ECLI:NL:TAHVD:2026:189 Hof van Discipline 's Gravenhage 260089
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:189 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-06-2026 |
| Datum publicatie: | 29-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260089 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klaagster ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die zij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken. Dat heeft klaagster niet gedaan. Het hof heeft uit de stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klaagster een advocaat nodig heeft. Het hof is daarom met de deken van oordeel dat klaagster haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd. Het is het hof voorts niet gebleken dat de deken de inspanningsverplichting om zelf een advocaat te vinden verkeerd heeft uitgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. De aanwijzingsbevoegdheid van de deken is een vangnetvoorziening, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden. |
Beslissing van 29 juni 2026
in de zaak 260089
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mr. W.W.H. Timmermans
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Gelderland
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft op 7 januari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot
aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 25 februari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek onvoldoende duidelijk is en dat klaagster de gevraagde informatie niet, althans onvoldoende heeft aangeleverd.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 16 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek behandeld zonder zitting op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster zoekt een advocaat voor herziening van een echtscheiding, het executeren van vorderingen die zij op haar ex-partner heeft en het vorderen van een contactverbod op straffe van een dwangsom. Zij heeft op 7 januari 2026 een verzoek ingediend bij de deken om aanwijzing van een advocaat.
2.2 Bij brief van 15 januari 2026 heeft de deken klaagster nader geïnformeerd over de vereisten waaraan een verzoek om aanwijzing moet voldoen en welke criteria worden gehanteerd bij de beoordeling van haar verzoek. In het bijzonder is klaagster erover geïnformeerd dat het aan haar als verzoekster is om aan te tonen dat zij serieuze inspanning heeft geleverd om zelf een advocaat te vinden en om een nadere toelichting over haar zaak te verschaffen.
2.3 Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, telefonisch contact opgenomen met de deken om te informeren dat klaagster op 20 januari 2026 een envelop met daarin een brief met verschillende bijlagen had achtergelaten bij de rechtbank. Deze envelop was bestemd voor de Orde van Advocaten. In deze brief stelt klaagster de deken aansprakelijk voor de schade die zij zou lijden. Zij stelt een reconstructie te geven van de feiten die de aanwijzing van een advocaat noodzakelijk maken. De verschillende bijlagen bestaan onder andere uit verschillende financiële overzichten en enkele afwijzingen van advocaten(kantoren).
2.4 Bij e-mails van 30 januari 2026 heeft klaagster de deken in gebreke gesteld en gesommeerd om een advocaat aan te wijzen. Bij brief van 5 februari 2026 heeft de deken klaagster nogmaals laten weten dat zij als verzoekster dient aan te tonen dat zij serieuze inspanning heeft geleverd om zelf een advocaat te vinden en om een nadere toelichting over haar zaak te verschaffen.
2.5 Bij e-mail van 5 februari 2026 heeft klaagster de aard van het geschil als volgt uiteengezet: “Geen geschil, maar Procesfraude en Netwerkcorruptie (22 jaar) (…) Om de complexiteit en de ernst te onderstrepen: het gaat hier om fraude gefaciliteerd door professionals”
2.6 Bij e-mail van 18 februari 2026 heeft klaagster antwoord gegeven op de vragen die aan haar gesteld waren op 5 februari 2026. Hierin heeft klaagster het volgende uiteen gezet: “Een contactverbod is noodzakelijk ter onmiddellijke bescherming van mijn fysieke en psychische gezondheid tegen aanhoudende belaging en financiële afpersing (de wederpartij stelt de uitbetaling van rechtmatige gelden voorwaardelijk aan het tekenen van onjuiste, frauduleuze verklaringen).”
2.7 Bij brief van 25 februari 2026 heeft de deken het verzoek van klaagster om aanwijzing van een advocaat afgewezen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Volgens
klaagster stelt de deken ten onrechte dat haar verzoek onvoldoende duidelijk is en
dat de noodzaak voor verplichte procesvertegenwoordiging niet is gebleken. Deze conclusie
is het resultaat van een weigering om de feitelijke, complexe context van procesfraude,
diefstal van bewijsmiddelen en medische overmacht te integreren in de beoordeling.
