ECLI:NL:TAHVD:2026:183 Hof van Discipline 's Gravenhage 250410

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:183
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 22-06-2026
Zaaknummer(s): 250410
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klaagster heeft geen eigen, rechtstreeks belang bij haar klachtonderdelen die gaan over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder ten behoeve van zijn cliënt (de vader van klaagster). Niet is gebleken dat verweerder zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten of bewust onwaarheden heeft verkondigd over de medische situatie van zijn cliënt (vader van klaagster). Verweerder is met zijn uitlatingen en handelwijze gebleven binnen de toepasselijke tuchtrechtelijke kaders. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

Beslissing van 22 juni 2026

in de zaak 250410

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder

1 INLEIDING

1.1  De klacht gaat over de advocaat van de wederpartij. Klaagster heeft geen eigen, rechtstreeks belang bij haar klachtonderdelen die gaan over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder ten behoeve van zijn cliënt (de vader van klaagster). Niet is gebleken dat verweerder zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten of bewust onwaarheden heeft verkondigd over de medische situatie van zijn cliënt (vader van klaagster). Verweerder is met zijn uitlatingen en handelwijze binnen de toepasselijke tuchtrechtelijke kaders gebleven. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) en het Hof van Discipline (hierna: het hof) uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof tot de bekrachtiging komt.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-188/A/A) een beslissing genomen op 20 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:193 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 18 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad;
  • het verweerschrift van verweerder;
  • aanvullende stukken van klaagster.

2.5   Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 13 april 2026. Daar zijn klaagster en mevrouw E. Goedhart (curator van de vader van klaagster) verschenen en verweerder met mr. L.W. Castelijns. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2 Op 29 april 2021 is de vader van klaagster (hierna: de vader) gediagnostiseerd met MCI (Mild Cognitive Impairment).

3.3 Na de diagnose MCI is een casemanager dementie bij de vader betrokken. In juli 2021 heeft zij geestelijke en lichamelijke achteruitgang geconstateerd bij de vader.

3.4 Op 3 februari 2022 heeft de casemanager gerapporteerd, voor zover relevant:

“Het verloop van de achteruitgang is sinds juli 2021 snel. (…) Mijn advies met betrekking tot [de vader] zijn geestelijke en lichamelijke achteruitgang is om uit te gaan kijken naar een woonvorm waar [de vader] zorg en begeleiding dicht in zijn omgeving heeft.”

3.5  Op 8 maart 2022 heeft klaagster, samen met haar broer en zus, bij de kantonrechter een verzoek tot ondercuratelestelling van de vader ingediend. Vader werd, nadat het provisioneel bewind bij beschikking van 11 maart 2022 was ingesteld, in die procedure tot ongeveer eind juni 2022 bijgestaan door mr. S. Nadat zij zich aan de zaak had onttrokken, heeft verweerder de bijstand aan de vader eind juni 2022 op zich genomen.

Bijstand door mr. S

3.6 Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2022 is klaagster (samen met haar broer) benoemd tot provisioneel bewindvoerder van de vader en is het verzoek tot ondercuratelestelling aangehouden. “De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de processtukken, sprake is van een situatie waarin onmiddellijke bescherming van betrokkene [RvD: de vader] noodzakelijk is. (…) Het spoedeisende karakter van het verzoek rechtvaardigt benoeming van de voorgestelde provisionele bewindvoerders [klaagster en haar broer] met ingang van heden. (…) De bewindvoerder heeft alle bevoegdheden die een curator krachtens de wet heeft.”

3.7  Op 7 juni 2022 heeft de vader met bijstand van mr. S bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 11 maart 2022 voor zover hierin klaagster en haar broer tot provisioneel “Vader kan zich niet aan de indruk onttrekken dat zijn kinderen anticiperen op hun vrees dat zij bij zijn overlijden minder geld ontvangen dan waar zij op rekenen. Dit is de reden dat de kinderen zijn partner ten onrechte afschilderen als een geldwolf. Dat is niet het geval. Ook betwist de vader dat hij zijn kinderen onevenredig benadeelt. Hij is zich bewust van de financiële transacties, die hij aangaat. Zijn belangen kan hij nog steeds behartigen.”

