ECLI:NL:TAHVD:2026:180 Hof van Discipline 's Gravenhage 260060
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:180 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 16-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260060 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in één klachtonderdeel en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klager komt hiertegen in beroep. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) is van oordeel dat klager wel kan worden ontvangen in klachtonderdeel c), waarin klager verweerder verwijt dat hij heeft gesjoemeld met zijn declaraties en excessief heeft gedeclareerd, maar verklaart dat klachtonderdeel ongegrond. Het hof verklaart één klachtonderdeel alsnog gegrond, te weten klachtonderdeel e), waarin klager verweerder verwijt dat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard. Verweerder heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende regie gevoerd; hij heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar wie de onrechtmatige daad heeft gepleegd en teveel reactief gehandeld. Het hof legt verweerder de maatregel van een waarschuwing op. |
Beslissing van 15 juni 2026
in de zaak 260060
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in één klachtonderdeel en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klager komt hiertegen in beroep. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) is van oordeel dat klager wel kan worden ontvangen in klachtonderdeel c), waarin klager verweerder verwijt dat hij heeft gesjoemeld met zijn declaraties en excessief heeft gedeclareerd, maar verklaart dat klachtonderdeel ongegrond. Het hof verklaart één klachtonderdeel alsnog gegrond, te weten klachtonderdeel e), waarin klager verweerder verwijt dat hij de verkeerde partij heeft gedagvaard. Verweerder heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende regie gevoerd; hij heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar wie de onrechtmatige daad heeft gepleegd en teveel reactief gehandeld. Het hof legt verweerder de maatregel van een waarschuwing op.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-675/DB/LI) een beslissing gewezen op 26 januari 2026. In deze beslissing heeft de raad klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:12 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 24 februari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 20 april 2026. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager heeft zich tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar ARAG gewend, omdat hij meent schade te hebben geleden door verbouwingswerkzaamheden aan de woning van zijn buren.
3.3 Op 11 november 2022 heeft ARAG de zaak van klager uitbesteed aan verweerder. Daarin is opgenomen: “Omdat verzekerde btw-plichtig is, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De btw op uw facturen zal verzekerde rechtstreeks aan u dienen te voldoen.”
3.4 Op 14 november 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Inmiddels heb ik uw bestand en dat van de ARAG ontvangen. Wat het tijdpad betreft geldt het navolgende: 1) Ik ga het dossier nu qua chronologie ordenen, wat de nodige tijd kost omdat alles door elkaar ligt, 2) Daarna ga ik het geordende dossier bestuderen, wat ook weer de nodige tijd in beslag zal nemen, 3) Vervolgens ga ik u uitnodigen voor een onderhoud hier ten kantore om het dossier door te nemen aan de hand van vragen mijnerzijds die na bestudering van het dossier zijn gerezen. Ik houd u op de hoogte en zodra 1) en 2) achter de rug zijn, nodig ik u uit.”
3.5 Op 24 november 2022 heeft een eerste bespreking plaatsgevonden.
3.6 Op 12 december 2022 heeft verweerder een eerste conceptdagvaarding aan klager toegezonden. Ook heeft verweerder € 186,81 en € 204,75 aan btw in rekening gebracht bij klager, onder verwijzing naar de uitbestedingsbrief van 11 november 2022.
3.7 Op 27 december 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Naar aanleiding van ons onderhoud d.d. 19 december jl. heb ik de stukken die u noemde doorgenomen maar daar kon ik toch niet veel bruikbaars uithalen.”
Daarbij heeft verweerder een conceptsommatiebrief aan de verzekeraar van de buren en een conceptdagvaarding bijgevoegd.
3.8 Diezelfde dag heeft klager gereageerd:
“Ik stond net op het punt om het document door te mailen toen ik uw E-mail ontving. Omdat er verleden keer niet genoeg tijd was om alles door te spreken heb ik daarom de zaken op een rijtje gezet In het document [naam] dat ik via We Transfer naar u heb verzonden. Ik zag dat u toch het rapport van [bouwkundig adviesbureau] als productie wilt opvoeren. In het document geef ik nogmaals aan waarom ik daar een probleem mee heb. Zou u zo vriendelijk willen zijn om dit nog door te nemen ? Een aantal van de producties kon ik op die datums niet terug vinden.”
3.9 Op 28 december 2022 heeft verweerder een aangepaste conceptdagvaarding aan klager toegezonden.
3.10 Op 12 januari 2023 heeft klager aanpassingen op de conceptdagvaarding aan verweerder toegezonden en vragen gesteld over de producties.
3.11 Op 23 januari 2023 heeft klager diverse producties en aanpassingen op de conceptdagvaarding aan verweerder toegezonden.
3.12 Op 25 januari 2023 heeft klager aanpassingen op de conceptdagvaarding aan verweerder toegezonden.
3.13 Op 9 februari 2023 hebben klager en verweerder een bespreking gehouden over de dagvaarding.
3.14 Op 28 maart 2023 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Ik begon nogal ongerust te worden aangezien ik niets meer van u gehoord heb sinds de bespreking begin Februari in [plaats] na aanleiding van het door mij aangepaste concept van de dagvaarding die ik op uw voorstel aanpaste na een indringend telefoongesprek met u eind December waarin ik mijn punten van discussie aangaf op de dagvaarding die ik respectievelijk ontving begin en eind December en de enorme impact op mijn leven aangaf door de juridische procedure. Kunt u mij op de hoogte stellen van de gang der zaken?”
3.15 Diezelfde dag heeft verweerder gereageerd:
“Ik ben bezig met het zo mogelijk verwerken van uw op- en aanmerkingen in de conceptdagvaarding en dat heeft tot gevolg gehad dat ik de dagvaarding moest omgooien en dat heeft nogal wat voeten in de aarde; ik kan daar niet in een stuk aan werken maar af en toe moet ik het even wegleggen om het te laten bezinken waarna ik het weer oppak. Daar is tijd mee gemoeid. Zodra ik een nieuw concept klaar heb hoort u van mij.”
3.16 Op 30 maart 2023 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Bedankt voor uw reactie. Volgende week Dinsdag is het precies drie jaar geleden dat een groot stuk uit mijn pand werd gesloopt. Drie jaar van grote stress, frustratie, overlast en tegenwerking, wat ik u al in een bewogen telefoongesprek eind December vertelde en aangaf dat ik eigenlijk zo’n beetje alle hoop op u had gevestigd. Ook is er nogal wat tijd gaan zitten in al het onderzoek wat ik moest doen om alle feiten boven tafel te krijgen en de rapporten waarin die verwerkt werden op te stellen. Zoals ik u al vertelde maak ik liever de riolering schoon als dat ik mij met dat soort werk moet bezig houden. De zaak is niet zo ingewikkeld als u meent, alleen moeten alle puzzelstukjes wel op de goede plaats zitten. Om het u wat makkelijker te maken heb ik aan de hand van de besprekingen de discussiepunten samengevat in een synopsis van het dossier dat ik als bijlage toevoeg . Ik hoop dat ik u daar behulpzaam mee kan zijn..”
3.17 Op 1 mei 2023 heeft klager ARAG benaderd over de zaak.
3.18 Op 2 mei 2023 heeft ARAG aan klager geschreven:
“Wat vervelend om te vernemen om dat u niet tevreden bent met de externe advocaat die heeft gekozen en dat er geen schot in uw zaak zit. Ik zal contact met [verweerder] opnemen om een poging te doen te bemiddelen. Daarnaast zal ik uw dossier aan de zijlijn blijven volgen en er bovenop zitten dat het voortvarend wordt opgepakt.”
