We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:182 Hof van Discipline 's Gravenhage 250422

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:182
Datum uitspraak: 19-06-2026
Datum publicatie: 19-06-2026
Zaaknummer(s): 250422
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Overige gronden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen de advocaat van de wederpartij met waarschuwing. Klaagster verwijt verweerder dat hij werkzaamheden voor twee aandeelhouders aan de vennootschap heeft gedeclareerd, waarmee hij niet heeft gezorgd voor een juiste tenaamstelling en volledige inrichting van de facturen. Klaagster is ontvankelijk. Verweerder had zich rekenschap moeten geven van de gerechtvaardigde belangen van klaagster en heeft dat niet gedaan. Als gevolg van de (mede) door verweerder bewust gekozen wijze van factureren betaalde klaagster daar als wederpartij en aandeelhouder aan mee. De klacht is gegrond voor zover het gaat om de procedure die alleen de aandeelhouders en hun belangen betreft en die slechts tot doel had een afwikkeling van de samenwerking tussen de aandeelhouders te forceren. Verweerder had zijn declaraties voor deze werkzaamheden niet (langer) aan de vennootschap in rekening mogen brengen.

Beslissing van 19 juni 2026

in de zaak 250422

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

gemachtigden: mr. L.H. Rammeloo en mr. L.E. Verwey, advocaten te Amsterdam

tegen:

klaagster

gemachtigden: mr. S.J.B. Drijber en mr. S. Parijs, advocaten te Velp

1 INLEIDING

1.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij werkzaamheden voor twee aandeelhouders aan de Vennootschap heeft gedeclareerd, waarmee hij niet heeft gezorgd voor een juiste tenaamstelling en volledige inrichting van de facturen. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft dit onderdeel van de klacht gegrond verklaard. Verweerder heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

  1.  

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-325/A/A) een beslissing gewezen op 27 oktober 2025. In deze beslissing heeft de raad klachtonderdeel a) niet-ontvankelijk verklaard en klachtonderdeel b) gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:198 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 26 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad;
  • het verweerschrift van klaagster;
  • de e-mail met bijlage van 31 maart 2026 namens verweerder;
  • de e-mail met bijlage van 31 maart 2026 namens klaagster;
  • de e-mail van 1 april 2026 namens verweerder.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 april 2026. Daar zijn verweerder met zijn gemachtigden en mr. S.J.B. Drijber namens klaagster verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

3 FEITEN

3.1 Voor zover in hoger beroep nog van belang, gaat het hof uit van de volgende feiten.

3.2 De heren D, W en M hebben via hun persoonlijke holdings een gezamenlijke vastgoedportefeuille. Daarbij geldt dat:

-           D enig aandeelhouder en bestuurder van klaagster is;

-           W enig aandeelhouder en bestuurder van SP is;

-           M enig aandeelhouder en bestuurder van JWTM is.

3.3 Klaagster, SP en JWTM (de aandeelhouders) houden ieder één-derde van de aandelen in een beleggingsmaatschappij (de Vennootschap). De Vennootschap houdt zich voornamelijk bezig met de exploitatie van onroerende zaken. De aandeelhouders houden zich ook buiten de activiteiten van de Vennootschap, ieder voor zich en deels gezamenlijk, bezig met de exploitatie van onroerende zaken.

3.4 De aandeelhouders waren oorspronkelijk alle drie bestuurder van de Vennootschap. Sinds 2016 bestaat tussen de aandeelhouders (klaagster enerzijds en SP en JWTM anderzijds) en hun respectievelijke aandeelhouders-natuurlijke personen (D, W en M) onenigheid over de exploitatie, het financiële beleid en de gewenste ontvlechting van hun verschillende belangen in en buiten de Vennootschap. De partijen zijn in de loop der tijd door verschillende advocaten bijgestaan.

3.5 In 2019 is klaagster als bestuurder van de Vennootschap ontslagen. SP en JWTM waren als bestuurders zelfstandig bevoegd de Vennootschap te vertegenwoordigen.

3.6 Verweerder is in januari 2021 voor de Vennootschap gaan optreden. Bij brief van 21 januari 2021 heeft hij zich als zodanig bij de voormalig advocaat van klaagster bekend gemaakt.