3.8  Op 11 juni 2022 heeft de neuroloog (dokter G) bij de vader de diagnose dementie vastgesteld.

Bijstand door verweerder

3.9 Na het instellen van hoger beroep heeft mr. S de verdere behandeling van de zaak aan verweerder overgedragen, die zich op 28 juni 2022 bij het hof heeft gesteld als advocaat van vader.

3.10 Op 1 juli 2022 heeft verweerder namens de vader bij de kantonrechter een verweerschrift ingediend ten aanzien van het verzoek tot ondercuratelestelling. Hierin is onder meer het volgende naar voren gebracht:

“7.  Desondanks is de vader slechts gediagnostiseerd met een Mild Cognitive Impairment.  Sindsdien is bij de vader geen sprake van achteruitgang.

(…)

24. (…) Een persoon met MCI heeft soms problemen met het geheugen, maar kan nog zo goed als normaal functioneren in het dagelijks leven.

25. Dat houdt In dat de vader in staat is om beslissingen in zijn leven te overzien. Dat hij dit in overleg met zijn vriendin doet, of zijn vriendin daartoe opdracht geeft, maakt dat niet anders. Dat is zijn keuze. Bovendien blijkt hieruit dat de man gewoonweg wilsbekwaam is. Zijn geestelijke gezondheid is nog lang niet dusdanig slecht dat een onderbewindstelling of een mentorschap noodzakelijk is, laat staan een ondercuratelestelling.

 (…)

 38. Zowel voor ondercuratelestelling als onderbewindstelling of het instellen van mentorschap zijn zware maatregelen. Uit het verweerschrift blijkt dat deze maatregelen op dit moment niet passend zijn. Het is niet nodig om in te grijpen in het zelfbeschikkingsrecht van de vader.”

3.11 Bij e-mail van 4 juli 2022 heeft verweerder aan klaagster zijn verweerschrift toegezonden. Als productie bij het verweerschrift heeft verweerder het beroepschrift van mr. S van 7 juni 2022 ingebracht en hij schrijft hierover het volgende:

“Productie 4: Beroepschrift d.d. 7 juni 2022 van de voormalige advocaat van de vader, mr. S, die zich wegens belangenverstrengeling moest onttrekken uit de procedure. Ondertussen heeft ondergetekende zich eveneens voor de beroepsprocedure gesteld.”

3.12 Op de zitting van de kantonrechter van 19 juli 2022 is het verzoek tot ondercuratelestelling behandeld. Daarbij waren onder meer klaagster en de vader met verweerder aanwezig. De kinderen (waaronder klaagster) hebben een pleitnota voorgedragen. De kantonrechter heeft de vader in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de zitting op de pleitnota van de kinderen te reageren.

3.13 Dat heeft verweerder bij brief van 16 augustus 2022 namens de vader gedaan. In deze brief   reageert verweerder op de verschillende medische stukken en concludeert hij dat op basis van deze medische informatie niet de conclusie kan worden getrokken dat de vader niet in staat is zijn eigen belangen te behartigen en een ondercuratelestelling noodzakelijk is. Hij verzoekt om de zaak voor de duur van twee maanden aan te houden totdat het rapport in een lopende second opinion is afgerond. Verder schrijft verweerder, voor zover relevant:

“Thans is het de vader duidelijk dat het de kinderen om geld te doen, nu hij ten tijde van de afspraak bij de bank op 3 maart 2022 nog wel goed genoeg was om het bedrag te schenken, maar vervolgens -na kennisneming van het vermeende huwelijk- op 11 maart 2022 een provisioneel bewindvoerder is benoemd middels een verzoekschrift van 10 maart [RvD: 8 maart] 2022. Tussen het bezoek aan de bank en het verzoekschrift zit slechts een week.”

3.14 Op 2 september 2022 is in een second opinion onderzoek de diagnose dementie bevestigd door een ouderengeneeskundige (dokter K). Hij rapporteert op 16 september 2022:

“Conclusie: Het betreft een 83 jarige man met cognitieve stoornissen in verschillende domeinen die interfereren met zijn dagelijks functioneren. Het beeld past bij een beginnende dementie, waarschijnlijk op basis van een mengbeeld (Alzheimer/vasculair).”