3.19 En aan verweerder, met klager in de cc:
“Verzekerde uitte haar zorgen bij ARAG over de voortgang van haar dossier. In hoofdlijnen speelt er onbegrip waarom e.e.a. in haar ogen lang duurt/ veel tijd kost. Zij is van mening dat er niet voortvarend genoeg met het dossier wordt omgegaan. Zou u telefonisch contact met mevrouw willen opnemen om haar zorgen te bespreken? Ik zie dat er door uw kantoor al voor ca.€ 10.000,- is gedeclareerd, de dagvaarding is nog niet gereed/aangebracht. Daarmee lijkt dit een zeer kostbaar dossier te worden. Ik verneem graag, nadat u mevrouw heeft gesproken, hoe dit dossier zal worden voortgezet en welke tijdsinschatting u daarbij verwacht.”
En aan klager:
“De ontwikkelingen volgen zich nu snel op in uw dossier. Uw advocaat belde al gelijk en hij zal uiterlijk volgende week de concept dagvaarding gereed hebben. Het staat uzelf uiteraard vrij om [verweerder] alsnog even telefonisch te contacten. Ik wil u wel adviseren om het juridische advies van [verweerder] op te volgen. Hij is immers de juridisch specialist op dit vlak.”
3.20 Op 18 mei 2023 hebben klager en verweerder een bespreking gehouden over de dagvaarding. Diezelfde dag heeft klager aan ARAG geschreven:
“Er gloort weer licht aan het einde van de tunnel. Gisteren had ik het gesprek met [verweerder] in [plaats] waar ik verschrikkelijk tegen opzag. Op de standaard vraag hoe het ging heb naar waarheid geantwoord dat ik eigenlijk compleet gestoord van de hele procedure begon te worden. Dat bleek wederzijds te zijn. Daarop heb ik gevraagd of ik tien minuten mijn verhaal mocht houden. Dat was geen probleem (…) De tien minuten zijn uitgelopen tot een zeer constructief gesprek van anderhalf uur en hebben we hartelijk afscheid kunnen nemen.”
3.21 Op 6 juni 2023 hebben klager en verweerder een bespreking gehouden.
3.22 Op 13 juni 2023 heeft verweerder een aangepast concept toegezonden en een dankbericht voor een doos sigaren die hij van klager heeft gekregen. Klager is vervolgens, onder protest omdat diverse volgens hem ter zake doende producties ontbraken, akkoord gegaan met de dagvaarding. De dagvaarding is daarop uitgebracht.
��3.23 Op 28 september 2023 heeft klager diverse documenten aan verweerder toegezonden. Diezelfde dag heeft verweerder om verduidelijking gevraagd.
3.24 Op 19 oktober 2023 heeft verweerder de dagvaarding aan de deurwaarder betekend en op 26 november 2023 heeft verweerder de dagvaarding uitgebracht.
3.25 Op 30 november 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Van de rechtbank vernam ik dat R[…] voor antwoord staan op 3 januari a.s. Ik verwacht overigens dat de kantonrechter ons verwijst naar de rechtbank (dat is gewoon een interne verwijzing) omdat in de dagvaarding ook een vordering van onbepaalde waarde staat die bij de rechtbank thuishoort.”
3.26 Op 16 februari 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Om u op de hoogte te houden: er is al een groot deel van de vergoeding aan deze zaak opgegaan, rond de € 30.000,- reden waarom rond de € 10.000,- resteert. Maakt u zich geen zorgen, mijn kosten zal ik daaronder zien te houden. Graag geen over en mail verkeer hierover starten, probeer de kosten nu te minimaliseren.”
3.27 Op 7 maart 2024 hebben klager en verweerder de van de wederpartij ontvangen conclusie van antwoord besproken. Uit deze conclusie van antwoord bleek dat er nog een derde partij in het pand van de buren woonachtig is, maar die is niet gedagvaard.
3.28 Op 13 maart 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Hoe denkt u over een regeling? Wij vorderen, los van de kwestie van de nokgevel,
boeiboorden en dakpannen, in totaal €16.701,18-. Zo wij ons gelijk in de procedure
zouden krijgen, dan zal een rechter dat bedrag hoogstwaarschijnlijk flink matigen,
en het zou mij niet verbazen als hij dan
€ 10.000, of nog minder toekent. Hoe kijkt u er tegen aan deze zak te regelen voor
€ 10.000,-? Ik zeg niet dat dit mogelijk is, maar ik ga mijn best doen. Hiermee voorkomt
u ook dat de zaak nog lang voortsleept, de dekking van ARAG is op en u zelf zou moeten
gaan betalen wat, naar ik van u begreep, geen optie is. Graag enkel antwoorden: €
10.000, ok of niet ok.”
3.29 Op 14 maart 2024 heeft klager daarop gereageerd:
“Hoewel u in een eerdere E- mail aangaf dat ik mij geen zorgen moest maken en u de kosten ging beperken begin ik mij steeds ongemakkelijker te voelen. Na afloop van de bespreking op 7 Maart gaf u te kennen dat de limiet van de kosten op € 10.000 na bereikt waren en dat u dat dan op nuI basis de procedure zou moeten voortzetten. Hoewel ik u verteld had dat ik mede de door de Coronacrisis met het bedrijf gestopt was en nu van een AOW uitkering moet rond komen vroeg u mij of ik dan wel de vervolgkosten kon betalen. U vertelde mij ook dat het bedrag al tot € 30.000 was opgelopen, wat zo’n beetje neerkomt op drie jaar AOW. In de E-mail van gisteren vroeg u mij of ik akkoord kon gaan met uw voorstel om de te vorderen som op de tegenpartij te verlagen tot € 10.000 om zo kosten te besparen en de rechter een soort voorstel te doen om voor € 10.000 te schikken. lk denk dat de tegenpartij hier nooit mee akkoord gaat en ik begrijp ook niet goed dat het voorstel dan voor of na een positieve uitslag voor mij gedaan gaat worden en als de rechter besluit om bij een gunstige uitslag het te vorderen bedrag verlaagd tot €10.000 heb ik mij daar toch bij neer te leggen. Verder zijn alle argumenten en producties in de dagvaarding gebaseerd op die € 16.701 en een totaal minder bedrag zou de hele procedure totaal ongeloofwaardig maken. Ik zou mij wel nog kunnen voorstellen dat tijdens de zitting een compromis van € 10.000 voorgesteld wordt en die zou ik dan met de nodige voorwaarden wel kunnen accepteren om van de stress af te zijn. Ik moet namelijk al vier jaar met grote overlast leven, het pand is minder waard geworden en de verkoop door de procedure onmogelijk (…) Rest mij de laatste indringende vraag te stellen of u stopt met mij bij te staan als de limiet bereikt is?”
3.30 Daarop heeft verweerder gereageerd: “Mijn vraag aan u is niet beantwoord; wilt u dat alsnog doen?”
3.31 Daarop heeft klager gereageerd: “Ik kan de consequenties niet inschatten van een ja of nee antwoord, Ik wil eerst helder hebben waar ik aan toe ben.”
3.32 Op 22 maart 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Ik denk dat als we de zaak voor € 10.000,- zouden kunnen regelen u een héél mooie deal zou hebben, maar of mij dit zou lukken weet ik niet maar zou er wel mijn stinkende best voordoen. Akkoord?”