3.7 Op 26 april 2021 heeft klaagster bij de Ondernemingskamer een enquêteprocedure aanhangig gemaakt tegen de Vennootschap. Verweerder heeft in deze procedure namens de Vennootschap als verweerster en namens SP en JWTM als belanghebbenden verweer gevoerd. De Ondernemingskamer heeft het enquêteverzoek bij beschikking van 25 februari 2022 afgewezen.

3.8 Op 24 december 2021 heeft de Vennootschap bij klaagster en D een beheervergoeding in rekening gebracht voor door de Vennootschap ten behoeve van klaagster en D verrichte beheerwerkzaamheden. Klaagster en D hebben geweigerd de hen in rekening gebrachte bedragen te betalen.

3.9 Tijdens aandeelhoudersvergaderingen van 30 september 2022 en 25 april 2023 is namens klaagster aan het bestuur van de Vennootschap verzocht omde stijging van de advocaatkosten in de vast te stellen jaarrekeningen toe te lichten.

3.10 Op 7 juni 2023 heeft klaagster een tweede enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer gestart tegen de Vennootschap. Verweerder heeft zowel namens de Vennootschap als namens SP en JWTM verweer gevoerd in deze procedure.

3.11 Op 11 juli 2023 is verweerder namens SP, JWTM en de Vennootschap tegen klaagster en haar enig aandeelhouder en bestuurder D een dagvaardingsprocedure gestart. In die procedure werd primair van klaagster nakoming gevorderd van eerder gemaakte procesafspraken tot afwikkeling van de samenwerking en betaling aan de Vennootschap van de aan klaagster en D in rekening gebrachte beheervergoeding. Subsidiair werd uitstoting van klaagster als aandeelhouder gevorderd (hierna ook wel de uitstotingsprocedure genoemd).

3.12 Bij beschikking van 9 oktober 2023 heeft de Ondernemingskamer de verzoeken van klaagster toegewezen en is mr. E benoemd als bestuurder van de Vennootschap met beslissende stem. Daarnaast heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken binnen de Vennootschap over de periode vanaf 1 januari 2017.

3.13 Op 14 november 2023 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden van de Vennootschap. In de concept-notulen hiervan staat onder meer:

Procedure beheervergoedingen; opdracht [kantoor verweerder]

De heer [mr. E] wil dat [kantoor verweerder] niet meer optreedt voor de Vennootschap maar dat er een andere advocaat wordt aangewezen.

Is de procedure mbt de beheervergoeding kansrijk genoeg op door te zetten?

De heer [mr. E] is niet overtuigd van het bewijs omdat er bijvoorbeeld geen overeenkomsten liggen. Hij stelt voor om een andere advocaat te laten kijken of de procedure kansrijk genoeg is. Is de vordering niet haalbaar? Dan kijken of er een andere oplossing kan komen voor de beheervordering.

(…)

Advocaatkosten [kantoor verweerder]

De kosten zijn allemaal door de vennootschap betaald.

Er moet wel inzichtelijk gemaakt worden voor wie deze werkzaamheden zijn verricht. Of het alleen voor de vennootschap is verricht of ook voor de aandeelhouders. Ze zijn niet alleen maar voor de vennootschap opgetreden.

De heer [mr. E] zegt dat er afspraken gemaakt moeten worden over alle facturen van [kantoor verweerder]; Hoeveel % voor welke aandeelhouder en hoeveel % voor de vennootschap?

Facturen [kantoor verweerder] alsnog met rekening courant verrekenen als er een deel voor de aandeelhouders komt.”

3.14 Na de beëindiging van de opdracht van de Vennootschap aan (het kantoor van) verweerder door mr. E heeft verweerder in de lopende uitstotingsprocedure - met goedkeuring van mr. E - alleen nog opgetreden voor SP en JWTM.