3.15  Bij beschikking van de kantonrechter van 21 september 2022 is de vader onder curatele gesteld en is er een curator benoemd. Op 23 september 2022 heeft (onder andere) klaagster aan verweerder verzocht het beroep tegen het provisioneel bewind in te trekken, aangezien het provisioneel bewind niet meer relevant is nu er een onafhankelijke curator was benoemd. 

3.16 Op 21 december 2022 heeft verweerder bij het gerechtshof een beroepschrift ingediend tegen de beschikking van 21 september 2022, waarbij de vader onder curatele is gesteld.

3.17 Op 5 januari 2023 heeft medisch adviseur, dokter T, bij de vader opnieuw de diagnose dementie bevestigd. Hij schrijft op 6 januari 2023, voor zover relevant:

“Ondergetekende verklaart (…) van oordeel te zijn dat [de vader] gelet op zijn geestelijke toestand blijvend niet in staat wordt geacht zijn financiële en persoonlijke zaken en belangen zelfstandig naar behoren te behartigen. Mede gelet op het progressieve verloop van de psychogeriatrische stoornissen en beperkingen wordt de reeds ingestelde curatele objectief medisch ondersteund.”

3.18 Op 24 januari 2023 heeft verweerder een brief aan het gerechtshof gestuurd waarin verweerder subsidiair namens zijn cliënt diens partner (mevrouw P) aanwijst als de meest gerede partij om tot zijn curator te worden benoemd.

3.19 Op 25 januari 2023 heeft een zitting bij het gerechtshof plaatsgevonden.

3.20 Bij beschikking van het hof van 28 februari 2023 is het provisioneel bewind bevestigd en bij tweede beschikking van het hof van 28 februari 2023 is de ondercuratelestelling bevestigd. 

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a) verweerder heeft de dementie van de vader ontkend en aangevochten, waarbij de (medische) gegevens van de vader zijn genegeerd en verdraaid. Zo zijn de bevindingen van de casemanager dementie, de neuroloog, de specialist ouderengeneeskunde en de medisch adviseur door verweerder genegeerd en aangevochten;

b) verweerder heeft op basis van onwaarheden (i) beroep ingesteld tegen het provisioneel bewind, (ii) de bodemprocedure gevoerd, en (iii) beroep ingesteld tegen de ondercuratelestelling. Verweerder heeft de door deskundigen geconstateerde kwetsbaarheid en cognitieve achteruitgang van de vader betwist en heeft bij het instellen van beroep tegen de ondercuratelestelling het second opinion-onderzoek van 2 september 2022, waarin de diagnose dementie bij de vader van klaagster opnieuw is bevestigd, genegeerd;

c) verweerder heeft genegeerd dat de 83-jarige vader afhankelijk is en onder grote invloed staat van zijn 46-jarige buitenlandse vriendin, die met de vader wil trouwen en met de vader op huwelijksreis naar Indonesië wil. Verweerder heeft niet de belangen van de dementerende vader behartigd, maar de belangen van de vriendin van de vader;

d) verweerder heeft verzuimd contact op te nemen met klaagster/provisioneel bewindvoerders, voordat verweerder in hoger beroep ging tegen het provisioneel bewind. Verweerder heeft geen enkele poging ondernomen om met de drie kinderen van de vader in gesprek te gaan en te komen tot een minnelijke oplossing, maar de vader en de kinderen juist lijnrecht tegenover elkaar geplaatst; 

e)  verweerder heeft verzuimd de curator (de wettelijke vertegenwoordiger van vader) in te lichten over zijn voornemen in beroep te gaan tegen de ondercuratelestelling. Verweerder heeft de curator niet in kennis gesteld van de inhoud van zijn beroepschrift, waarin hij de dementie van vader opnieuw ontkent en aanvecht (ondanks het recente second opinion-onderzoek, waarin de dementie van vader opnieuw is bevestigd);

f)  verweerder heeft bepleit (i) dat de vader nog bekwaam zou zijn, (ii) dat klaagster ten onrechte de beschermingsmaatregel voor haar vader zou hebben aangevraagd, (iii) om de vader met zijn vriendin te laten trouwen, (iv) de vriendin van de vader als curator aan te wijzen; 