3.33 Op 25 maart 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“(…) Ik begrijp ook totaal niet hoe u de zaak wilt "regelen" en wat dat met een positieve
uitspraak van de rechter heeft te maken. Moet dan een nieuwe dagvaarding opgesteld
worden? Vervalt de oude dagvaarding dan ? Wat gebeurt er met het onrechtmatige verkrijgen
van het rapport van [naam] en dat als productie opvoeren? Wat gebeurt er met de gekopieerde
producties in de CvA uit het document Arag/[wederpartij]? (…) en als de rechter dan
beslist dat het uit te keren bedrag maar
€ 10.000,- bedraagt dan heb ik mij daar toch maar bij neer te leggen of u zou hoger
beroep moeten aantekenen en dan zou uw honorarium wel eens tot een paar ton kunnen
oplopen als ik zie dat alleen voor de dagvaarding al € 30.000,- werd gerekend. Ook
is mij niet duidelijk met wie u dat allemaal wilt gaan "regelen". Met de rechter?
Met [wederpartij]? Met Aegon? Voor of na de uitspraak? Hoe bespaart u op die manier
op de kosten? Wat is de volgende stap na de CvA? Wordt [wederpartij] die eerst vanwege
tegenstrijdig belang van advocaat moest wisselen nu door een Aegon ingehuurd advocatenkantoor
bij gestaan? Zou dat dan betekenen dat tegen Aegon geprocedeerd moet worden? U gaf
aan dat de limiet van € 40.000,- op € 10,000 na bereikt is, wat betekend dat uw kosten
nu al hoger zijn als het te vorderen bedrag. Hoe komt u aan die wetenschap ? Heeft
u daarvoor contact gehad met Arag? Ik sta pas aan het begin van de procedure, hoe
kan die voor € 10.000,- gevoerd worden ? (…) [Medewerker] van Arag gaf begin verleden
jaar al aan dat zij de kosten buitensporig hoog vond, heeft zij die limiet gesteld
? U gaf aan dat u de "'verkeerde" had gedagvaard, moet dan een nieuwe dagvaarding
opgesteld worden? Heeft u het hele verhaal betreffende [wederpartij 3] dan niet gelezen
in het document Arag/[wederpartij] of geluisterd naar mijn verhaal? Waarom weigert
u de bouwtechnische, kadastrale en historische gegevens als productie op te voeren
en worden mijn argumenten dat [wederpartij] het eigendomsrecht van die muur zou gaan
aanvechten, en die gegevens daarom van cruciaal belang waren, genegeerd? Wat gebeurt
er als die limiet bereikt is? Als ik het een beetje samenvat gaat u "'iets” regelen"
voor een "' héél mooie deal" van 10.000,- waar u voor de binnen de limiet van € 10.000,-
uw "stinkende best" voor gaat doen en wordt de procedure dan alleen nog maar gevoerd
voor het herstel van de opgevel van [wederpartij] zodat de hele dagvaarding vervalt
of aangepast moet worden en moet ik de kosten van de renovatie aan mijn kant voor
eigen rekening nemen. Op wat voor manier is dat kostenbesparend ? Hoe gaat dat in
zijn werk ? Op wie wordt die € 10.000,- verhaald ? Waarom krijg ik, behalve herhaalde
oproepen om akkoord te gaan, geen antwoorden op mijn indringende E-mails van 13 en
14 maart?”
3.34 Verweerder heeft daarop gereageerd:
“Ik heb niet gezegd dat ik de "verkeerde" heb gedagvaard, maar wel dat u mij na vele concepten waarin broer en zus [wederpartij] werden gedagvaard nooit hebt gezegd dat niet zij maar ene [wederpartij 3] de schuldige zou zijn.”
3.35 Op 12 april 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“In opgemelde kwestie gelieve u de rolbeslissing van de kantonrechter aan te treffen, waaruit blijkt dat hij wil weten of wij van mening zijn dat deze vordering tot zijn bevoegdheid of die van de rechtbank behoort. Wij moeten ons daarover uitlaten bij akte van 24 april a.s. Ik zal aan de kantonrechter aangeven dat, hoewel de vorderingen onder punt 2 en 4 van onbepaalde waarde zijn, de totale vordering nooit hoger dan € 25.000,- zal zijn weshalve de kantonrechter wel degelijk bevoegd is.”
En:
“Ik ben inmiddels wat jurisprudentie gaan nakijken en in een recente uitspraak van de rechtbank Limburg heeft de kantonrechter geoordeeld dat hij niet bevoegd is in geval het gaat om dat vorderingen om iets te doen of na te laten die niet op geld waardeerbaar zijn. In onze zaak zijn de vorderingen om te doen wel op geld waardeerbaar. Dus is de kantonrechter wel bevoegd om daarvan kennis te nemen en niet verplicht door te verwijzen naar de rechtbank. Mocht uit verder onderzoek blijken dat de kantonrechter ten aanzien van de vorderingen onder 2 en 4 toch onbevoegd zou zijn en dat doorverwijzen toch aan de orde zou zijn, dan kunnen wij onze vordering wat betreft hetgeen onder 2 en 4 staat simpelweg verminderen, waardoor wij de kantonrechter toch bevoegd maken èn pogen het geschil alsnog buitengerechtelijk tegen finale kwijting over en weer te regelen nu het geheel dan volledig op geld waardeerbaar is. Wat vindt u hiervan? Graag alleen reageren met: mee eens, omdat ..... of niet mee eens omdat.. ...”
3.36 Op 15 april 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Gelet op de rolbeslissing die ik u op 12 april jl. (11:37 uur) stuurde, mijn mail aan u van 12 april jl. (12:37 uur) en verder onderzoek mijnerzijds rest ons, gelet op alle feiten en omstandigheden, weinig anders dan de vorderingen onder 2 en 4 te verminderen . . /. Bijgaand gelieve u de akte aan te treffen die ik op 24 april a.s. zal nemen. Graag uiterlijk woensdag 17 april 2024 om 17:00 uur uw schriftelijk akkoord hierop.”
3.37 Op 18 april 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Ik kan de zaak regelen voor € 8.500,- tegen finale kwijting over en weer. Ik adviseer u met klem dit te aanvaarden, want dit is een mooie regeling. Als u het daarmee eens bent, dan gelieve u mij dit vandaag vóór 19.30 uur per mail te bevestigen middels uw akkoord; bij niet aanvaarding komt dit te vervallen. Dan gaat de procedure verder zonder de vorderingen onder 2 en 4 gelet op de akte vermindering van eis die ik u gisteren toezond en waarop ik geen reactie kreeg binnen de door mij gestelde termijn; behoudens uw per ommegaand andersluidend tegenbericht vertrouw ik u dan ook akkoord met deze akte. Bij niet akkoord zou de zaak in haar geheel naar de rechtbank worden doorverwezen wat niet alleen een veel hoger griffierecht maar bij verlies ook een veel hogere proceskostenveroordeling met zich meebrengt die niet meer uit het restant tegoed op uw rechtsbijstandverzekering kan worden voldaan waardoor uzelf een risico zou lopen dat ik uiteraard koste wat kost wil vermijden. Maar het hoeft dus allemaal niet zover te komen als u ermee akkoord ga dat ik de zaak voor€ 8.500,- regel, tegen finale kwijting over en weer. Ik hoor dan ook graag voor 19.30 uur van u; na 19.30 uur kan dit voorstel niet meer worden aanvaard, dus ik verzoek u vriendelijk doch dringend daar zéér goede nota van te nemen.”
En:
“Mijn secretaresse heeft u na de verzending van deze e-mail met ontvangst- en leesbevestiging nog gebeld en omdat u niet opnam een boodschap ingesproken op uw mail.”