3.15 Op 29 november 2023 heeft mr. E een memo gestuurd aan de aandeelhouders. Hierin staat, voor zover relevant:

“De kosten die de vennootschap heeft voldaan aan [kantoor verweerder] zien deels op werkzaamheden die zijn verricht voor de aandeelhouders JWMT en [SP]; deze kosten zullen voor rekening van de aandeelhouders komen, en in rekening-courant geboekt worden. Ik zal het geheel van de kosten in kaart brengen, en beoordelen welk gedeelte mijns inziens doorbelast dienen te worden. Daarna kan besproken worden of dit akkoord is.”

3.16 Op 27 februari 2024 heeft klaagster bij de deken de onderhavige klacht over verweerder ingediend.

3.17 Op 17 mei 2024 heeft de nieuwe advocaat van de Vennootschap met instemming van klaagster doorhaling gevraagd van de dagvaardingsprocedure, voor zover die namens de Vennootschap was opgestart. De procedure is zijdens de Vennootschap doorgehaald. Op 17 juli 2024 heeft de rechtbank Amsterdam tussen de overige partijen vonnis gewezen en daarbij de vorderingen van SP en JWTM afgewezen.

3.18 Op 29 november 2024 heeft de door de Ondernemingskamer benoemde onderzoeker haar onderzoeksrapport opgeleverd. Haar bevindingen luiden voor zover relevant:

Bevindingen facturatie door [kantoor verweerder]

 • De heer [mr. E] heeft een onderscheid gemaakt tussen de facturen:

- OK-procedure [klaagster] versus [de Vennootschap] enerzijds; en

- Uitstotingsprocedure anderzijds.

- Dit onderscheid is gebaseerd op het door [kantoor verweerder] gehanteerde dossierkenmerk en de gespecificeerde werkzaamheden.

• Onderzoeker heeft de ontvangen facturen van [kantoor verweerder] m.b.t. de dossiers OK-procedure en de uitstotingsprocedure over de periode van 2021 tot 2023 ingezien.

- Onderzoeker is op onafhankelijke wijze, maar het hanteren van dezelfde criteria tot hetzelfde onderscheid in facturatie als de heer [mr. E] gekomen.

- De tabel rechts geeft een overzicht van de facturen. De facturen met betrekking tot de uitstotingsprocedure zijn dikgedrukt.

• Naar inzicht Onderzoeker:

- Behoren de kosten inzake de OK-procedure [klaagster] versus [de Vennootschap] tot de kosten van [de Vennootschap], aangezien [de Vennootschap] deze kosten moet maken teneinde zich te verweren in deze procedure.

- Behoren de gefactureerde kosten door [kantoor verweerder] m.b.t. de uitstotingsprocedure niet ten late van het resultaat van [de Vennootschap] te komen aangezien dit een procedure betreft tussen de aandeelhouders van [de Vennootschap], waar [de Vennootschap] geen partij in is.”

3.19 De onderzoeker heeft in een tabel de facturen van (het kantoor van) verweerder over de jaren 2021 tot en met 2023 uitgesplitst en gespecificeerd naar honorarium, verschotten en BTW. De kosten van de uitstotingsprocedure, die niet voor rekening van de Vennootschap mochten komen, betreffen vijf declaraties van verweerder in de periode 9 mei 2023 tot en met 11 september 2023 voor een totaalbedrag van € 23.389,16 inclusief BTW en verschotten. Dit bedrag is alsnog ten laste van SP en JWTM gebracht. De overige door verweerder aan de Vennootschap in rekening gebrachte bedragen zijn ten laste van de Vennootschap gebleven.

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.  Klaagster verwijt verweerder het volgende:

a)    (…);

b)    verweerder heeft zijn werkzaamheden voor SP en JWTM gedeclareerd aan de Vennootschap waarmee hij niet heeft gezorgd voor een juiste tenaamstelling en volledige inrichting van de facturen.

5 OMVANG HOGER BEROEP

5.1  Het hoger beroep van verweerder is uitsluitend gericht tegen de beslissing van de raad op klachtonderdeel b). Tegen de beslissing op klachtonderdeel a) is geen beroep ingesteld, zodat de beslissing van de raad op dat onderdeel definitief is geworden.

5.2 Klaagster heeft in beroep nieuwe verwijten tegen verweerder geformuleerd. Het hof laat deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.

