ECLI:NL:TAHVD:2026:179 Hof van Discipline 's Gravenhage 250418
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:179 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-06-2026 |
| Datum publicatie: | 15-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250418 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de advocaat van de wederpartij. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder het risico heeft genomen dat hij met klager geconfronteerd zou worden zonder de aanwezigheid van diens advocaat en aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verweerder is in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat er geen grond is voor een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerder omdat hetgeen verweerder wordt verweten niet kan worden vastgesteld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad en verklaart de klacht ongegrond. |
Beslissing van 15 juni 2026
in de zaak 250418
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de advocaat van de wederpartij. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder het risico heeft genomen dat hij met klager geconfronteerd zou worden zonder de aanwezigheid van diens advocaat en aan verweerder de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verweerder is in hoger beroep gekomen. Het hof is van oordeel dat er geen grond is voor een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerder omdat hetgeen verweerder wordt verweten niet kan worden vastgesteld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad en verklaart de klacht ongegrond.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-297/AL/OV) een beslissing gewezen op 27 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klager in alle onderdelen gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:235 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 25 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klager;
- een e-mail van klager van 9 april 2026, met bijlagen.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 20 april 2026. Daar zijn verweerder en klager verschenen.
3 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.1 Klager is huurder van twee naast elkaar gelegen woningen in [plaats].
3.2 Tussen klager en de verhuurder van de woningen is enige jaren geleden een geschil ontstaan over diverse door klager gestelde (onderhouds)gebreken aan de woning(en). Sinds juli 2024 staat verweerder de verhuurder bij in dat geschil.
3.3 Op 31 oktober 2024 heeft verweerder de advocaat van klager laten weten dat de mondelinge behandeling van het door de verhuurder aangespannen kort-geding tegen klager en zijn partner is bepaald op 16 december 2024.
3.4 Bij bericht op 6 november 2024 heeft de advocaat van klager aan verweerder laten weten dat een door klager ingeschakelde deskundige een veelheid aan gebreken heeft geconstateerd die alle herstel of nader onderzoek behoeven. De onderzoeksbevindingen zijn bij dat bericht gevoegd. Verder schrijft de advocaat van klager:
‘Verder kan ik u berichten dat cliënten (andermaal) een inspectie van de woningen door uw cliënte toestaan. Cliënten zijn op korte termijn beschikbaar voor de inspectie en ik verneem graag van u wanneer die kan plaatsvinden. Het meest praktisch is als u een paar voorkeursdata aan mij kenbaar maakt.’
3.5 Op 12 november 2024 om 09:04 heeft verweerder aan de advocaat van klager per e-mail bericht:
‘Op 14 november a.s. zal een deskundige (…) de gehuurde woningen en de beweerde gebreken komen inspecteren. De deskundige verwacht tussen 10.00 en 11.00 uur te zullen arriveren. Cliënte en ikzelf wensen bij die inspectie aanwezig te zijn. Ik wil erop vertrouwen dat uw cliënten deze deskundige geen strobreed in de weg zullen leggen. Als u bij de inspectie aanwezig wilt zijn is dat uiteraard prima’.
3.6 Diezelfde dag om 10:25 uur heeft de advocaat van klager een e-mail gestuurd aan verweerder (met diens kantoorgenote in de cc) die de volgende passage bevat:
“Nu wordt er van cliënten verwacht dat zij binnen twee dagen beschikbaar zijn voor een eenzijdig vastgesteld bezoek met een aannemer, waarbij u ook aanwezig gaat zijn. Cliënten en ik zijn donderdag aanstaande verhinderd. Komende week zou het wel uitkomen. lk verneem wel van u welke dag en tijdstip een inspectie die week uwerzijds mogelijk is.”
3.7 Op 14 november 2024 hebben de deskundige, verweerder en zijn cliënte zich op het aangekondigde tijdstip naar het adres van de betreffende woning begeven voor de aangekondigde inspectie. Die inspectie heeft echter niet plaatsgevonden.
3.8 Nog dezelfde dag heeft de advocaat van klager bij verweerder haar beklag gedaan over de gang van zaken die ochtend. Hij schrijft in de e-mail onder meer: “Ik heb van cliënten begrepen dat zich een onaangename confrontatie heeft voorgedaan, waarbij u onder meer hebt geuit dat u mijn e-mail van 12 november 2024 niet zou hebben ontvangen, cliënten ontruimd zullen worden en de rekening van uw bezoek wel gepresenteerd krijgen via de rechtbank”.
3.9 Daarop heeft verweerder ook dezelfde dag per e-mail op gereageerd en wel als volgt: “Denkt u nu werkelijk dat ik naar [plaats] rijd als ik weet dat ik daar voor een dichte deur zou komen? Mijn cliënte was in elk geval ontdaan over de opstelling/bejegening van de zijde van met name uw client en zij beraadt zich”.
