ECLI:NL:TAHVD:2026:185 Hof van Discipline 's Gravenhage 260067
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:185 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260067 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet. Gegrond. In tegenstelling tot de deken is het hof van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier niet zonder meer als vaststaand aan te nemen valt dat de vordering van klager is verjaard. Onduidelijk is of de deken onder kennisneming van de juiste informatie van de door klager benaderde advocaten op goede gronden tot de conclusie kon komen dat sprake was van een kansloze zaak. Verder heeft de deken aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat het gebrek aan kans van slagen van de zaak zou blijken uit de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam. Gezien het feit dat deze tuchtrechter een waarschuwing heeft opgelegd is het standpunt van de deken zonder toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk. |
Beslissing van 22 juni 2026
in de zaak 260067
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. A.G. Moeijes
Deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 23 februari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 3 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 24 januari 2026 heeft klager bij de Orde van Advocaten Noord-Nederland verzocht om de aanwijzing van een advocaat.
2.2 Dit verzoek is op 26 januari 2026 door de Orde van Advocaten Noord-Nederland doorgezonden naar de deken.
2.3 Op 29 januari 2026 heeft de deken aanvullende vragen aan klager gesteld en informatie toegestuurd over de aanwijzing van een advocaat door een deken.
2.4 Op 30 januari 2026 heeft klager op verzoek van de deken een nadere toelichting verstrekt.
2.5 Klager is in de periode van 2012 tot 2018 onder behandeling geweest van een dermatoloog van [naam ziekenhuis], (hierna: het ziekenhuis). Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam heeft bij beslissing van 1 december 2023 de klacht van klager over de dermatoloog gedeeltelijk gegrond verklaard. De dermatoloog heeft niet ten volle de zorg geleverd die verwacht mocht worden van een redelijk bekwaam en handelend dermatoloog (onjuiste en onvolledige verslaglegging in het dossier van klager). Aan de dermatoloog is de maatregel van een waarschuwing opgelegd.
2.6 Klager wil een procedure starten tegen het ziekenhuis om immateriële schade te vorderen.
2.7 Klager heeft verschillende advocaten benaderd met de vraag om bijstand in deze kwestie maar heeft geen advocaat gevonden die hem bij wil staan.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken zijn aanwijzingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen. De deken verwijst in zijn afwijzingsbeslissing naar mr. Van D als de advocaat van klager. Mr. Van D is echter werkzaam als jurist van het ziekenhuis, aldus klager. Volgens mr. Van D is de vordering verjaard omdat de vordering is ontstaan in 2018. Klager wijst erop dat volgens één van de door hem benaderde advocaten de verjaring was gestuit. Voor andere advocaten die hij heeft benaderd was verjaring niet de reden om klager niet bij te willen staan. De deken heeft ten onrechte geen betekenis gegeven aan de tuchtrechtelijke uitspraak waarvan klager een link naar de uitspraak had meegestuurd in zijn aanwijzingsverzoek.
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat door verschillende advocaten is geoordeeld dat de zaak van klager niet succesvol zal zijn doordat niet of nauwelijks aangetoond zal kunnen worden dat de dermatoloog een fout heeft gemaakt met schadelijke gevolgen en vanwege verjaring van de vordering van klager. Volgens verweerder heeft het ziekenhuis op basis van medische gegevens en correspondentie met klager juni 2018 als ingangsdatum vastgesteld voor de verjaringstermijn.
3.3 De deken is van mening dat het aanwijzingsverzoek van klager op juiste gronden is afgewezen, ook na lezing door de deken van door klager op 24 februari 2026 aan de deken nagezonden stukken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 In tegenstelling tot de deken is het hof van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier niet zonder meer als vaststaand aan te nemen valt dat de vordering van klager is verjaard.
4.3 Het argument van de deken in zijn verweerschrift dat mr. Van D uitgaat van juni 2018 als datum waarop de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen, acht het hof daarvoor niet redengevend. In tegenstelling tot wat de deken aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, is mr. Van D niet door klager benaderd om als zijn advocaat voor hem op te treden tegen het ziekenhuis. Zoals klager ook heeft benadrukt, is mr. Van D als jurist werkzaam bij het ziekenhuis, de wederpartij van klager. Mr. Van D verwoordt derhalve het standpunt van het ziekenhuis. Verder dateert de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam van 1 december 2023 (en niet 2018 zoals de deken stelt) waardoor een processueel verweer tegen dit standpunt van het ziekenhuis (verjaring van de vordering) niet bij voorbaat kansloos lijkt. Daarmee ontvalt in zoverre de grondslag aan de beslissing van de deken.
4.4 Aan zijn beslissing heeft de deken overigens ten grondslag gelegd dat het inhoudelijk, naast de verjaring, een kansloze zaak betreft. Klager heeft in het webformulier van 24 januari 2026 meerdere namen van advocaten genoemd die klager heeft benaderd maar klager heeft, ondanks het expliciete verzoek van de deken op 29 januari 2026, nagelaten de reacties van de advocaten die klager heeft benaderd, toe te sturen aan de deken, althans op basis van de stukken is het hof niet gebleken dat klager dit heeft gedaan. Daarmee is onduidelijk of de deken onder kennisneming van de juiste informatie van de door klager benaderde advocaten op goede gronden tot de conclusie kon komen dat sprake was van een kansloze zaak. Verder heeft de deken aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat het gebrek aan kans van slagen van de zaak zou blijken uit de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam. Gezien het feit dat deze tuchtrechter een waarschuwing heeft opgelegd is het standpunt van de deken zonder toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 23 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland gegrond;
- draagt de Deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland op om met inachtneming van deze beslissing opnieuw op het verzoek tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13, lid 1 Advocatenwet te beslissen.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 juni 2026.