En:
“Waarom reageert u niet meer op mijn mails en telefoontjes? Ik snap er niks van hoor.”
En:
“U hebt de termijn voor aanvaarding van de regeling zonder enige reactie laten verstrijken. Ik beraad mij er thans over mij te onttrekken als uw advocaat nu u bewust en stelselmatig nergens meer op reageert Morgen hoort u nader van mij. Ik zit nog op kantoor dus mocht u de regeling alsnog willen aanvaarden, dan kan dat tot 19.45 uur; daarna verlaat ik het kantoor. Wilt u ALSTUBLIEFT reageren?”
En:
“Het is nu 19.46 uur en ik heb andermaal geen enkele reactie van u ontvangen. Ik verlaat thans het kantoor. Het houdt op enig moment op.”
3.38 Op 19 april 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Ik vond uw mails pas vanmorgen. Ik weet dus nog steeds niet wat die regeling inhoudt en wordt dus alweer voor het blok gezet. Ik heb ondanks mijn indringende mails nog steeds geen enkele reactie van u daarop ontvangen. Ik vindt de hele gang van zaken stijlloos. Bijgaand mijn commentaar..”
3.39 Op 19 april 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“In vervolge op mijn eerdere correspondentie bericht ik u als volgt. Zoals ik u aangaf overwoog ik mij te onttrekken als uw advocaat. Ik heb inmiddels de beslissing genomen om mij te gaan onttrekken als uw advocaat. Dit heeft, onder meer, te maken met het feit dat ik geen enkele reactie heb ontvangen op mijn mails aan u tot hedenochtend, maar ook dat is nog steeds geen inhoudelijke reactie. Zoals u weet is er een rolbeslissing geweest waarin de rechtbank heeft verklaard dat het gevorderde onder 2 en 4 niet tot zijn bevoegdheid hoort en heeft ons gevraagd hoe we hierover denken. (…) Ik schreef u uiteindelijk dat als u niet zou reageren op mijn vraag of u ermee akkoord ging dat ik een akte zou nemen waarin ik de eis voor wat betreft het gevorderde onder 2 en 4 zou verminderen, ik ervan uitging dat u daarmee akkoord was behoudens uw per ommegaande andersluidende tegenbericht, hetgeen iets te kort door de bocht was. Maar ook daarop kreeg ik geen enkele reactie. Ook heb ik u een regelingsvoorstel toegezonden waar wij de zaak voor f 8.500,- tegen finale kwijting over en weer konden regelen, maar ook daarop heb ik niets op vernomen, zelfs niet nadat mijn secretaresse u had gebeld en op uw voicemail had ingesproken; inmiddels is die mogelijkheid dan ook vervallen. Ik heb in feite helemaal niets van u gehoord tot hedenochtend, maar ook daar zegt u niets over hetgeen ik u schreef met betrekking tot de eisvermindering. Voortschrijdend inzicht heeft me ertoe gebracht u thans nogmaals te vragen of u akkoord gaat met het feit dat ik onze vorderingen met het gestelde onder 2 en 4 verminder zodat de zaak voor de rest bij de kantonrechter blijft (we zouden dan de nokgevelkwestie wellicht op basis van een toevoeging bij de rechtbank kunnen aanbrengen). Mocht ik niet maandag 22 april a.s. om 17:00 uur schriftelijk enige korte en heldere instructie van u vernemen, dan zal ik mij te onttrekken aan de procedure als uw advocaat omdat ik geen enkele instructie krijg en dus niet in staat wordt gesteld uw belangen te behartigen. Ik wijs u in dezen erop dat u er dan voor moet zorgen dat zich een advocaat namens u stelt op woensdag 24 april a.s. en deze verzoekt om uitstel om alsnog te kunnen reageren op de rolbeslissing. Ik adviseer u dat in overleg met ARAG ([naam medewerker]) te doen die ik in de c.c. zet. Als u geen advocaat stelt dan wijs ik u erop dat u weliswaar uw eigen belangen zonder bijstand van een advocaat kunt behartigen, maar vanuit de op mij van toepassing zijnde Gedragsregels wijs ik u erop dat het over het algemeen verstandiger is zich door een professionele jurist bij te laten staan. Als u niets doet, dan zou tot gevolg kunnen hebben dat de rechter uiteindelijk oordeelt dat de vordering verder als niet weersproken zou worden af gewezen waarbij u dan zult worden veroordeeld in de proceskosten die overigens nog uit het budget van de ARAG zouden kunnen worden betaald. Het spijt mij dat ik u niet anders kan berichten maar u laat mij geen andere keuze. Door totaal niet te reageren en uiteindelijk te reageren maar nog altijd geen inhoudelijke reactie te geven op wat ik u schreef betekent zulks dat ik geen enkele instructie van u krijg en dus niet in staat word gesteld uw belangen naar behoren te behartigen hetgeen geen andere conclusie kan wettigen dat ik mij zal onttrekken aan de zaak ter rolle van 24 april a.s., tenzij u mij alsnog inhoudelijk bericht en wel in die zin dat u mij instrueert wat te doen, waarbij ik u ten overvloede nogmaals erop wijs dat het het beste is dat wij de vordering onder 2 en 4 verminderen zulks om te voorkomen dat de zaak wordt doorverwezen naar de rechtbank met alle kosten van dien (wat de nokgevelkwestie betreft: zie hiervoor). Ik behoud mij nadrukkelijk het recht voor dat als u mij instrueert iets le doen waar ik, gelet op mijn advies in dezen, als advocaat niet achter sta, mij alsnog te onttrekken. Dit schrijven geschiedt onder voorbehoud van al mijn rechten en weren.”
En:
“Aan mijn mail van zoeven wil ik nog toevoegen dat als de kantonrechter uiteindelijk besluit de zaak door te verwijzen naar de rechtbank u dan sowieso middels tussenkomst van een advocaat moet optreden en niet zelf in persoon; een mondelinge behandeling mag u dan wel zonder advocaat bijwonen, maar u mag niet proceshandelingen zonder een advocaat verrichten, wat inhoud dat u geen aktes, geen conclusies, geen bewijsstukken etc. mag indienen.”
3.40 Op 22 april 2024 heeft ARAG aan klager geschreven:
“Zojuist hebben wij zeer uitvoerig gesproken over de per e-mail van [verweerder] d.d. 19 april 2024 aan u verzonden brief en zijn korte aanvulling per e-mail van dezelfde dag (zie beide in de bijlage). Ik wil in de eerste plaats nog eens benadrukken dat ik u heb uitgelegd wat uw mogelijkheden zijn, zoals genoemd in de brief van [verweerder], maar dat de uiteindelijke keuze uiteraard geheel aan u is. U snapte dat. Ons gesprek eindigde er mee dat u aangaf [verweerder] vandaag voor 17:00 uur schriftelijk te zullen laten weten dat u akkoord gaat met een te nemen akte tot vermindering van uw eis (met de punten 2 en 4 uit de dagvaarding) zodat de kantonrechter bevoegd blijft over uw resterende eisen te kunnen oordelen. Gelet op het bij ARAG nog resterende budget € 7.255,29 (all-in), wordt verondersteld dat dit normaal gesproken voldoende zal moeten zijn om tot een eindvonnis van de kantonrechter te kunnen komen. Voor wat u voorts met de kwestie over de nokgevel (2) en eis tot afgifte onderzoekrapport (4) wenst te doen gaf u aan u nog te willen beraden. U overweegt te onderzoeken of u voor een toevoeging (door de overheid gefinancierde rechtshulp) in aanmerking komt. Dat laat ARAG aan u. (…)”
3.41 Diezelfde dag heeft klager aan verweerder geschreven:
“Na een uitgebreid telefoongesprek met [ARAG] heb ik de beslissing moeten nemen dat de zaak bij de kantonrechter blijft en dat ik akkoord ga met de akte tot vermindering wat punt 2 en 4 betreft.”