6 BEOORDELING RAAD

6.1 De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel b) het volgende overwogen.

Is de klacht op tijd ingediend?

6.2 Voor de aanvang van de driejaarstermijn (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet) is relevant wanneer klaagster wist dan wel redelijkerwijs kon weten hoe verweerder zijn declaraties had ingericht. Namens klaagster is onder meer tijdens aandeelhoudersvergaderingen op 30 september 2022 en 25 april 2023 aan het bestuur van de Vennootschap verzocht om in de vast te stellen jaarrekeningen de stijging van de advocaatkosten toe te lichten. Niet is gebleken dat klaagster hier een (duidelijk) antwoord op kreeg. Evenmin is gebleken dat klaagster inzage in de facturen van verweerder aan de Vennootschap had. Hiermee is voldoende komen vast te staan dat klaagster niet eerder dan op 29 november 2023 - de datum waarop mr. E in zijn memo had vastgesteld dat verweerder ten onrechte werkzaamheden voor SP en JMTW bij de Vennootschap in rekening had gebracht - kennis heeft kunnen nemen van het handelen waarover zij klaagt. De driejaarstermijn is op dat moment gaan lopen en klaagster heeft de klacht tijdig ingediend.

Heeft klaagster een rechtstreeks eigen belang bij de klacht?

  1.  

6.3 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft volgens de Advocatenwet het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. De raad heeft verweerder niet gevolgd in zijn standpunt dat klaagster geen rechtstreeks eigen belang heeft, omdat zij slechts een van de Vennootschap afgeleid belang heeft en geen zelfstandig belang. Volgens verweerder is uitgangspunt dat de Vennootschap een belang heeft bij klachten over de facturatie, omdat het de Vennootschap is die benadeeld zou kunnen zijn en niet klaagster. De Vennootschap had dus volgens verweerder zelf, vertegenwoordigd door mr. E als onafhankelijk bestuurder, een klacht over verweerder in moeten dienen. De raad is echter van oordeel dat klaagster als aandeelhouder van de Vennootschap een rechtstreeks eigen belang heeft bij een klacht over de facturatie aan de Vennootschap, omdat de facturen (indirect) ook door klaagster worden betaald.

Inhoudelijke beoordeling

6.4 Uitgangspunt is dat een declaratie op naam moet staan van de cliënt/opdrachtgever ten behoeve van wie de werkzaamheden zijn verricht. Wanneer de cliënt en een derde een advocaat verzoeken om de declaratie te richten aan de derde, dan dient de declaratie nog steeds op naam van de cliënt gesteld te worden. Desgewenst kan deze wel “ter attentie” of “per adres” van de derde aan de derde verzonden worden. Voor zover dat niet het geval is moet uit de inrichting van de declaratie blijken wie de cliënt is, welke werkzaamheden voor die cliënt zijn verricht en op welke grond de declaratie aan de derde is gericht. De raad is - evenals mr. E en de onderzoeker - van oordeel dat verweerder zijn declaraties met betrekking tot de uitstotingsprocedure tegen klaagster niet ten laste van de Vennootschap had mogen laten komen, aangezien dit een procedure betrof tussen de aandeelhouders van de Vennootschap, waar de Vennootschap geen partij (meer) in was. Door zijn facturen (uitsluitend) te richten aan de Vennootschap in plaats van aan (of ter attentie van) SP en JWTM, heeft verweerder niet zorggedragen voor een juiste tenaamstelling en volledige inrichting van de facturen. Klaagster heeft door verweerders werkwijze als aandeelhouder van de Vennootschap meebetaald aan de advocaatkosten van de andere twee aandeelhouders SP en JWTM in een procedure die tegen klaagster zelf werd gevoerd. Dit handelen is pas na ingrijpen van mr. E rechtgezet.

7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

7.1 Beroepsgrond 1 (de raad heeft de feiten niet compleet vastgesteld) behoeft geen behandeling meer, nu het hof zelfstandig opnieuw de feiten heeft vastgesteld, mede rekening houdend met hetgeen verweerder heeft aangevoerd.