g) verweerder heeft zich kwetsend en met onwaarheden uitgelaten over klaagster en daarmee de belangen van klaagster geschaad. Verweerder heeft de band tussen vader en kinderen, die hun vader immer in zorg en zaken hebben bijgestaan, geschaad;

h) verweerder heeft de belangen van de dementerende vader geschaad. Het was immers de wens van vader dat zijn kinderen de zaken en de zorg voor hem op zich zouden nemen op het moment dat de vader daar zelf niet meer toe in staat zou zijn. Vader heeft psychisch en lichamelijk geleden onder de door verweerder ingestelde procedures;

i) verweerder heeft zeer polariserend en escalerend opgetreden in een precaire familiesituatie, waarin kinderen de moeilijke beslissing hebben moeten nemen om een beschermingsmaatregel aan te vragen voor hun dementerende vader;

j) verweerder heeft met zijn werkwijze een eerlijke rechtsgang voor de vader en kinderen belemmerd;

k) verweerder heeft als advocaat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid en integriteit geschonden;

l) verweerder heeft de volgende gedragsregels van de advocatuur geschonden. gedragsregel 1: Beroepsplichten, gedragsregel 2: Onafhankelijkheid, gedragsregel 5: Minnelijke oplossing, gedragsregel 6: Doelmatigheid, gedragsregel 7: Geen ongepaste uitlatingen, gedragsregel 8: Geen onjuiste informatie, gedragsregel 12: Zorgvuldigheid, gedragsregel 15: Belangenverstrengeling, gedragsregel 16: Informatieplicht, gedragsregel 20: Eerlijk proces;

m) verweerder heeft: a. zich onnodig grievend uitgelaten over de wederpartij b. feiten geponeerd waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen c. de belangen van de wederpartij onnodig en onevenredig geschonden zonder redelijk doel d. niet de belangen van vader behartigd, maar de belangen van vaders vriendin;

n) advocaten zoals verweerder, die medische verklaringen betreffende dementie betwisten/verdraaien/negeren en juridische procedures starten om zogenaamd in het belang van hun cliënt de dementie aan te vechten, maken misbruik van hun positie als advocaat en maken zich schuldig aan ouderenmisbruik ten behoeve van hun eigen portemonnee. Een dementerende is niet geholpen met het ontkennen van zijn dementie.

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft vastgesteld dat de verwijten van klaagster aan het adres van verweerder zijn weergegeven in de klachtonderdelen a) tot en met j) en n). Met de klachtonderdelen k), l) en m) heeft klaagster aangegeven welke normen en kernwaarden verweerder zou hebben geschonden. Deze bevatten geen concrete verwijten en zijn daarom niet zelfstandig beoordeeld door de raad.

Ontvankelijkheid

5.2 De raad heeft geoordeeld dat klaagster geen rechtstreeks eigen belang heeft bij haar klachtonderdelen a), b), c), e), f), h), j), (voor zover het betreft de belemmering van een eerlijke rechtsgang voor de vader) en n).

5.3 Deze klachtonderdelen - op klachtonderdeel e) na - hebben betrekking op de kwaliteit van verweerders bijstand aan de vader. De raad heeft overwogen dat het verweerder vrij staat om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem in samenspraak met zijn cliënt geraden voorkomt. Als wederpartij heeft klaagster geen bemoeienis hiermee en is zij (als wederpartij) niet rechtstreeks in haar eigen belangen getroffen. Daarom heeft de raad klaagster niet-ontvankelijk verklaard in deze klachtonderdelen.

5.4 Ook ter zake van klachtonderdeel e) is klaagster niet-ontvankelijk verklaard. In dit klachtonderdeel wordt verweerder verweten dat hij heeft verzuimd de curator (de wettelijke vertegenwoordiger van vader) in te lichten over zijn voornemen in beroep te gaan tegen de ondercuratelestelling. Klaagster wordt ook door dit handelen van verweerder niet rechtstreeks in haar belang getroffen. Het gaat hier om het belang van de curator en alleen de curator kan een klacht indienen over verweerder als hij vindt dat verweerder zich jegens hem tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen.

