ECLI:NL:TAHVD:2026:184 Hof van Discipline 's Gravenhage 250451
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:184 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250451 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet. Niet-ontvankelijk. Klager heeft in zijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat op 17 december 2025 aangegeven dat hij een kort geding-procedure wil starten om een omgangsregeling te bewerkstelligen in de kerstperiode 2025. Nu de kerstperiode 2025 is verstreken heeft klager geen belang meer bij de behandeling van zijn beklag. De beklaggronden behoeven daarom geen verdere bespreking. |
Beslissing van 22 juni 2026
in de zaak 250451
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. E.J.M. Rosier
Deken van de Orde van Advocaten Limburg
de deken
1 DE PROCEduRE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 19 december 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de door klager gewenste procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 21 december 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 17 december 2025 heeft klager bij de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat om een kort geding-procedure te starten voor een omgangsregeling met zijn kinderen in de aankomende kerstperiode.
2.2 Op 19 december 2025 heeft de deken het aanwijzingsverzoek afgewezen omdat volgens de deken de tijd te kort is om voor de kerstdagen een advocaat aan te wijzen die de zaak kan behandelen, een kort geding procedure te starten en een beslissing van de rechtbank te krijgen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager betwijfelt of hij met zijn verzoek het onmogelijke vraagt. Het bestuderen van het dossier zou niet tijdrovend hoeven te zijn omdat zijn eenvoudige vraag ziet op de omgangsbeschikking (verdelen bij helfte van de vakantie en feestdagen). Verder stelt klager dat hij vanaf 12 december 2025 bezig is geweest om een advocaat te vinden. Vanwege de vele afwijzingen van advocaten heeft klager op 17 december 2025 de deken om aanwijzing van een advocaat gevraagd.
Verweer
3.1 De deken heeft primair aangevoerd dat klager door tijdsverloop geen belang meer heeft bij zijn beklag. Klager wilde een kort geding-procedure voor een omgangsregeling tijdens de kerstperiode 2025 en die is inmiddels verstreken. Subsidiair stelt de deken dat de beslissing tot afwijzing van het aanwijzingsverzoek van klager op juiste gronden is genomen. Op 19 december 2025 was het niet langer haalbaar om nog voor de kerstdagen een kort geding (met zitting) te starten.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Klager heeft in zijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat op 17 december 2025 aangegeven dat hij een kort geding-procedure wil starten om een omgangsregeling te bewerkstelligen in de kerstperiode 2025. Nu de kerstperiode 2025 is verstreken heeft klager geen belang meer bij de behandeling van zijn beklag.
4.3 Het hof komt daarom tot de slotsom dat klager niet kan worden ontvangen in zijn beklag. De beklaggronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag tegen de beslissing van 19 december 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten Limburg.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 juni 2026.