We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:187 Hof van Discipline 's Gravenhage 260088

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:187
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 22-06-2026
Zaaknummer(s): 260088
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet.  Niet-ontvankelijk. Klager heeft op 20 maart 2026 laten weten dat hij een advocaat heeft gevonden die hem kan bijstaan in de procedure waarvoor klager op grond van artikel 13 Advocatenwet bij de deken om aanwijzing van een advocaat heeft verzocht. Dat klager zelf een advocaat heeft gevonden maakt niet dat klager belang houdt bij de behandeling van zijn beklag, zoals klager heeft aangevoerd. Klager miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende zelf geen advocaat kan vinden. Nu klager daar alsnog in is geslaagd, heeft klager geen belang meer bij zijn aanwijzingsverzoek.

Beslissing van 22 juni 2026

in de zaak 260088

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager

tegen:

mr. W.W.H. Timmermans

Deken van de Orde van Advocaten Gelderland

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 9 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager onvoldoende heeft aangetoond dat hij een belang heeft dat boven € 1.750,-- ligt. Dat betekent dat klager geen hoger beroep kan instellen.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 9 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Het beklag is door klager op 13 maart 2026 schriftelijk nader toegelicht met bijlagen.

1.4 Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek
  • bericht van klager aan het hof van 20 maart 2026.

1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

2 FEITEN

2.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2 Op 11 februari 2026 heeft klager per webformulier met bijlagen bij de deken een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. Klager gaf in zijn verzoek aan dat hij een advocaat zoekt voor het hoger beroep van een civiele procedure bij de kantonrechter. Klager heeft in eerste aanleg € 797,13 gevorderd van de firma V omdat klager stelt schade te hebben geleden door het schilderen van de kozijnen van zijn huurwoning. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen in zijn vonnis van 28 januari 2026.

2.3 Bij e-mail van 12 februari 2026 is de ontvangst van het verzoek om aanwijzing door de deken bevestigd aan klager. Daarbij is aan klager de Richtlijn aanwijzing advocaat en informatie over een verzoek ex artikel 13 Advocatenwet toegezonden.

2.4 Op 16 februari 2026 is klager nader schriftelijk geïnformeerd over de vereisten waaraan een verzoek om aanwijzing moet voldoen en welke criteria worden gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek van klager. Daarbij is klager erover geïnformeerd dat het aan hem als verzoeker is om aan te tonen dat er sprake is van een zaak die niet volstrekt kansloos zal zijn en om aan te tonen dat hij serieuze inspanning heeft geleverd om zelf een advocaat te vinden.

2.5 Klager heeft op 1 maart 2026 schriftelijk gereageerd op deze brief met de mededeling dat zijn schade € 1.514,63 bedraagt en dat er daarnaast sprake zou zijn van emotionele schade.

2.6 De deken heeft het aanwijzingsverzoek van klager op 9 maart 2026 afgewezen omdat de vordering van klager niet uitkomt boven € 1.750,-- waardoor hoger beroep niet mogelijk is.   

2.7 Op 20 maart 2026 heeft klager aan de griffie van het hof te laten weten dat hij een advocaat heeft gevonden en dat aanwijzing van een advocaat niet meer nodig is.

2.8 Op 12 april 2026 heeft klager aan de griffie van het hof laten weten dat hij zijn beklag niet intrekt.

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen en meent dat hij belang houdt bij zijn beklag omdat hij zelf heeft voorzien in een advocaat en dit niet de verdienste is van de deken. Verder stelt klager dat hij voldeed aan de voorwaarden voor de aanwijzing van een advocaat. Zijn emotionele schade is namelijk niet in geld uit te drukken.

Verweer

3.2 De deken heeft primair aangevoerd dat klager geen belang meer heeft bij zijn beklag omdat klager een advocaat heeft gevonden. Subsidiair stelt verweerder dat het beklag ongegrond is. Hoger beroep is uitsluitend mogelijk wanneer het financieel belang meer dan € 1.750,-- bedraagt. Klager heeft echter onvoldoende onderbouwd dat zijn financieel belang hoger is dan € 1.750,--. Daarnaast heeft klager geen schriftelijke afwijzingen toegestuurd waaruit blijkt dat klager zelf advocaten heeft benaderd.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 Klager heeft op 20 maart 2026 laten weten dat hij een advocaat heeft gevonden die hem kan bijstaan in de procedure waarvoor klager op grond van artikel 13 Advocatenwet bij de deken om aanwijzing van een advocaat heeft verzocht. Dit maakt dat klager geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn beklag door het hof. Dat klager zelf een advocaat heeft gevonden maakt niet dat klager belang houdt bij de behandeling van zijn beklag, zoals klager heeft aangevoerd.

4.3 Klager miskent daarmee dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende zelf geen advocaat kan vinden. Nu klager daar alsnog in is geslaagd, heeft klager geen belang meer bij zijn aanwijzingsverzoek.

4.4 Het hof komt dan ook tot de slotsom dat klager niet in zijn beklag kan worden ontvangen. De overige beklaggronden behoeven om die reden geen bespreking meer.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag tegen de beslissing van 9 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten Gelderland.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 22 juni 2026.