Inhoudelijke beoordeling

Klachtonderdelen d) en i)

5.5 De raad heeft geoordeeld dat deze klachtonderdelen niet slagen omdat, zoals ook door verweerder is aangevoerd, niet verweerder maar zijn voorganger (mr. S) op 7 juni 2022 hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 11 maart 2022 waarbij klaagster en haar broer tot provisioneel bewindvoerder zijn benoemd. Verweerder is pas daarna (eind juni 2022) bijstand gaan verlenen aan de vader van klaagster. Verweerder valt dan ook niet te verwijten dat klaagster als provisioneel bewindvoerder niet voorafgaand aan het instellen van hoger beroep is geïnformeerd. Voor wat betreft de overige verwijten in deze klachtonderdelen is de raad niet gebleken dat verweerder polariserend en escalerend heeft opgetreden. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat hij bij de belangenbehartiging van zijn cliënt heeft getracht om de familieverhoudingen zo min mogelijk op scherp te zetten. Op het moment dat verweerder de vader ging bijstaan, waren de verhoudingen tussen de vader en zijn kinderen echter al ernstig verstoord. Dit was het gevolg van het feit dat de vader het volstrekt niet eens was met het verzoek van de kinderen om hen tot provisioneel bewindvoerder te benoemen nu hij dit beschouwde als een onterechte inperking van zijn recht op zelfbeschikking. Ook het feit dat het verzoek om provisioneel bewind mede gestoeld was op de stelling dat sprake zou zijn van romantische fraude door de vriendin van de vader, heeft de verhoudingen tussen de familieleden verder op scherp gesteld. De vader wilde hierdoor niet meer in overleg met zijn kinderen. Dat verweerder daarin geen verandering heeft kunnen brengen, valt hem niet te verwijten. Evenmin valt verweerder te verwijten dat hij het hoger beroep tegen het provisioneel bewind niet op verzoek van klaagster heeft ingetrokken. Verweerder kan en mag immers enkel gehoor geven aan instructies van zijn eigen cliënt (de vader).

Klachtonderdeel g) 

5.6 De raad heeft geoordeeld dat de stukken onvoldoende basis bieden voor de verwijten in dit klachtonderdeel. Om te beginnen heeft niet verweerder maar zijn voorganger, mr. S, in het hoger beroepschrift van 7 juni 2022 namens de vader betoogd dat de kinderen zijn partner ten onrechte afschilderden als geldwolf. Deze bewoordingen kunnen verweerder daarom niet aangerekend worden. Dat verweerder zich aldus klaagster - door zich op 28 juni 2022 te stellen als de advocaat van de vader - achter de inhoud van het hoger beroepschrift heeft geschaard, betekent niet dat hij zich dan ook kan vinden in het taalgebruik van zijn voorganger. Wel schrijft verweerder namens de vader in zijn reactie van 16 augustus 2022 aan de kantonrechter dat het de vader thans duidelijk is dat het de kinderen om geld te doen was. Tegen de achtergrond van de onderliggende procedures en de wijze waarop klaagster zich, op haar beurt, heeft uitgelaten over de vader en zijn partner - die onder meer werd beschuldigd van romantische fraude - kwalificeren de door verweerder gebezigde bewoordingen niet als onnodig grievend (en leveren daarmee geen schending op van gedragsregel 7). Het verwijt is zakelijk weergegeven en verwoordt het standpunt van de vader in een procedure waarin voor de vader grote belangen op het spel stonden (namelijk zijn recht op zelfbeschikking). Deze bewoordingen waren naar het oordeel van de raad dan ook functioneel voor verweerder in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt. Dat verweerder verder bewust onjuiste feiten heeft verkondigd in de onderliggende procedures over de medische situatie van de vader (en daarmee in strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld) is de raad niet gebleken. Het stond verweerder vrij om het standpunt van zijn cliënt over zijn geestesvermogens partijdig weer te geven. Dat klaagster het niet eens is met de duiding van de medische informatie door verweerder betekent niet dat verweerder (bewust) informatie heeft verstrekt die onjuist is. Het feit dat partijen het hierover oneens zijn met elkaar is inherent aan het geschil dat partijen verdeeld houdt. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om in het onderliggende geschil een oordeel te geven.

Klachtonderdeel j) (overig)    

5.7 De raad heeft geoordeeld dat, nu klaagster deze stelling niet heeft onderbouwd en ook in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van dit verwijt, dit klachtonderdeel voor het overige ongegrond is.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

  1.  