7.2 Beroepsgrond 2 (klaagster is niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b) betreft het door de raad aangenomen rechtstreeks eigen belang van klaagster. Verweerder voert in dat kader aan:

  • De raad heeft ten onrechte overwogen dat klaagster een rechtstreeks eigen belang heeft, omdat door haar (indirect) de declaraties worden betaald.
  • Per saldo zijn de declaraties voor de dagvaardingsprocedure niet ten laste van het vermogen van de Vennootschap gekomen. Uiteindelijk zijn zij voor rekening van SP en JWTM gekomen.
  • De overweging dat klaagster een rechtstreeks eigen belang bij de klacht zou hebben vanwege het enkele feit dat zij heeft meebetaald aan de advocaatkosten in de procedure tegen haar, heeft een te vergaande strekking en vindt geen basis in het tuchtrecht of het civiele recht.
  • Klaagster kan als minderheidsaandeelhouder niet namens de Vennootschap klagen. Zij heeft slechts een afgeleid belang (zie ook de Hoge Raad in het arrest Poot/ABP, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564).
  • Over het feit dat de declaraties aanvankelijk aan de Vennootschap in rekening zijn gebracht, kan alleen de Vennootschap klagen. Mr E, de nieuwe bestuurder van de Vennootschap, heeft daartoe geen aanleiding gezien.
  • Facturen die geadresseerd zijn aan de Vennootschap, zijn niet “(indirect)” door klaagster betaald. Aandeelhouders hebben geen zeggenschap over alle kostenposten die binnen de dagelijkse bedrijfsvoering van een vennootschap worden gemaakt. Ook is relevant dat de declaraties voor de dagvaardingsprocedure (€ 23.000,- inclusief BTW) in relatieve en absolute zin zo beperkt zijn, dat klaagster als aandeelhouder daar geen zeggenschap over kan hebben.
  • Klaagster staat ook als wederpartij van de cliënten van verweerder buiten de declaraties van verweerder.
  • Ten onrechte heeft de raad zich gefocust op de vraag of klaagster de declaraties (indirect) heeft betaald. De klacht richt zich echter op de inrichting en tenaamstelling van de declaraties. Dit onderwerp speelt zich af tussen advocaat en cliënt, waarover de wederpartij niet kan klagen.

7.3 Beroepsgrond 3: de raad heeft klachtonderdeel b) ten onrechte gegrond verklaard. Verweerder voert hierbij aan:

  • De raad heeft een onjuiste maatstaf gehanteerd (te weten de door het hof gehanteerde maatstaf in de uitspraak van 19 februari 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:42) en deze ten onrechte toegepast. Deze maatstaf is niet bruikbaar voor de toetsing van de klacht van klaagster. Het betreft een wezenlijk andere situatie. Deze maatstaf beoogt te voorkomen dat een derde BTW verrekent voor diensten die niet voor deze derde zijn verricht. Klaagster heeft er uitsluitend bezwaar tegen dat aan de Vennootschap is gedeclareerd voor werkzaamheden in een procedure die tegen haar is gevoerd.
  • De raad heeft ten onrechte geoordeeld dat verweerder de declaraties niet ten laste van de Vennootschap had mogen laten komen door te overwegen dat “dit een aandeelhoudersgeschil betrof, waar de Vennootschap geen partij (meer) in was”. Het klachtonderdeel ziet alleen op declaraties, verzonden voordat mr. E benoemd werd als bestuurder. Daarna zijn geen declaraties meer aan de Vennootschap gestuurd. De dagvaardingsprocedure was een reactie op de tweede enquêteprocedure en betrof primaire vorderingen van alleen de Vennootschap (én mede van de Vennootschap). Bij de dagvaardingsprocedure was de Vennootschap dus evident partij en de Vennootschap had daarbij ook belang. De overweging van de raad is feitelijk onjuist. De belangen van de Vennootschap, SP en JWTM vielen destijds samen en verweerder heeft zich daarvan vergewist. Verweerder heeft de opdracht tot het voeren van deze procedure ook van de Vennootschap ontvangen. Hij mocht erop vertrouwen dat de procedure in het belang van de Vennootschap was.