3.42 Diezelfde dag heeft verweerder de akte vermindering van eis uitgebracht.
3.43 Op 4 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Kan ik op 7 mei as om 14.00 uur bij uw langskomen om de situering van het (voormalige) gat in de muur en de gevolgen daarvan met eigen ogen te aanschouwen?”
3.44 Op 5 mei 2024 heeft klager gereageerd: “Ik heb nog steeds geen antwoord op mijn vragen gekregen.”
3.45 Diezelfde dag heeft verweerder gereageerd: “Als ik daar ben kunt u mij uw vragen stellen; ik neem er de tijd voor. Is datum en tijdstip akkoord?”
3.46 Op 6 mei 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Twee weken geleden deelde u mij mee dat u zich onttrok van uw plicht als advocaat om mij nog langer bij te staan aangezien ik niet naar uw zin reageerde op een volstrekt onduidelijk en steeds wisselend voorstel twee dagen voordat een beslissing genomen moest worden voor de rechtbank waarmee vier jaar van een immens door mij geïnvesteerd aantal uren naar de verdommenis ging en de procedure als verloren beschouwd kon worden door de incompetente aanpak van uw kant, over de stress en frustratie nog maar te zwijgen. Het lijkt mij niet verstandig dat wij elkaar nog persoonlijk tegenkomen aangezien ik mij niet zomaar op zo'n schandalige manier laat behandelen en intimideren. Het schrijven van [ARAG] dient blijkbaar om zich in te dekken en staat haaks op het telefonisch onderhoud van de Vrijdag daarvoor waarvan ik aangaf onder protest mee in te stemmen.”
3.47 Op 7 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Reeds eerder was ik helaas genoodzaakt u aan te geven dat ik mij als uw advocaat zou onttrekken als u mij niet heldere en korte instructie zou geven omdat ik zo niet kon werken. Die instructie heeft u mij louter en alleen gegeven vanwege de tussenkomst van de ARAG. Om "een nieuwe start" te maken stelde ik u op zaterdag 4 mei jl. voor om op dinsdag 7 mei a.s. om 14:00 uur bij u langs te komen om de situering van het (voormalige) gat in de muur en de gevolgen daarvan met eigen ogen te aanschouwen. U schreef mij dat u nog steeds geen antwoord zou hebben gehad op uw vragen. Daar reageerde ik op met de opmerking dat als ik bij u zou zijn u mij de vragen zou kunnen stellen die bij u zouden leven; ik zou er de tijd voor nemen. Ik vroeg u of het tijdstip en de datum akkoord waren. Maandagochtend werd ik geconfronteerd met uw mail van 6 mei 2024 (05:56 uur) die van een zodanige inhoud is en de mededeling bevat dat u mij niet meer persoonlijk wenst tegen te komen dat ik besloten heb dat ik mij als advocaat aan de zaak zal moeten onttrekken; daargelaten de inhoud, kan ik mijn werk niet verrichten als de cliënt mij niet meer persoonlijk wenst te ontmoeten. U zult dan ook, in overleg met de ARAG, op zoek dienen te gaan naar een nieuwe advocaat die ik, zodra ik van de ARAG verneem wie dat is, het dossier, desgewenst, zal overdragen. Overigens deel ik u mede dat de zaak op de rol van 22 mei a.s. staat voor uitspraak naar aanleiding van onze reacties op de rolbeslissing.”
3.48 Op 10 mei 2024 heeft ARAG aan klager, met verweerder in gelijktijdige kopie, geschreven dat hij bij wijze van uitzondering binnen de grenzen van de polis een overstap naar een andere advocaat mag maken vanwege de vertrouwensbreuk met verweerder.
3.49 Op 11 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Uit bijgaande rol beslissing blijkt dat de zaak, dankzij onze eisvermindering, nu bij de kantonrechter blijft en mijn opvolgend advocaat nu ter rolle van 22 mei 2024 uw en zijn verhinderdata moet doorgeven aan de kantonrechter omdat hij een mondelinge behandeling wil gelasten.”
3.50 Op 14 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“In vervolge op mijn mail aan u van 11 mei jl. waarin ik u aangaf dat ter rolle van 22 mei a.s. u uw verhinderdata moet opgeven ten behoeve van een mondelinge behandeling blijkt uit het rolbericht wat zojuist is binnengekomen dat u niet alleen verhinderdata moet opgeven maar ook eventuele getuigen; de verhinderdata betreffen dan de maanden juni t/m september 2024.”
3.51 Op 29 mei 2024 heeft klager op grond van de kantoorklachtenregeling een klacht ingediend over verweerder. De klacht is door de klachtenfunctionaris behandeld.
3.52 Op 28 november 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
3.53 In december 2024 heeft de klachtenfunctionaris de interne klacht afgewezen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:
- onvoldoende bekend was met het dossier en heeft geweigerd om schadeposten en belangrijke informatie aan te voeren in de dagvaarding;
- klager een half jaar aan het lijntje heeft gehouden;
- heeft gesjoemeld met zijn declaraties en excessief heeft gedeclareerd;
- klager bewust fout heeft geïnformeerd over de bevoegdheid van de rechtbank;
- de verkeerde partij heeft gedagvaard;
- klager onder druk heeft gezet om in te stemmen met een voorstel tot een minnelijke regeling en, nadat hij weigerde klagers vragen te beantwoorden, zijn werkzaamheden heeft neergelegd toen klager niet op de door verweerder gewenste wijze heeft gereageerd op het voorstel.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft het navolgende overwogen.
Klachtonderdeel a)
5.2 De raad kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verweerder onvoldoende bekend was met het dossier. Uit de correspondentie volgt dat verweerder vele conceptdagvaardingen aan klager heeft voorgelegd. Dat verweerder een andere waarde heeft toegedicht aan diverse producties die hij van klager heeft ontvangen, is daartoe onvoldoende. Verder heeft de advocaat als dominus litis vrijheid in de wijze waarop hij een zaak wil behandelen, waaronder in het beoordelen welke producties dienstbaar zijn of afbreuk doen aan de zaak. Dat geldt ook voor het weigeren om bepaalde schadeposten op te nemen, als verweerder meent dat er onvoldoende kansen zijn om deze toegewezen te krijgen. Verweerder is binnen die vrijheid gebleven. Hij heeft pas nadat klager daartoe akkoord heeft gegeven, de dagvaarding laten uitbrengen. Dat klager het achteraf nog steeds niet eens is met het weglaten van producties of de schadeposten, verandert niet dat hij daarmee wel akkoord is gegaan in juni 2023. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.3 Uit de toelichting op dit klachtonderdeel, begrijpt de raad dat klager hiermee bedoelt een half jaar aan het lijntje te zijn gehouden sinds het indienen van de interne klacht in mei 2024 tot aan december 2024. De klachtbehandeling werd niet door verweerder uitgevoerd, maar door de klachtenfunctionaris van het kantoor. Dit kan verweerder dan ook niet worden aangerekend. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.4 De raad stelt vast dat klager via zijn rechtsbijstandsverzekeraar bij verweerder terecht is gekomen en dat verweerder binnen het toegekende budget is gebleven. Het is dan ook enkel de rechtsbijstandsverzekeraar die een eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft bij een eventuele klacht over de hoogte van de declaraties. Klager is niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel d)
5.5 De raad kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verweerder klager bewust fout heeft geïnformeerd over de bevoegdheid van de kantonrechter dan wel rechtbank. Verweerder heeft klager over de mogelijke verwijzing van de kantonrechter naar de rechtbank al op 30 november 2023 geïnformeerd. Vervolgens is dat daadwerkelijk aan de orde gekomen op het moment dat de kantonrechter partijen heeft verzocht om daarover een standpunt in te nemen. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
Klachtonderdeel e)
5.6 De raad stelt vast dat na het indienen van de dagvaarding is gebleken dat er nog een derde partij was die gedagvaard kon worden, omdat deze ook woonachtig is in het pand van de buren en blijkbaar ‘de schuldige’ zou zijn volgens klager. Het kan verweerder niet worden verweten dat hij hiervan geen kennis had; verweerder is als advocaat afhankelijk van de informatie die hij van zijn cliënt krijgt. Klager heeft in geen van de vele conceptdagvaardingen waarin de andere twee personen als gedaagden waren aangemerkt melding gemaakt van het bestaan van deze derde persoon, zodat verweerder dit ook niet kon weten. Klachtonderdeel e) is ongegrond.