3.2 Klaagster stelt dat er sprake is van bewijsnood door toedoen van de wederpartij (schending art. 6 EVRM). De deken verwijt klaagster een gebrek aan onderbouwing inzake de financiële vorderingen en de noodzaak van een contactverbod. Klaagster heeft de deken er op 20 januari 2026 echter op gewezen dat haar administratie in december 2022 door de wederpartij is ontvreemd. Klaagster stelt dat de deken haar hiermee gevangen houdt in een onmogelijke cirkelredenering: er wordt bewijs geëist dat gestolen is door de partij waartegen zij moet procederen.
3.3 Klaagster is van mening dat de deken de casus reduceert tot een reguliere vordering onder de competentiegrens van de kantonrechter (<€25.000). De zaak overstijgt dit echter fundamenteel. Het betreft systematische fraude, waaronder het uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek tijdens een periode van dakloosheid (valsheid in geschrifte, art. 225 Sr) en stelselmatige oudervervreemding (art. 1:247 lid 4 BW). De ernst en schaal van deze casus blijken objectief uit het feit dat formele meldingen inmiddels in behandeling zijn bij de FIOD, de Nationale Ombudsman en de Officier van Justitie, en dat de casus tevens is voorgelegd Zembla. Voor het in goede banen leiden van een dergelijk multidisciplinair dossier, het vernietigen van frauduleuze overeenkomsten en het aanpakken van identiteitsfraude is bijstand van een gespecialiseerde advocaat volgens klaagster absoluut en dwingend vereist.
3.4 Volgens klaagster is er sprake van procedurele onzorgvuldigheid en het negeren van fysiek overhandigd bewijs. Klaagster stelt dat de deken suggereert in de correspondentie -van 5 februari 2026- dat de stukken met vertraging bij het Ordebureau terecht zijn gekomen wegens verkeerde adressering. Klaagster heeft het officieel afgestempelde bewijs van ontvangst op 20 januari 2026 (14:40 uur) bijgevoegd. Hieruit blijkt volgens haar onomstotelijk dat het volledige dossier, inclusief de sommatie en het primaire bewijs van de fraude, fysiek is afgeleverd en in ontvangst is genomen. De weigering van de deken om de inhoud van deze tijdig en fysiek overhandigde stukken te integreren in de besluitvorming, toont aan dat het verzoek moedwillig is gereduceerd tot een administratieve afvinklijst, waarmee de werkelijke rechtsnood wordt genegeerd.
3.5 Er is sprake van medische overmacht en gijzeling. De deken negeert klaagsters fysieke en mentale ineenstorting als gevolg van een acht jaar durende vernietigingsstrategie. Klaagster stelt in een complete burn-out te verkeren, die officieel is vastgesteld op 3 januari 2024. Het medisch dossier bevestigt deze gesteldheid, evenals de diagnose PTSS veroorzaakt door het strategisch misbruik van klaagsters hechtingswond door middel van tactieken uit de dark psychology en oudervervreemding. Om haar medische privacy te borgen, voegt klaagster dit dossier niet ongevraagd als bijlage toe. g
3.6 Klaagster wijst erop dat er sprake is van vormfouten in de afwijzingsprocedure. De deken werpt haar tegen dat zij advocaten heeft benaderd die niet op toevoegingsbasis werken. Zij heeft echter drie geldige afwijzingen overgelegd van advocaten die wél voldoen aan de criteria. De deken gebruikt een administratieve irrelevantie om het verzoek op inhoudelijke gronden niet verder te hoeven behandelen. Klaagster heeft het hof verzocht de beslissing van de deken van 25 februari 2026 te vernietigen en de deken de opdracht te geven per ommegaande een gespecialiseerde advocaat aan te wijzen die haar kan bijstaan in het doorbreken van deze juridische en financiële gijzeling.