6.1 Samenvattend heeft klaagster de volgende beroepsgronden aangevoerd.

Beroepsgrond 1

6.2 Onder verwijzing naar documenten die klaagster in de klachtprocedure bij de deken en de raad heeft ingebracht, stelt klaagster dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat die documenten onvoldoende basis bieden dat verweerder in de procedures onjuiste en misleidende informatie heeft ingebracht over de medische situatie van de vader van klaagster.

Beroepsgrond 2

6.3 De raad heeft volgens klaagster ten aanzien van de klachtonderdelen a), b), c), e), f) h), j) en n) ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Klaagster had verzocht om een beschermingsmaatregel voor haar vader en was benoemd tot provisioneel bewindvoerder van haar vader tijdens de eerste twee procedures. Daarom heeft zij een eigen belang bij deze klachtonderdelen, aldus klaagster. Verder voert klaagster aan dat zij door de handelwijze van verweerder persoonlijk is beschadigd. Volgens klaagster heeft de raad ten onrechte overwogen dat de relatie tussen haar vader en de kinderen al was verstoord op het moment dat verweerder voor haar vader ging optreden. Die relatie was volgens klaagster juist goed maar is door toedoen van verweerder ernstig beschadigd. Ook dit raakt het belang van klaagster.

Beroepsgrond 3

6.4 Volgens klaagster heeft de raad ten onrechte de klachtonderdelen k), l) en m) niet zelfstandig behandeld omdat daarin geen zelfstandige verwijten aan verweerder zouden staan. Klaagster verwijst naar wat zij ten aanzien van deze klachtonderdelen in repliek – volgens klaagster concreet – heeft aangevoerd. Ook verwijst klaagster naar de medische stukken die zijn ingebracht en die aan de basis liggen van alle in de klachtonderdelen genoemde verwijten.

Beroepsgrond 4

6.5 Volgens klaagster heeft de raad ten onrechte de klachtonderdelen d), g), i) en j) ongegrond verklaard. Ook hier verwijst klaagster naar haar repliek en de overgelegde documenten. Deze laten zien dat verweerder grievende en onware uitspraken heeft gedaan en polariserend/escalerend heeft opgetreden.

Beroepsgrond 5

6.6 Volgens klaagster heeft de raad de feiten selectief benoemd en daarmee een onvolledig, subjectief beeld geschetst. Hierdoor zijn volgens klaagster belangrijke feiten genegeerd en niet genoemd zoals de goede relatie tussen de vader van de klaagster en de kinderen, dat vader afhankelijk was van zijn vriendin, de kwetsbare positie van vader die de situatie niet meer kon overzien en dat verweerder leugens heeft verkondigd en volgens klaagster moedwillig een door verweerder zelf aangekondigde second opinion heeft achtergehouden.

Beroepsgrond 6

6.7 In deze beroepsgrond gaat klaagster nader in op de klachtonderdelen waarin klaagster niet-ontvankelijk is verklaard. Klaagster stelt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de toepasselijke maatstaf: de handelwijze van verweerder diende geen redelijk doel en was niet in het belang van zijn cliënt (de vader van klaagster), verweerder heeft een polariserende rol gespeeld en heeft de verhoudingen laten escaleren waarmee verweerder volgens klaagster de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (de kinderen van vader) uit het oog heeft verloren. Verder herhaalt klaagster dat zij als wederpartij van verweerder, als dochter van haar vader, als verzoeker van de beschermingsmaatregel voor haar vader en als provisioneel bewindvoerder voor haar vader een eigen belang heeft bij de klachtonderdelen a), b), c), e), f), h), j) en n.

6.8 Klaagster herhaalt (onder verwijzing naar de andere beroepsgronden van klaagster en de bij de raad gevoerde procedure) haar argumenten waarom de beslissing van de raad inhoudelijk onjuist is. Ook wijst klaagster op de maatschappelijke relevantie omdat uit de uitspraak van de raad volgens klaagster volgt dat de advocaat van een demente cliënt is gevrijwaard van enige vorm van controle of kritiek op zijn handelen.