Klachtonderdeel f)
5.7 Verweerder heeft klager inderdaad onder druk gezet om op korte termijn te reageren op het voorstel dat van de wederpartij was ontvangen. Dat was echter in het belang van klager, omdat het voorstel maar beperkt geldig was en er dus snel moest worden geschakeld. Verweerder heeft vervolgens uitgelegd dat de onbereikbaarheid van klager voor hem reden was om de dienstverlening stop te zetten. Dat acht de raad evenmin verwijtbaar. Verweerder dient immers te werken op basis van vertrouwen met klager en als dat vertrouwen om hem moverende redenen is verdwenen, dan kan hij zich mede gelet op gedragsregel 14 onttrekken aan een zaak. Klachtonderdeel f) is ongegrond.
Conclusie
5.8 De klacht is in het geheel ongegrond, met uitzondering van klachtonderdeel c) waarin klager niet-ontvankelijk is.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1Klager voert in zijn beroepschrift het navolgende aan.
Ten aanzien van klachtenonderdeel a)
- Ten onrechte gaat de raad voorbij aan het feit dat de eerste vier conceptdagvaardingen nauwelijks waren aangepast en zes concepten niet waren ontvangen door klager.
- Ten onrechte is de raad van oordeel dat verweerder het recht had om cruciale producties te weigeren.
- Ten onrechte gaat de raad eraan voorbij dat verweerder de officiële dagvaarding heeft aangepast nadat klager akkoord was gegaan en bovendien zonder klager daarvan op de hoogte stellen.
- Ten onrechte gaat de raad eraan voorbij dat er door toedoen van verweerder foute producties in de officiële dagvaarding terecht zijn gekomen.
Ten aanzien van klachtenonderdeel b)
- Ten onrechte heeft de raad de termijn van een half jaar gekoppeld aan de interne klacht die klager over verweerder had ingediend.
Toelichting
Het gaat om de periode eind december 2022 tot begin mei 2023, waarin klager na het inleveren van de door hem aangepaste tweede dagvaarding niets meer van verweerder had gehoord. Toen klager verweerder hierop aanspraak, kreeg hij te horen dat hij zijn toon moest matigen en dat verweerder anders klager zou aanklagen vanwege het “aantasten van de goede naam” .
Ten aanzien van klachtenonderdeel c)
- Ten onrechte gaat de raad voorbij aan het feit dat klager niet alleen de hoogte van het budget, maar ook de, voor dat geld, geleverde prestatie door verweerder ter discussie heeft gesteld, waarbij verweerder onder meer aanvoert dat verweerder vier maanden niets voor klager heeft gedaan en klager zijn belangrijkste eis heeft moeten laten vallen.
- Ten onrechte is de raad niet ingegaan op de klacht van klager dat verweerder heeft gesjoemeld met de uren en is de raad afgegaan op de stelling van verweerder dat klager een “bewerkelijke cliënt” was.
Ten aanzien van klachtenonderdeel d)
- Ten onrechte gaat de raad eraan voorbij dat verweerder pas anderhalf jaar later is komen aanzetten met de kwestie over de bevoegdheid van de kantonrechter/rechtbank.
Ten aanzien van klachtenonderdeel e)
- Ten onrechte gaat de raad eraan voorbij dat klager geen weet had van wie uiteindelijk verantwoordelijk was voor de doorbraak in de onderliggende kwestie. Als dit echt zo belangrijk was geweest, had verweerder klager daar naar moeten vragen. Dat heeft hij nooit gedaan.
Ten aanzien van klachtenonderdeel f)
- Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat het in het belang van klager was dat hij door verweerder onder druk werd gezet.
Toelichting
Klager moest (slechts) binnen een tijdsbestek van twee uur akkoord gaan met een voorstel van verweerder, dat bovendien in zijn nadeel was.
Verweer verweerder
6.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
7.3 De kernwaarde (financiële) integriteit brengt met zich dat een advocaat bij de uitoefening van zijn beroep integer moet handelen en zich moet onthouden van handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De advocaat dient als lid van een door de wet bijzonder gepositioneerde beroepsgroep bij te dragen aan de integriteit van zijn beroepsgroep. Integere beroepsuitoefening is essentieel om de bijzondere positie van de advocaat te legitimeren en het vertrouwen in de beroepsgroep te waarborgen. Integer wil zeggen dat de advocaat boven de zaak staat, hij belangenverstrengelingen tegengaat en zich kan verantwoorden voor zijn keuzes, gegeven zijn geprivilegieerde rol binnen de rechtsorde. De kernwaarde integriteit leidt er – uiteraard – toe dat een advocaat ook in financiële aangelegenheden betamelijk moet handelen. Deze verplichting geldt tegenover de eigen cliënt, de wederpartij, maar ook tegenover derden. Met de raad wijst het hof er in dat verband op dat van een advocaat mag worden verwacht dat hij integer en zorgvuldig handelt in financiële aangelegenheden en dat hij daarvoor nauwgezet verantwoording aflegt aan zijn opdrachtgever. In dit verband beoordeelt de tuchtrechter ook of er sprake is van excessief declareren. Of een declaratie als excessief moet worden aangemerkt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
7.4 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.
Overwegingen hof
Klachtonderdeel a): v erweerder was onvoldoende bekend met het dossier en heeft geweigerd om schadeposten en belangrijke informatie aan te voeren in de dagvaarding
7.5 Ten aanzien van dit klachtonderdeel ziet het hof op basis van de beroepsgronden, die een herhaling van de eerder door klager ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van klachtonderdeel a) te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. Verweerder heeft bij de raad verklaard hoeveel conceptdagvaardingen hij - naar aanleiding van wijzigingsvoorstellen van klager - heeft opgesteld en aan klager heeft voorgelegd. Dat zijn er volgens hem tien geweest. Het hof kan niet vaststellen hoeveel dagvaardingen verweerder aan klager heeft voorgelegd; klager stelt dat hij in totaal vier conceptdagvaardingen van verweerder heeft ontvangen. Wat daar verder ook van zij, voor het hof is van belang dat in hoger beroep vaststaat dat de dagvaarding door klager is geaccordeerd alvorens die werd uitgebracht. Het hof heeft evenmin kunnen vaststellen dat verweerder, zoals klager stelt, nadien en zonder instemming van klager, wijzigingen in de geaccordeerde dagvaarding heeft aangebracht. Verweerder heeft dat weersproken en klager heeft niet nader onderbouwd om welke wijzigingen het dan zou gaan. Dat verweerder uit eigen beweging enkele producties heeft gecorrigeerd, acht het hof niet verwijtbaar, gelet op de door verweerder gegeven toelichting. Volgens verweerder stonden op die producties nog enkele aantekeningen van klager; verweerder heeft dat nog in het belang van klager voor de eerste rolzitting hersteld.