Verweer
3.7 De deken heeft, in reactie op de stelling van klaagster dat zij gevangen
wordt gehouden in een cirkelredenering door bewijs te eisen dat gestolen is door de
partij waartegen zij moet procederen, opgemerkt dat klaagster bij brief van 15 januari
2026 is geïnformeerd over de vereisten waaraan een verzoek om aanwijzing moet voldoen.
Het is aan klaagster als verzoekster om de benodigde informatie aan te leveren. Dat
klaagster zich op het standpunt stelt dat zij daartoe niet (volledig) in staat is
wegens de gestelde ontvreemding van haar administratie door de wederpartij, maakt
dit uitgangspunt niet anders. Verder heeft klaagster onvoldoende stukken aangeleverd
waaruit blijkt dat sprake is van een vordering van meer dan € 25.000,- of dat sprake
zou zijn van een andere situatie die procesvertegenwoordiging vereist.
3.8 Van een procedurele onzorgvuldigheid vanwege het negeren van fysiek overhandigd bewijs is volgens de deken geen sprake. Klaagster heeft op 20 januari 2026 een envelop afgegeven bij de informatiebalie van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. Dit is te zien aan de stempel op de brief. De Orde van Advocaten Gelderland bevindt zich op een andere locatie en houdt geen kantoor in de rechtbank. De deken stelt dat hij persoonlijk naar de rechtbank is gelopen om de stukken op te halen. De desbetreffende stukken zijn daarna meegenomen in het verzoek om aanwijzing.
3.9 Voor zover klaagster zich beroept op medische overmacht en haar fysieke en mentale ineenstorting, geldt volgens de deken dat dit -hoe vervelend en ingrijpend het ook voor klaagster kan zijn- niet afdoet aan haar verplichting om te voldoen aan de vereisten voor een verzoek om aanwijzing. Ten overvloede heeft de deken opgemerkt dat klaagster deze stellingen bovendien niet, althans onvoldoende, met objectieve en verifieerbare stukken heeft onderbouwd.
3.10 Tot slot heeft de deken gereageerd op de stelling van klaagster dat sprake zou zijn van vormfouten in de aanwijzingsprocedure, omdat de deken een administratieve irrelevantie zou gebruiken om het verzoek niet verder te hoeven behandelen. Klaagster meent dat het eisen van minimaal zes schriftelijke afwijzingen een administratieve irrelevantie is. De deken stelt dat van verzoekster mag worden verwacht dat zij schriftelijk bewijs levert van benaderde advocaten en hun reacties (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:TAHVD:2026:28). De deken wijst erop dat klaagster (meermaals) is geïnformeerd dat het aan haar als verzoekster is om aan te tonen dat zij zich voldoende heeft ingespannen om zelf een advocaat te vinden en op welke wijze zij dit kan aantonen. Verzoekster dient, indien zij in aanmerking komt voor een toevoeging, uitsluitend advocaten te benaderen die werkzaamheden verrichten op basis van een toevoeging. Daarnaast dient verzoekster uitsluitend advocaten te benaderen die werkzaam zijn in het desbetreffende rechtsgebied. Ten overvloede heeft de deken opgemerkt dat het verzoek niet is afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende schriftelijke afwijzingen van advocaten, maar wegens algehele onduidelijkheid van het verzoek.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klaagster ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die zij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waarom de deken heeft verzocht, te verstrekken.
4.3 Dat heeft klaagster niet gedaan. Het hof heeft uit de stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klaagster een advocaat nodig heeft. Het hof is daarom met de deken van oordeel dat klaagster haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat dit niet anders is vanwege het feit dat klaagster zich op het standpunt stelt dat zij daartoe niet (volledig) in staat is wegens de gestelde ontvreemding van haar administratie door de wederpartij. De deken heeft dan ook afwijzend mogen beslissen op het aanwijzingsverzoek van klaagster.
4.4 Het is het hof voorts niet gebleken dat de deken de inspanningsverplichting om zelf een advocaat te vinden verkeerd heeft uitgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. De aanwijzingsbevoegdheid van de deken is een vangnetvoorziening, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden.
4.5 Uit het voorgaande volgt dat het beklag van klaagster ongegrond zal worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 25 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 29 juni 2026.