3.10 Op 15 november 2024 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
3.11 Op 16 december 2024 heeft het kort-geding plaatsgevonden. Tijdens de zitting hebben partijen aangegeven om in onderling overleg met hun gemachtigden afspraken te maken over de inspectie. Bij vonnis van 23 december 2024 is enkel de vordering van de verhuurder tot ‘het onbelemmerd kunnen uitoefenen van het inspectierecht’ toegewezen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet (Advw) door:
a) de nodige professionele distantie niet in acht te nemen;
Toelichting : Verweerder lijkt het geschil nogal persoonlijk op te nemen door zich tegenover klager en zijn partner uit te laten en zich te gedragen alsof het hem persoonlijk aangaat. Verweerder heeft volgens klager op agressieve wijze bedenkelijke, kwalijke en ongefundeerde uitspraken gedaan die agressief op klager overkwamen. Verweerder viel op schreeuwende toon uit tegen de partner van klager dat hij zou zorgen dat de woning zou worden ontruimd en dat klager en zijn partner alle gemaakte kosten van het bezoek zouden moeten voldoen. Op het moment van zijn uitbarstingen hadden klager en zijn partner bezoek van kennissen, die binnen alles woordelijk konden verstaan. Het was al met al een beschamende vertoning voor een advocaat. Klager voelde zich daardoor in zijn eigen leefomgeving onveilig en bedreigd.
b) onzorgvuldig te handelen door tijdens een niet afgestemd bezoek op een onbetamelijke wijze de confrontatie te zoeken met klager en zijn partner;
Toelichting : Op 12 november 2024 ontving de advocaat van klager een bericht waarin verweerder de inspectie aankondigde die op 14 november 2024 zou plaatsvinden, slechts twee dagen lager. Daarop heeft de advocaat van klager per kerende e-mail laten weten dat het niet uitkwam en dat hij de inspectie graag een week later zag plaatsvinden. Verweerder beweert dat hij dit bericht van de advocaat van klager niet heeft gelezen, wat ongeloofwaardig is. Het is onzorgvuldig dat verweerder zijn e-mails niet leest.
c) dit alles buiten de aanwezigheid van de advocaat van klager om te hebben gedaan, terwijl verweerder wist dat klager vertegenwoordigd werd door een advocaat.
5 OMVANG HOGER BEROEP
5.1 Klager heeft in zijn e-mail van 9 april 2026 nieuwe verwijten tegen verweerder geformuleerd. Het hof laat deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advw). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft aan de gegrondverklaring van de klacht het navolgende ten grondslag gelegd.
6.2 De drie klachtonderdelen spitsen zich toe op de gebeurtenissen rondom 14 november 2024 en hebben een onderlinge samenhang. De raad heeft om die reden de klachtonderdelen gezamenlijk besproken en als geheel beoordeeld.
6.3 Vast staat dat verweerder op 12 november 2024 om 09.04 uur een e-mailbericht heeft gezonden naar de advocaat van klager, waarin een op 14 november 2024 te houden inspectie werd aangekondigd. Ook staat vast dat de advocaat van klager diezelfde dag om 10.25 uur per e-mailbericht aan verweerder heeft laten weten dat hijzelf en zijn cliënten die dag verhinderd zijn en het de komende week wel zou uitkomen. Vast staat ook dat verweerder dit laatste bericht niet heeft gelezen.
6.4 Het gevolg van dat laatste is dat verweerder en zijn cliënte(n) zich op 14 november 2024 samen met een deskundige naar de woning van klager hebben begeven. Wat zich vervolgens heeft afgespeeld en wie wat heeft gezegd heeft de raad aan de hand van de stukken en verklaringen van klager en verweerder niet kunnen vaststellen. Vast staat wel dat er geen sprake was van een prettige sfeer en dat verweerder en zijn cliënte(n) en de deskundige onverrichter zake zijn vertrokken.
6.5 Naar het oordeel van de raad zou het voor de hand gelegen hebben dat verweerder de datum voor een inspectie gepland zou hebben in overleg met de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft hiervoor niet gekozen en gesteld dat het belang van zijn cliënte deze keuze rechtvaardigde. Het is de raad evenwel niet duidelijk geworden waarom verweerder, die bij de inspectie van het woonhuis van klager aanwezig zou zijn, niet heeft geverifieerd of de advocaat van klager ook aanwezig zou zijn. Ook is de raad niet duidelijk geworden of klager erover nagedacht heeft wat hij zou doen als de advocaat van klager niet, maar klager zelf wel bij de inspectie aanwezig zou zijn. Door naar de inspectie te gaan, zonder te weten of ook de advocaat van klager daarbij zou zijn, heeft verweerder het risico genomen dat hij met klager geconfronteerd zou worden zonder de aanwezigheid van diens advocaat. Ook is het de raad niet duidelijk geworden waarom verweerder de reactie van de wederpartij, die nog geen anderhalf uur na zijn eigen aankondiging is verzonden, niet heeft gezien. Juist in een zaak als deze, waarbij de verhoudingen tussen partijen kennelijk toch al gespannen waren, zou verweerder, zeker ook gelet op de korte termijn van de aangekondigde inspectie, zich ervan moeten vergewissen of zijn bericht is aangekomen en wat daarop de reactie is. Dat de komst van verweerder en diens cliënte en de deskundige uit de hand is gelopen, daarover is iedereen het wel eens. Wat er vervolgens door wie is gezegd is voor de raad niet komen vast te staan, nu de verklaringen daarover haaks op elkaar staan. Wat daar echter ook van zij, de hele situatie had eenvoudig voorkomen kunnen worden als verweerder zorgvuldiger had gehandeld.