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

Ten aanzien van de klachtonderdelen a), b), c), e), f) h), j) (voor zover het de eerlijke rechtsgang van de vader betreft) en n)

7.2 Klaagster heeft aangevoerd dat de raad ten onrechte heeft beslist dat klaagster bij deze klachtonderdelen geen eigen belang heeft en om die reden niet-ontvankelijk is verklaard.

7.3 Gelijk de raad heeft overwogen, is klaagster alleen ontvankelijk in het geval klaagster bij een klachtonderdeel een rechtstreeks, eigen belang heeft. Het hof begrijpt dat klaagster van mening is dat dit voor alle klachtonderdelen geldt omdat haar vader door verweerder werd bijgestaan en klaagster provisioneel bewindvoerder van haar vader was tijdens deze bijstand door verweerder. Uit jurisprudentie van het hof volgt echter dat klaagster als wederpartij van verweerder geen eigen, rechtstreeks belang heeft voor zover de betreffende klachtonderdelen zien op de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder ten behoeve van zijn cliënt. Dat die cliënt van verweerder de vader van klaagster is, maakt dit niet anders. Voor zover verweerder aan de belangen voorbij zou zijn gegaan, komt niet klaagster, maar de curator het recht toe hierover te klagen. Voor zover klachtonderdeel e) zou raken aan het algemeen belang – zoals door klaagster aangevoerd – is het aan de deken om een klacht in te dienen (Hof van Discipline 10 oktober 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:302).    

7.4 Voor zover deze klachtonderdelen raken aan de daaraan ten grondslag liggende, relevante feiten (zoals door klaagster aangevoerd), heeft klaagster daarbij uitsluitend een eigen belang als die feiten zijn komen vast te staan. Dat is volgens het hof echter niet het geval, wat het hof hierna zal toelichten.

7.5 Het hof volgt niet de stelling van klaagster dat verweerder het second-opinion onderzoek van 2  september 2022 heeft genegeerd (klachtonderdeel b). Tijdens het onderzoek ter zitting heeft verweerder uitgelegd (en door klaagster is dat niet weersproken) dat alle post voor zijn cliënt naar het adres van klaagster werd gestuurd omdat zij de provisioneel bewindvoerder van haar vader was. Ook de second opinion is naar dat adres gestuurd en verweerder is daarvan niet door klaagster op de hoogte gesteld. Daarom heeft verweerder de second opinion niet kunnen inbrengen in de procedure.

7.6 Gelet op de stukken en het onderzoek ter zitting heeft verweerder volgens het hof bepleitbare standpunten ingenomen, ook na de ontvangst van de medische verklaring over vader van 6 januari 2023. Voorts wijst het hof op artikel 1:381 lid 6 BW waaruit volgt dat degene die onder curatele is gesteld desalniettemin handelingsbekwaam blijft om in beroep te gaan tegen de uitgesproken ondercuratelestelling. De vader van klaagster kon en mocht derhalve zijn belangen door verweerder laten behartigen. Dat klaagster zich daardoor geconfronteerd zag met meerdere procedures maakt dan ook niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

7.7 Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van klaagster tegen de beslissing van de raad op de klachtonderdelen a), b), c), e), f) h), j) (deels) en n) niet slaagt.

Ten aanzien van klachtonderdeel d)

7.8 Het beroep van klaagster tegen de beslissing van de raad op dit klachtonderdeel slaagt niet. Wat betreft het niet informeren over het hoger beroep heeft de raad terecht overwogen dat niet verweerder, maar de voorganger van verweerder het beroepschrift tegen het uitgesproken provisioneel bewind heeft ingediend bij het gerechtshof. Op het punt van het niet zoeken van contact met de kinderen heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij – mede vanwege de moeizame familieverhoudingen – contact heeft gezocht met de advocaat van klaagsterom te bespreken of het nog zinvol was dat zij namens klaagster verweer zou voeren omdat inmiddels ook hoger beroep was ingesteld tegen de uitgesproken ondercuratelestelling. Verweerder betwist te hebben toegezegd het hoger beroep inzake het provisioneel bewind in te zullen trekken. Hij kon dat ook niet doen omdat zijn cliënt hem daarvoor geen toestemming had gegeven, aldus verweerder.