Klachtonderdeel b): verweerder heeft klager een half jaar aan het lijntje gehouden
7.6 Klager heeft toegelicht dat zijn verwijt ziet op de periode van december 2022 - mei 2023. Klager verwijt verweerder dat hij klager in die periode aan het lijntje heeft gehouden, in die zin dat hij niets meer van verweerder heeft gehoord, nadat klager had gereageerd op de tweede conceptdagvaarding. Het hof stelt vast dat dit verwijt van klager geen grondslag vindt in de feiten, zoals het hof die hiervoor heeft vastgesteld. Daaruit volgt immers dat er op 9 februari 2023 (weliswaar nadat klager meerdere keren bij verweerder had geïnformeerd naar de stand van zaken) nog een bespreking tussen klager en verweerder heeft plaatsgevonden. Ook heeft verweerder op 28 maart 2023 aan klager nog een schriftelijke reactie op diens verzoek gestuurd. Vervolgens heeft op 18 mei 2023 opnieuw een bespreking tussen klager en verweerder plaatsgevonden. Het voorgaande neemt weliswaar niet weg dat er ook periodes van stiltes zijn geweest, zonder dat het hof kan vaststellen wat verweerder in die periode voor klager heeft gedaan, maar dat rechtvaardigt, in het licht bezien van het voorgaande, niet de conclusie dat verweerder klager een half jaar aan het lijntje heeft gehouden - al vindt het hof wel dat verweerder zich pro-actiever had kunnen opstellen als het gaat om het tussentijds informeren van klager over de stand van zaken.
Klachtonderdeel c): verweerder heeft gesjoemeld met zijn declaraties en excessief gedeclareerd
ontvankelijkheid
7.7 Het hof toetst ambtshalve of klager ontvankelijk is in dit klachtonderdeel. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat slechts kan worden geklaagd over een advocaat indien de klager door het handelen of nalaten van deze advocaat (rechtstreeks) in zijn eigen belang is of kan zijn getroffen (vgl. HvD 31 oktober 2014, ECLI:NL:TAHVD:2014:302).
7.8 Het hof is anders dan de raad van oordeel dat klager een rechtstreeks belang heeft bij dit klachtonderdeel en overweegt daartoe als volgt. Klager heeft als verzekerde van ARAG recht op dekking van de door verweerder gemaakte kosten van rechtsbijstand. Voor klager is evenwel een maximum vergoeding vastgesteld. Als het budget van het kostenmaximum is benut, moet klager, als verzekerde, in beginsel zelf de advocaatkosten betalen. De omstandigheid dat verweerder feitelijk binnen het door de rechtsbijstandsverzekeraar gestelde kostenmaximum is gebleven, maakt niet dat klager geen belang heeft bij dit klachtenonderdeel. Immers, als verweerder met declaraties nagenoeg het gehele kostenmaximum heeft benut, kan dat gevolgen hebben voor de (proces)keuzes die klager daarna nog kan maken. Klagers belangen zijn daarmee gemoeid. Aldus heeft klager belang bij dit klachtonderdeel.
Excessief?
7.9 Bij het vaststellen van de declaratie van een advocaat is het uitgangspunt dat een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening wordt gebracht (zie gedragsregel 17 lid 1). In het kader van de te hanteren tuchtnorm beperkt het hof zich bij de beoordeling van declaraties van advocaten tot een marginale toets. Beoordeeld wordt of er sprake is van excessief declareren. Daarbij gaat het om de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden.
7.10 Vaststaat dat verweerder een bedrag van € 30.000,- heeft gedeclareerd. Vaststaat ook dat de maximum vergoeding door de rechtsbijstandsverzekeraar was gesteld op € 40.000,-.
7.11 In het dossier bevinden zich slechts enkele declaraties met bijbehorende urenstaten. Die zien allemaal op de (eerste) periode tot en met 30 november 2022, terwijl verweerder ook in 2023 en 2024 werkzaamheden voor klager heeft verricht. Over die periode heeft het hof geen declaraties aangetroffen.
7.12 Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat verweerder heeft gesjoemeld met de declaraties, zijn het hof niet gebleken.
7.13 Hoewel het gedeclareerde bedrag van € 30.000,- het hof op het eerste gezicht fors voorkomt, gezien het belang van de zaak en de verantwoordelijkheid van verweerder om zijn cliënt niet onnodig op kosten te jagen, kan het hof op basis van de declaraties die zijn overgelegd niet vaststellen dat er sprake is van een wanverhouding tussen het aantal gedeclareerde uren en de werkzaamheden die door verweerder zijn verricht.
7.14 Uit het vorenstaande volgt dat klachtonderdeel c) ongegrond is.
Klachtonderdeel d): verweerder heeft klager bewust fout geïnformeerd over de bevoegdheid van de rechtbank
7.15 Het hof stelt vast dat verweerder enkele dagen na het uitbrengen van de dagvaarding (op 30 november 2023) aan klager heeft geschreven dat hij verwacht dat de zaak wordt verwezen naar de rechtbank omdat er in de dagvaarding ook een vordering van onbepaalde waarde was opgenomen waartoe de rechtbank bevoegd was. Op dat moment was er al bijna een jaar verstreken na het opmaken van de tweede conceptdagvaarding, waarin de vorderingen reeds waren opgenomen.
7.16 Bij rolbeslissing van 10 april 2024 heeft de kantonrechter, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 93 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geoordeeld dat de vorderingen onder punt 2 en 4 van onbepaalde waarde zijn en dat er ook geen argumenten zijn aangedragen op basis waarvan de kantonrechter zou kunnen concluderen dat de vordering geen hogere waarde dan € 25.000,- vertegenwoordigt. De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de zaak bij de juiste rechter in behandeling is.
7.17 Verweerder heeft deze beslissing op 12 april 2024 aan klager teruggekoppeld en daarbij aangegeven dat hij inmiddels wat jurisprudentie is gaan nakijken en van mening is dat de kantonrechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen als de vorderingen (onder 2 en 4) op geld waardeerbaar zijn en dat, hoewel de vorderingen onder 2 en 4 van onbepaalde waarde zijn, de totale vordering nooit hoger is dan € 25.000,-.
7.18 Vervolgens is verweerder, zoals hijzelf stelt, tot de conclusie gekomen dat de kantonrechter toch onbevoegd is met betrekking tot de vorderingen onder 2 en 4 zoals ze waren ingesteld. Verweerder heeft klager daarom op 15 april 2024 voorgesteld die twee vorderingen te verminderen (naar het hof begrijpt: te laten vallen) zodat de zaak bij de kantonrechter kon blijven, omdat, zo heeft verweerder op 18 april nader toegelicht, verwijzing naar de rechtbank een hoger griffierecht met zich mee zou brengen, verlies in een hogere proceskostenveroordeling zou resulteren en het de vraag was of de dekking daartoe dan nog wel toereikend zou zijn.