-    De overweging van de raad dat klaagster zou hebben “meebetaald aan de advocaatkosten van de andere twee aandeelhouders SP en JWTM in een procedure die tegen klaagster zelf werd gevoerd” strookt niet met het feit dat dit klachtonderdeel alleen gaat over de declaraties van verweerder in de dagvaardingsprocedure, waarin de Vennootschap eigen vorderingen instelde tegen klaagster. Het was geen geschil dat uitsluitend tussen aandeelhouders speelde.

7.4 Tot slot verzoekt verweerder het hof om het opleggen van een maatregel achterwege te laten in het geval het hof van oordeel is dat de klacht toch gegrond is.  

Verweer klaagster

7.5 Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

8 BEOORDELING HOF

Ontvankelijkheid - belang

8.1 De Advocatenwet heeft een klachtrecht niet in het leven geroepen voor een ieder, doch slechts voor degenen die door het handelen of nalaten van een advocaat in zijn of haar belang is of kan worden getroffen.Ook in vennootschapsrechtelijke verhoudingen kan de situatie aan de orde zijn dat een advocaat zich bij zijn dienstverlening rekenschap moet geven van de gerechtvaardigde belangen van andere betrokkenen dan zijn cliënten, zoals bijvoorbeeld minderheidsaandeelhouders. Om ontvankelijk te zijn dient klaagster voldoende aannemelijk te maken dat (i) zij geraakt is of kan zijn in haar gerechtvaardigde belangen en (ii) dat dit verband houdt met het gestelde handelen of nalaten van verweerders (HvD 13-1-2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:21).

8.2 Het hof acht klaagster ontvankelijk. In de onderhavige kwestie is sprake van een vennootschappelijke structuur waarin privébelangen van aandeelhouders en vennootschappelijke belangen in verregaande mate verweven waren. Daarmee was in dit geval de situatie aan de orde dat verweerder zich rekenschap moest geven van de gerechtvaardigde belangen van klaagster. Dat is niet gebeurd: in de mede door verweerder gekozen constructie zijn de kosten van een tegen klaagster gerichte procedure omtrent een aandeelhoudersgeschil bewust bij de Vennootschap (die ook in de procedures is betrokken) in rekening gebracht en klager wordt als gevolg daarvan financieel geraakt. Het gaat hier om werkzaamheden in het kader van een dagvaardingsprocedure, waarin (de Vennootschap primair) en SP en JWTM subsidiair eigen vorderingen tegen klaagster hadden ingesteld. Als gevolg van de (mede) door verweerder bewust gekozen wijze van factureren betaalde klaagster daar als wederpartij en aandeelhouder aan mee. Klaagster is daarmee zodanig in haar belang getroffen dat zij ontvankelijk is. Anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak HvD 01-07-2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:193 gaat het in deze kwestie namelijk niet om een situatie waarbij werkzaamheden ten behoeve van de aandeelhouders worden gedeclareerd aan een vennootschap die met het geschil in het geheel niets van doen heeft (en daarin geen partij was) en waarin het nadeel vervolgens voortvloeit uit de meer algemene positie van aandeelhouder.

8.3 Het hof verwijst in dit verband ook nog naar zijn oordeel in zijn uitspraak van 13 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:1, waarin de klacht in geval van een (mogelijk) belangenconflict ontvankelijk werd geacht. Dat de vermeende normschending hier primair beoogt de Vennootschap als holding in haar (primaire) vordering te beschermen, betekent niet dat klaagster niet tevens als belanghebbende (in de tegen haar gerichte subsidiaire vordering van de twee andere aandeelhouders) kan worden aangemerkt, en tevens bij de (tenaamstelling van de) op deze totale procedure betrekking hebbende facturen aan de Vennootschap. Het hof merkt in dit verband nog op dat verweerder ter zitting heeft erkend dat de subsidiaire vordering niet in het belang van de Vennootschap was en louter is ingesteld als breekijzer om te forceren dat partijen uit elkaar zouden gaan. Dat een en ander nadien is gecorrigeerd of (als gevolg van het aanstellen van een nieuwe bestuurder) niet is doorgevoerd maakt dat niet anders, nu dat niet op initiatief van verweerder is gebeurd.

