is gebaseerd op de aanname dat de klacht zou zijn ingediend om onder het griffierecht uit te komen. Deze aanname is onjuist en volgens klager irrelevant voor de vraag of verwijzing ex artikel 46c lid 5 Advocatenwet moet plaatsvinden.

2.4    Tenslotte stelt klager dat de deken het griffierecht uitsluitend kenbaar heeft gemaakt via een summiere passage in een e-mail, zonder formeel, zelfstandig  en verifieerbaar betalingsdocument. Hierdoor is het volgens klager onmogelijk om bij de gemeente een verzoek om bijzondere bijstand voor het griffierecht te onderbouwen. Daarmee is betaling niet mogelijk en wordt de toegang tot de tuchtrechter geblokkeerd. Klager heeft in dit verband gewezen op artikel 6 EVRM.

2.5    Klager heeft het hof verzocht om het verzet gegrond te verklaren, de beslissing van 19 maart 2026 te vernietigen, vast te stellen dat er geen rechtsgeldige klacht door klager bij het hof is ingediend, de zaak alsnog te verwijzen conform artikel 46c lid 5 Advocatenwet, vast te stellen dat het handelen van de stafjurist buiten mandaat heeft plaatsgevonden en te bevestigen dat de oorspronkelijke klacht tegen mr. J. van S. inhoudelijk dient te worden voortgezet conform artikel 46d Advocatenwet.

Het verweer
2.6    Verweerster heeft in reactie op het verzet een overzicht gegeven van de voorgeschiedenis met betrekking tot de klacht tegen mr. van S. Aan klager is op 27 januari 2026 bericht dat als hij de klacht aan de Raad van Discipline wil voorleggen hij het griffierecht van € 50,- uiterlijk op 24 februari 2026 dient te hebben voldaan.

2.7     Op 27 februari 2026 is aan klager bericht dat de klacht niet zal worden doorgezonden omdat het griffierecht niet is ontvangen. Daarop heeft klager een klacht ingediend waarbij hij heeft verzocht om het besluit tot sluiten van het dossier in te trekken, om een factuur te verstrekken zodat klager een beroep op betalingsonmacht kan doen bij de gemeente en om een schriftelijke bevestiging dat de klacht alsnog zal worden doorgeleid naar de raad van Discipline.

2.8     Verweerster heeft erop gewezen dat zij op 3 maart 2026 aan klager te kennen heeft gegeven dat zij geen gehoor zou geven aan klagers eisen. Klager is verzocht aan te geven of zijn klacht kon worden aangemerkt als klacht in de zin van hoofdstuk 9 Awb. Klager stuurde diezelfde dag:
    
    ‘Ik eis dan ook het volgende:
    Herstel van de termijn tot betaling griffierecht inclusief toezending van een formele factuur die     voldoet aan de daaraan te stellen vereisten;
    -     Onverwijlde doorgeleiding van de oorspronkelijke klacht aan de Raad van Discipline     conform     artikel 46d lid 3 en 4 Advocatenwet;
    -    Volledige verschoning van uzelf en uw staf in verdere behandeling van beide klachten;
    -    Een formeel schrijven aan mr. van S. waarin u erkent dat de klacht nooit is ingetrokken en     dat de mededeling van sluiting onterecht was.’

2.9    Verweerster wijst op de klacht die klager op 27 februari 2026 en (herhaald op 3 maart 2026) tegen haar heeft ingediend wegens onder meer partijdigheid, belangenverstrengeling en schending van zorgvuldigheidsplichten in de behandeling van zijn zaak. Klager gaf aan dat deze klacht los staat van de onderliggende klacht tegen mr. van S. en terstond, conform het daartoe geldende regime, elders dient te worden beoordeeld. Volgens klager diende verweerster zich te verschonen. Verweerster heeft klager op 3 maart 2026 te kennen had gegeven dat zij niet aan zijn eisen zou voldoen en heeft de klacht op 4 maart 2026 doorgeleid naar het hof voor een verwijzing naar een deken van een andere orde. 

2.10 Volgens verweerster bevat het verzetschrift tegenstrijdigheden. Enerzijds stelt klager geen klacht bij het hof te hebben ingediend tegen verweerster, anderzijds verzoekt klager het hof de zaak alsnog te verwijzen naar een deken van een ander arrondissement conform artikel 46c lid 5 Advocatenwet. 

2.11  Het enige dat klager volgens verweerster wil bereiken is dat zijn klacht tegen mr. van S. ter beoordeling wordt doorgezonden naar de Raad van Discipline. 

3    BEOORDELING 


Verzet mogelijk? 
3.1    De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. 

3.2    De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf
3.3    Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

3.4    Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter.

3.5    Het hof onderschrijft het standpunt van verweerster dat zij de klacht die klager op 27 februari 2026 tegen haar heeft ingediend en heeft herhaald op 3 maart 2026, gelet op het gestelde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet, terecht heeft doorgeleid naar het hof voor een beoordeling van de vraag of de klacht diende te worden doorverwezen naar een deken van een andere orde. De stelling van klager dat de procedure is geïnitieerd door de stafjurist van het bureau van de Orde van Advocaten Den Haag, zonder volmacht van klager, mist feitelijke grondslag en wordt niet gevolgd. 

3.6    In verzet heeft klager de gronden die hij aan de klacht tegen verweerster ten grondslag heeft gelegd herhaald. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. De voorzitter heeft terecht geoordeeld dat een klacht tegen een deken niet is bedoeld (geen middel is) om de inhoud van een dekenvisie ter discussie te stellen of een andere procedurele beslissing van de deken (niet-doorzending van de klacht) aan te vechten. Door het klachtrecht daarvoor in te zetten wordt op een oneigenlijke wijze gebruik gemaakt van het klachtrecht. Wat in verzet verder naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verklaart daarom het verzet van klager ongegrond.

4    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-verklaart het verzet ongegrond.


Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk  en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 29 juni 2026.