7.19 Nadat klager zijn toestemming had verleend, heeft verweerder een akte uitlating rolbeslissing tevens houdende vermindering van eis genomen. De vorderingen onder 2 en 4 zijn daarmee komen te vervallen, terwijl juist die twee vorderingen voor klager, zoals hij heeft verklaard, het meest belangrijk waren.
7.20 Het hof acht deze gang van zaken ongelukkig en is van oordeel dat van verweerder verwacht had mogen worden dat hij een en ander eerder had uitgezocht en zijn koers had bepaald en aan klager had voorgehouden, zodat klager daarop voorbereid was. Het dossier biedt naar het oordeel van het hof echter geen aanknopingspunten voor het verwijt van klager dat verweerder klager ‘bewust’ verkeerd heeft geïnformeerd. Hiermee is onderdeel d) ongegrond.
Klachtonderdeel e): verweerder heeft de verkeerde partij gedagvaard
7.21 Niet in geschil is dat verweerder de verkeerde partij heeft gedagvaard. Aan het hof ligt ter beoordeling voor de vraag of verweerder daarvan een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
7.22 Het hof stelt voorop dat het in de onderliggende procedure gaat het om een vordering uit onrechtmatige daad, waarbij er, beweerdelijk, als gevolg van verbouwingswerkzaamheden bij de buren een gat is ontstaan in de spouwmuur van klager (hierna: de toedracht). De buren van klager zijn [persoon 1] en [persoon 2] en (alleen) zij zijn door verweerder gedagvaard.
7.23 Vaststaat dat het verweerder naar aanleiding van de conclusie van antwoord is gebleken dat een derde partij, die verweerder niet heeft gedagvaard, de toedracht heeft veroorzaakt. Die derde partij is [persoon 3].
7.24 Dat verweerder daarmee, zoals hij zelf stelt, werd verrast omdat klager hem dat nooit heeft verteld dat [persoon 3] de dader is, is door klager uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken, en kan het hof ook niet rijmen met hetgeen uit het dossier naar voren komt.
7.25 Uit het dossier komt naar voren dat klager op 23 januari 2023, in zijn reactie op de tweede conceptdagvaarding, een aantal aanpassingen heeft aangebracht, die hij duidelijk zichtbaar in het ‘rood’ in het tekstvoorstel van verweerder heeft weergegeven en die hij voorts heeft voorzien van een toelichting. Wat opvalt is dat verweerder de gedaagden, [persoon 1] en [persoon 2] heeft aangeduid als ‘[naam]’ en daarna telkens over hen in meervoud spreekt. Klager heeft dat laatste aangepast. Hij heeft van meervoud telkens enkelvoud gemaakt. Zo heeft klager ‘[naam] hebben’ gewijzigd in ‘[naam] heeft’ en heeft hij ‘[naam] zijn overgegaan’, gewijzigd in ‘[naam] is overgegaan’. Zwaarwegender voor het hof is echter dat klager in zijn toelichting op de toedracht met zoveel woorden schrijft dat [persoon 3] het gat in de muur heeft veroorzaakt. Klager schrijft daarover:
“Toen hij door het daardoor ontstane gat naar de man van [naam] ([voornaam]) riep, die nog rustig door aan het slopen was, waar hij in vredesnaam mee bezig was reageerde die nogal dom laconiek. Klager is daarop de situatie met [voornaam] bij [naam] gaan bekijken waaruit bleek dat men zo’n 5m2 uit het buitenste spouwblad had gesloopt, zo’n 2m2 uit het binnenste spouwblad en men het hoekverband naar de haakse muur naar de kant van zijn tekenkamer had weggebroken. [naam] zelf en zijn zus bleven zonder enige interesse te tonen op een afstandje gewoon doorgaan met hun werk in de tuin. “
7.26 Het hof acht het niet aannemelijk dat verweerder deze aanpassingen van klager niet heeft ontvangen. Vaststaat immers dat verweerder heeft gereageerd op het verzoek van klager om het rapport van ‘[naam]’ buiten toepassing te laten; verweerder heeft dat gedaan. Dat verzoek van klager maakte onderdeel uit van de voormelde reactie van klager op de tweede conceptdagvaarding.
7.27 Het verweer dat klager op geen enkel moment aan verweerder kenbaar heeft gemaakt dat [persoon 3] de vermeende veroorzaker van de schade was, vindt derhalve geen grondslag in de stukken. Gelet op de aanwijzingen in het dossier, is het hof minst genomen van oordeel dat verweerder beter had moeten onderzoeken wie van de ‘[naam]’ de schade precies had veroorzaakt, door dat beter bij klager na te vragen. Verweerder is daarin naar het oordeel van het hof tekortgeschoten. Hij heeft onvoldoende de regie genomen en teveel reactief gehandeld. Het gevolg daarvan is dat niet de juiste persoon (mede) is gedagvaard. Het hof acht dit tuchtrechtelijk verwijtbaar.
7.28 Klachtonderdeel e) is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel f)
7.29 Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerder klager niet onnodig onder druk heeft gezet om op korte termijn te reageren op het voorstel dat van de wederpartij was ontvangen, omdat het voorstel maar beperkt geldig was en er dus snel moest worden geschakeld. Het hof is het wel met klager eens dat verweerder een terechte vraag van klager over het inlopen van het kostenmaximum ten onrechte onbeantwoord heeft gelaten, terwijl klager een antwoord daarop nodig had om zijn kansen in te schatten. Dit valt echter buiten het bestek van klachtonderdeel f). Dat verweerder heeft besloten zich als advocaat van klager te onttrekken, acht het hof niet onbetamelijk, gelet op de wederzijdse vertrouwensbreuk die was ontstaan.
Slotsom
7.30 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat het beroep van klager voor zover gericht tegen de klachtonderdelen c) en e) slaagt. De beslissing van de raad wordt ten aanzien van die klachtonderdelen vernietigd. Klachtonderdeel c) wordt ongegrond verklaard en klachtonderdeel e) alsnog gegrond verklaard. Voor het overige wordt de beslissing van de raad bekrachtigd.
8 MAATREGEL
8.1 Bij het gegrond bevinden van klachtonderdeel e) is het opleggen van een maatregel op zijn plaats.
8.2 Verweerder heeft, zo is het hof gebleken, onvoldoende regie gevoerd in het dossier van klager en te weinig proactief gehandeld. Hij heeft nagelaten voldoende onderzoek te doen naar de persoon van de dader, waardoor hij niet de juiste persoon (mede) heeft gedagvaard. Verweerder is daarmee tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens klager. Deze houding van verweerder laat zich ook zien ten aanzien van de kwestie over de bevoegdheid van de kantonrechter en het onbeantwoord laten van belangrijke vragen van klager. Die twee laatste hebben weliswaar niet geleid tot een gegrondverklaring van andere klachtonderdelen, maar maken wel dat, alles bij elkaar genomen, de maatregel van een waarschuwing naar het oordeel van het hof passend en geboden is.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een deel van de klacht alsnog gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
9.2 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
b) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 26 januari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-675/DB/LI, voor zover die betrekking heeft op de klachtonderdelen c) en e) en,
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart klachtonderdeel c) ongegrond en klachtonderdeel e) alsnog gegrond;
10.3 bekrachtigt de beslissing van 26 januari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-675/DB/LI, voor het overige;
10.4 legt aan verweerder de maatregel op van een waarschuwing;
10.5 veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
10.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland , voorzitter, mrs. K .H.A. Heenk en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 15 juni 2026.