ECLI:NL:TAHVD:2026:186 Hof van Discipline 's Gravenhage 260083
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:186 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260083 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De mogelijkheid tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet is geen imperatieve bevoegdheid die de deken verplicht om een advocaat aan te wijzen indien de verzoeker heeft laten zien dat hij zelf geen advocaat heeft kunnen vinden, over een door de Raad voor Rechtsbijstand afgegeven toevoeging beschikt en/of de gewenste procedure technisch gecompliceerd is, maar een discretionaire bevoegdheid van de deken. Klager kan ook op andere wijze juridische bijstand verkrijgen in de procedure bij de kantonrechter, bijvoorbeeld door een jurist van een juridisch adviesbureau. Ook kan klager advies inwinnen bij de rechtswinkel of het juridisch loket. |
Beslissing van 22 juni 2026
in de zaak 260083
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen
Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 9 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat er geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt voor de door klager gewenste procedure.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 11 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
2.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.2 Klager heeft op 6 maart 2026 de deken verzocht een advocaat aan te wijzen om hem bij te staan in het geschil dat hij heeft met zijn werkgever [R], hierna te noemen [R]. Klager is via [R] werkzaam geweest bij [SLH] te H. Klager is lid (geweest) van de Ondernemingsraad van [R]. Klager heeft zich ziek gemeld. [R] heeft aangegeven de tijdelijke arbeidsovereenkomst met klager niet te verlengen, waardoor de arbeidsovereenkomst van klager is geëindigd op 29 maart 2026. Klager wenst een procedure te beginnen tegen [R] om die te bewegen de arbeidsovereenkomst te verlengen, dan wel een beëindigingsvergoeding te betalen. Klager is hierin aanvankelijk bijgestaan door mr. E die heeft aangegeven dat hij niet voldoende aanknopingspunten ziet om in rechte te kunnen komen tot verlenging van de arbeidsovereenkomst of een substantiële financiële compensatie. Het is klager niet gelukt een advocaat te vinden die de zaak van mr. E wil overnemen.
2.3 De deken heeft klager in een e-mailbericht op 6 maart 2026 verzocht om nadere
informatie.
Bij e-mailbericht van diezelfde dag heeft klager daarop gereageerd. Bij e-mailbericht
van
8 maart 2026 heeft klager een aanvullende reactie gestuurd aan de deken.
2.4 Op 9 maart 2026 heeft de deken het verzoek van klager afgewezen omdat voor een procedure bij de kantonrechter (ongeacht het financieel belang) geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De deken heeft klager gewezen op de mogelijkheid van het vinden van een advocaat via het Juridisch Loket of de rechtswinkel, bijstand door een niet-advocaat (jurist) en hulp via een vertaalprogramma in het geval klager de Nederlandse taal niet goed zou beheersen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken zijn aanwijzingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen en voert daartoe aan dat de deken fundamentele beginselen van een eerlijk proces miskent (equality of arms, artikel 6 EVRM) alsook de uitzonderlijke feiten van zijn dossier: klager spreekt geen Nederlands en beperkt Engels, zijn ziekteverzuim is arbeidsgerelateerd en klager is lid van de Ondernemingsraad waardoor zijn zaak technisch complex is en klager een advocaat nodig heeft die is gespecialiseerd in de Wet op de ondernemingsraden. Ook is zijn zaak complex door de Wet bescherming Klokkenluiders en de Arbowet, en er is volgens klager sprake van fraude binnen de Ondernemingsraad van [R]. Volgens klager is effectieve toegang tot de rechter zonder professionele bijstand illusoir.
3.2 Klager voert aan dat hij aantoonbaar meer dan 25 vergeefse pogingen heeft gedaan om een advocaat te vinden. Advocaten willen hem niet bijstaan op basis van een toevoeging of er is sprake van een commercieel belangenconflict met [R]. Ter bewaring van zijn rechten heeft klager op 16 maart 2026 zelfstandig een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter; echter dit betekent niet dat klager geen advocaat nodig heeft, aldus klager. Daarbij heeft de rechtbank Overijssel zijn verzoek niet in behandeling genomen. Dat toont volgens klager aan dat hij geen voldoende rechtsbescherming heeft zonder advocaat.
Verweer
3.3 De deken heeft aangevoerd dat er geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt voor de procedure die klager wil beginnen. Verder wijst de deken erop dat mr. E heeft aangegeven dat de door klager gewenste procedure niet kansrijk is waarmee ook niet is voldaan aan de voorwaarde van “voldoende belang”. Dat klager de nodige inspanningen heeft gedaan om een advocaat te vinden is niet de enige voorwaarde om een advocaat aan te wijzen en het beschikken over een afgegeven toevoeging evenmin, aldus de deken. Klager kan zich in de procedure laten bijstaan door een niet-advocaat en daarvoor is klager gewezen op het Juridisch Loket en de rechtswinkel. Deze instanties kunnen klager ook helpen bij het indienen van zijn verzoek bij de rechtbank Overijssel zodat het aan de formele vereisten voldoet. Niet is gebleken dat klager dat gedaan heeft. Ook kan klager de website raadplegen waarnaar de rechtbank Overijssel verwijst in haar brief van 19 maart 2026.
3.4 De deken verzoekt het hof het beklag ongegrond te verklaren.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Het hof ziet in hetgeen klager in zijn beklag heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een andere beslissing dan de deken te komen. Het hof licht dit als volgt toe.
4.3 De mogelijkheid tot aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet is geen imperatieve bevoegdheid die de deken verplicht om een advocaat aan te wijzen indien de verzoeker heeft laten zien dat hij zelf geen advocaat heeft kunnen vinden, over een door de Raad voor Rechtsbijstand afgegeven toevoeging beschikt en/of de gewenste procedure technisch gecompliceerd is, maar een discretionaire bevoegdheid van de deken. De beslissing van de deken is een weging van factoren waarin de door klager aangevoerde argumenten worden meegenomen maar ook andere zoals – gelijk in deze zaak – het feit dat voor de gewenste procedure rechtsbijstand door een advocaat niet verplicht is. Dat klager rechtsbijstand door een advocaat wenselijk acht begrijpt het hof maar dat klager (vooralsnog) geen advocaat heeft kunnen vinden omdat volgens klager advocaten hem niet willen bijstaan op basis van een toevoeging danwel omdat er sprake is van een commercieel belangenconflict met [R.] – wat daar verder ook van zij – betekent niet dat de deken daarom een advocaat moet aanwijzen die klager gaat bijstaan in zijn procedure tegen [R].
4.4 Klager kan ook op andere wijze juridische bijstand verkrijgen in de procedure bij de kantonrechter, bijvoorbeeld door een jurist van een juridisch adviesbureau. Ook kan klager advies inwinnen bij de rechtswinkel of het juridisch loket. Het staat klager vrij zich door een advocaat te laten bijstaan maar klager kan niet afdwingen dat de deken daarin voorziet, ook niet als de onderliggende kwestie complex is, zoals klager aanvoert.
4.5 Het feit dat de rechtbank Overijssel klager op 19 maart 2026 heeft geïnformeerd dat zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet in behandeling kon worden genomen omdat zijn aanvraag niet voldeed aan de formele inhoud waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen, maakt het voorgaande niet anders.
4.6 Hetgeen klager verder heeft aangevoerd maakt het vorenstaande evenmin anders. Dit betekent dat het hof het beklag ongegrond zal verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 9 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 juni 2026