Inhoudelijk - Maatstaf

8.4 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Verdere overwegingen

8.5 De discussie in hoger beroep spitst zich toe op de declaraties, die verweerder voor de uitstotingsprocedure aan de Vennootschap in rekening heeft gebracht (zie hiervoor in 3.19). Met betrekking tot de overige declaraties van verweerder hebben zowel de interim-bestuurder als de onderzoeker bepaald dat verweerder deze ten laste van de Vennootschap heeft mogen brengen, omdat de Vennootschap deze kosten heeft moeten maken in het kader van de beide Ondernemingskamerprocedures. Het is ook niet op voorhand tuchtrechtelijk laakbaar als, zoals in dit geval, een advocaat zowel optreedt voor de Vennootschap als voor de bestuurders-medeaandeelhouders. Voor zover klaagster bedoeld heeft om ook over die overige declaraties te klagen, is de klacht ongegrond.

8.6 Met betrekking tot de declaraties voor de uitstotingsprocedure overweegt het hof als volgt. Zoals hiervoor aangegeven handelt een advocaat niet op voorhand tuchtrechtelijk laakbaar door op te treden voor zowel de vennootschap als voor de bestuurders-medeaandeelhouders. In het bijstaan van beide bestaat echter wel een risico op een belangenconflict, dat meebrengt dat de advocaat de zorgplicht heeft om bij iedere ontwikkeling binnen de rechtsbijstand aan deze cliënten met potentieel strijdige belangen steeds opnieuw te toetsen of die conflicterend zijn of kunnen worden en om bij iedere nieuwe ontwikkeling een nieuwe afweging te maken of het bijstaan van alle cliënten (nog steeds) verantwoord is. Bovendien dient een advocaat rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van derden, ook als deze niet zijn (voormalig) cliënt zijn.

8.7 Naar het oordeel van het hof betrof de uitstotingsprocedure (in het bijzonder de subsidiaire vordering in de dagvaarding) wél alleen de aandeelhouders en hun belangen, anders dan in de voorafgaande periode. Deze procedure is bewust opgestart nadat het tweede enquêteverzoek door klaagster was ingediend en had slechts tot doel een afwikkeling van de samenwerking tussen de aandeelhouders te forceren, zoals verweerder ter zitting van het hof ook expliciet heeft verklaard. Onder deze omstandigheden had verweerder zijn declaraties voor deze werkzaamheden niet (langer) aan de Vennootschap in rekening mogen brengen en in zoverre is de klacht gegrond. Dat de declaraties door de tussenkomst van de interim-bestuurder uiteindelijk niet ten laste van de Vennootschap zijn gebleven, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. De facturen aan de Vennootschap zijn ook niet gecrediteerd, maar voor wat betreft de werkzaamheden waar het om gaat enkel betaald door SP en JWTM.

8.8 Tot slot overweegt het hof dat de financiële integriteit van een advocaat vereist dat declaraties, ook los van eventuele btw- perikelen, op een juiste wijze moeten worden ingericht. Voor een juiste inrichting van de declaratie geldt als uitgangspunt dat de declaratie op naam van de cliënt/ opdrachtgever moet staan, ook al wordt deze voldaan door een derde. Voor zover dat niet het geval is moet uit de inrichting van de declaratie blijken wie de cliënt is, welke werkzaamheden voor die cliënt zijn verricht en op welke grond de declaratie aan de derde is gericht. In die zin heeft de raad de maatstaf van de uitspraak van dit hof van 19 februari 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:42 correct toegepast.

Slotsom

8.9 Conclusie uit het voorgaande is dat de beslissing van de raad moet worden bekrachtigd. Voor wat betreft de door de raad opgelegde maatregel ziet het hof geen reden om anders te oordelen dan de raad heeft gedaan.

9 PROCESKOSTEN

9.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                

a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);

b) € 1.050,- [€ 525,- per punt] kosten voor rechtsbijstand van klaagster;

c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

d) € 1.000,- kosten van de Staat.

  1.  

9.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

  1.  

10.1 bekrachtigt de beslissing van 27 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-325/A/A;

10.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en  J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter             

De beslissing is verzonden op 19 juni 2026 .