Ten aanzien van de klachtonderdelen g) en i)

7.9 Het hof ziet aanleiding deze klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Uit de stukken die deel uitmaken van het dossier is het hof niet gebleken dat de door verweerder gebruikte bewoordingen onnodig grievend of polariserend /escalerend zijn geweest. Het beroepschrift inzake de provisionele bewindvoering is bovendien opgesteld en ingediend door de voorganger van verweerder. De in dat beroepschrift opgenomen zinsnede ‘Dit is de reden dat de kinderen de partner van hun vader ten onrechte afschilderen als een geldwolf’ kan verweerder om die reden niet tegengeworpen worden.

7.10  Het is evident dat gelet op de aard van de procedures (bewindvoering/curatele) de standpunten van klaagster en van haar vader lijnrecht tegenover elkaar zijn komen te staan. Dat hierdoor de familieverhoudingen (verder) onder druk zijn komen te staan acht het hof voorstelbaar doch niet te wijten aan verweerder. Het hof constateert namelijk dat beide partijen in de procedures stevige woorden hebben gebruikt, ook door klaagster (‘romantische fraude’ en ‘ouderenmisbruik’). Het hof is van oordeel dat verweerder, als partijdig advocaat van zijn cliënt, ten opzichte van klaagster, in haar hoedanigheid van wederpartij, met zijn uitlatingen en handelwijze binnen de toepasselijke tuchtrechtelijke kaders is gebleven en oog is blijven houden voor de precaire familieverhoudingen. Ook is het hof – mede uit het onderzoek ter zitting - gebleken dat verweerder  met regelmaat heeft geverifieerd of zijn cliënt, die overigens op grond van de wet handelingsbekwaam is om zich in rechte te verweren tegen zijn ondercuratelestelling, in staat was om zijn wil te bepalen en begreep wat verweerder met hem besprak. Dit alles leidt ertoe dat het beroep tegen de beslissing van de raad op deze klachtonderdelen niet slaagt.  

Ten aanzien van klachtonderdeel j) (voor zover het de eerlijke rechtsgang van klaagster betreft)

7.11 In hoger beroep heeft klaagster nader toegelicht waarom haar een eerlijke rechtsgang is ontnomen omdat verweerder in de procedures stellingen en standpunten heeft ingenomen die in strijd met de feiten zijn. Daarmee heeft verweerder volgens klaagster ook in strijd gehandeld met artikel 21 Rechtsvordering. 

7.12 Het hof volgt klaagster hierin niet. Het is te begrijpen dat klaagster een heel andere visie op de (medische) situatie van haar vader had maar dat maakt niet dat verweerder niet het standpunt van zijn cliënt (geen curatele, geen beschermingsbewind) mocht bepleiten bij het gerechtshof. Uit het dossier en het onderzoek ter zitting is het hof niet gebleken dat verweerder dat op een zodanige wijze heeft gedaan dat hij daardoor tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof voegt daar nog aan toe dat de klacht van klaagster niet separaat wordt getoetst aan artikel 21 Rechtsvordering omdat doel en strekking van deze bepaling zijn verdisconteerd in de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet. Ook het beroep ten aanzien van dit klachtonderdeel slaagt niet.

Ten aanzien van de klachtonderdelen k), l) en m)

7.13 Deze klachtonderdelen hebben betrekking op de open normen in het advocatentuchtrecht en bevatten geen concrete klachten over verweerder. Klaagster heeft in haar beroepschrift een nadere toelichting op deze klachtonderdelen gegeven doch dit is onvoldoende om deze klachtonderdelen alsnog als een zelfstandige klacht over verweerder te beschouwen. Daarbij zijn de in deze klachtonderdelen genoemde normen reeds getoetst in de andere klachtonderdelen. Voor zover klaagster heeft beoogd het algemeen belang te willen dienen met deze klachtonderdelen, herhaalt het hof dat het de taak van de deken is om daarover te waken en de Advocatenwet hem daartoe ook de wettelijke middelen verschaft (onderzoek/indienen tuchtklacht). Ook het beroep ten aanzien van deze klachtonderdelen slaagt daarom niet.

Slotsom

7.14 Nu het door klaagster ingestelde beroep niet slaagt zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van 20 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-188/A/A.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter             

De beslissing is verzonden op 22 juni 2026.