6.6 De raad was daarom van oordeel dat verweerder in deze niet heeft gehandeld zoals een goed advocaat betaamt en dat hem dat tuchtrechtelijk kon worden verweten.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
7.1 De beslissing van de raad berust op onjuiste gronden.
Toelichting
De klacht valt uiteen in drie onderdelen. De raad heeft (terecht) geoordeeld dat hij aan de hand van de stukken en verklaringen van klager en verweerder niet kan vaststellen wat zich op 14 november 2024 heeft afgespeeld en wie wat heeft gezegd, nu de verklaringen van klager en verweerder daarover haaks op elkaar staan. Gelet hierop had de raad de klacht ongegrond moeten verklaren.
Verweerder wijst er verder op dat hem als advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomen bij het behartigen van de belangen van zijn client en dat hij uit dien hoofde ook partijdig is. Het is volgens verweerder ook niet ongebruikelijk dat een advocaat van een huurder niet bij de inspectie aanwezig is. Bovendien kon klager ervan uitgaan dat de aangekondigde inspectie doorgang zou vinden, nu verweerder op zijn aankondiging niet was teruggekomen. Verweerder onderkent dat hij de e-mail van de advocaat van klager – die een reactie was op zijn aankondiging - had moeten lezen, maar verweerder heeft deze mail gemist. Wat daar verder ook van zij, klager is daardoor niet in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft in geen enkel opzicht tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Maatregel
7.2 De maatregel van een waarschuwing is hoe dan ook disproportioneel, mede gelet op de lange staat van dienst van verweerder. Verweerder is het ook niet eens met de kostenveroordeling.
Verweer klager
7.3 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
8.3 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgrond(en) aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.
Overwegingen hof
Klachtonderdelen a), b) en c)
8.4 Net als de raad ziet het hof aanleiding de klachtonderdelen a), b) en c) gezamenlijk te bespreken. Klager verwijt verweerder dat hij op 14 november 2024, toen hij zich met zijn cliënte en een deskundige voor een inspectie naar de woning van klager begaf, niet de nodige professionele distantie in acht heeft genomen en op een onbetamelijke wijze de confrontatie heeft gezocht met klager (en zijn partner)en dit alles buiten de aanwezigheid van de advocaat van klager om heeft gedaan, terwijl verweerder wist dat klager vertegenwoordigd werd door een advocaat.
8.5 Het hof is met de raad van oordeel dat aan de hand van de stukken en de uiteenlopende verklaringen van klager en verweerder niet vastgesteld kan worden wat zich op 14 november 2024 heeft afgespeeld en wie wat heeft gezegd anders dan dat er geen sprake was van een prettige sfeer en dat verweerder en zijn cliënte(n) en de deskundige onverrichter zake zijn vertrokken. Het hof kan dus ook niet beoordelen of verweerder zich op 14 november 2024 onbetamelijk jegens klager heeft uitgelaten of gedragen.
8.6 Aangezien niet kan worden vastgesteld wat zich op 14 november 2024 precies heeft afgespeeld en dus niet kan worden geconcludeerd dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, doet niet ter zake dat de advocaat van klager daarbij niet aanwezig was. De omstandigheid dat verweerder de e-mail van 12 november 2024 heeft gemist, is weliswaar onzorgvuldig maar is als zodanig geen zelfstandige klacht en kan dus niet leiden tot de gegrondheid van een van de klachtonderdelen.
Slotsom
8.7 Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep tegen de gegrond verklaarde klacht slaagt. Het hof zal de beslissing van de raad vernietigen en de klacht (in al zijn onderdelen) alsnog ongegrond verklaren. In samenhang hiermee vernietigt het hof ook de beslissing van de raad voor zover aan verweerder een waarschuwing is opgelegd en verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de reiskosten en proceskosten.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 vernietigt de beslissing van 27 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-297/AL/OV;
en doet opnieuw recht:
9.2 verklaart de klacht in zijn geheel ongegrond.
Deze beslissing is gewezen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.E.H. van der Voort Maarschalk en J.M. Louwrier , leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 15 juni 2026 .