ECLI:NL:TAHVD:2026:173 Hof van Discipline 's Gravenhage 250302

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:173
Datum uitspraak: 05-06-2026
Datum publicatie: 08-06-2026
Zaaknummer(s): 250302
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Regels die betrekking hebben op de juridische strijd
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Een ander advocaat persoonlijk attaqueren
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht van een advocaat tegen de advocaat van de wederpartij over onnodig grievende uitlatingen en het sturen van een brief naar het gerechtshof zonder daarvan een afschrift aan klager te zenden. De raad heeft de klacht grotendeels gegrond verklaard en een berisping opgelegd. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

Beslissing van 5 juni 2026

in de zaak 250302

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klager

gemachtigde: mr. J.G. Geertsma, advocaat te Amsterdam

1 INLEIDING

1.1 Het betreft een klacht van een advocaat tegen de advocaat van de wederpartij over onnodig grievende uitlatingen en het sturen van een brief naar het gerechtshof zonder daarvan een afschrift aan klager te zenden. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht grotendeels gegrond verklaard. Verweerder is van de beslissing van de raad in beroep gekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.

2 DE PROCEDURE

Bij de raad

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-888/A/NH) een beslissing gewezen op 28 juli 2025. In deze beslissing is klachtonderdeel a gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en is klachtonderdeel b gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:130 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 27 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad;
  • het verweerschrift van klager.

2.5  Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 april 2026. Daar zijn verweerder en klager met zijn gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht.

2.6 Het hof heeft partijen aan het slot van de zitting in de gelegenheid gesteld om een minnelijke regeling te treffen en zich daarover binnen een door het hof gestelde termijn uit te laten. Partijen hebben het hof bericht dat geen minnelijke regeling is getroffen.

3 FEITEN

3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2 Verweerder staat sinds 16 januari 2023 een cliënte en haar zoon (verder: huurders) bij in verband met een huurrechtelijke procedure die in de kern draait om de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning van huurders. Klager staat al geruime tijd de verhuurder bij in dit geschil.

3.3 Sinds 2016 zijn er diverse procedures gevoerd tussen huurders en verhuurder, omdat huurders naar de mening van de verhuurder structureel voor overlast zorgen. In 2016 heeft de eerste bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning plaatsgevonden. Die vorderingen zijn toen afgewezen. In 2018 is opnieuw een bodemprocedure gestart door de verhuurder. Nadat bij tussenvonnis een bewijsopdracht was gegeven, zijn de vorderingen van de verhuurder op 10 maart 2020 toegewezen: de huurovereenkomst is ontbonden en huurders zijn veroordeeld om de woning binnen zes maanden te ontruimen. In beide bodemprocedures werden huurders bijgestaan door een andere advocaat. Na het eindvonnis van 10 maart 2020 meldde zich een nieuwe advocaat, niet zijnde verweerder, namens huurders, mr. S.

3.4 Tegen het vonnis van 10 maart 2020 is door mr. S namens huurders hoger beroep ingesteld. Daarnaast zijn vier executie kort gedingen gestart, met als doel de executie van het vonnis van 10 maart 2020 (gedeeltelijk) geschorst te krijgen en feitelijk het voortgezet gebruik van de woning te bewerkstelligen. In het hoger beroep zijn verder nog twee incidentele vorderingen ingesteld en is namens huurders verzocht om van het tussenarrest cassatie te kunnen instellen. Beide vorderingen en het verzoek om cassatie open te stellen, zijn afgewezen. Op 15 februari 2022 is bepaald dat de mondelinge behandeling bij het gerechtshof Amsterdam zou plaatsvinden op 24 januari 2023.

3.5 Op 13 januari 2023 heeft klager in het hoger beroep bij akte aanvullende producties ingediend namens de verhuurder. De termijn voor het indienen van nadere producties verstreek op 14 januari 2023.

3.6 Op 16 januari 2023 heeft mr. S zich onttrokken en om die reden uitstel van de mondelinge behandeling verzocht. Klager heeft zich namens de verhuurder op 17 januari 2023 tegen het verzochte uitstel verzet.

3.7 Op 17 januari 2023 heeft verweerder zich namens huurders als opvolgend advocaat gesteld en gereageerd op het door klager ingediende bezwaar tegen het uitstelverzoek. Verder heeft verweerder het gerechtshof (ook) verzocht om de mondelinge behandeling uit te stellen om medische redenen zijnerzijds.  

3.8 Het gerechtshof heeft vervolgens de mondelinge behandeling uitgesteld tot 28 februari 2023, uitdrukkelijk niet op grond van de advocatenwissel, maar op grond van de door verweerder opgevoerde medische gronden.

3.9 Op 15 februari 2023 heeft verweerder namens huurders een akte met aanvullende stukken ingediend, welke stukken onder meer een reactie vormden op de stukken van de verhuurder van 13 januari 2023.

3.10 Op 21 februari 2023 heeft verweerder een klacht ingediend tegen klager (bij de raad bekend onder zaaknummer 25-074/A/NH, bij het hof onder nummer 250303). In de klachtbrief heeft verweerder onder meer het volgende over klager geschreven:

“Over dat handelen in strijd met de gedragsregels en de wet - niet uit te sluiten valt dat het weloverwogen gebruik door [klager] en [verhuurder] van de uit het makelaarskantoor van [S. Makelaars] ontvreemde vertrouwelijke documentatie naast overtreding van de AVG ook kwalificeert als een strafbare vorm van heling - wordt nog separaat door [huurders] bij u een klacht ingediend tegen [klager] en aangifte gedaan bij justitie tegen hem en [verhuurder].”

3.11 Op 22 februari 2023 heeft het gerechtshof via zijn griffier medegedeeld dat het, voor zover de op 15 februari 2023 door verweerder toegezonden akte ook stellingen bevat, deze buiten beschouwing laat. Daarop heeft verweerder op 23 februari 2023 gereageerd dat klager bij de akte van 13 januari 2023 ook een toelichting heeft gegeven op de inhoud van diverse producties en stellingen heeft betrokken. Op dezelfde dag heeft klager zich in de correspondentie gemengd en aangeven dat de stelling van verweerder dat in de akte van 13 januari 2023 stellingen zijn betrokken, niet juist is.   

3.12 Op 24 februari 2023 heeft verweerder bij brief aan het gerechtshof onder meer het volgende geschreven:

“Helaas moet ik in de bovenvermelde procedure u (opnieuw) buiten een zitting om benaderen, maar confrère [klager] laat mij helaas geen andere keuze door wat ik inmiddels omschrijf als, en het moet maar eens gezegd worden, het vertonen in dit dossier van een vorm van ziekelijk gedrag dat zich het beste laat beschrijven als pathologisch liegen, althans onjuist informeren en stemming maken tegen personen zonder te beschikken over ook maar een begin van bewijs. Of sterker nog: met het in dit geval direct bijleveren van bewijs van het onjuist informeren, zoals u zelf op eenvoudige wijze kunt vaststellen. (...)

Niet alleen verspreidt [klager] dus nu zelfs heel gericht in een brief gericht aan u onware informatie, maar ook maakte hij zich eerder in voormelde akte en voorafgaande processtukken al schuldig aan het verspreiden van onware informaties en ongefundeerde stemmingmakerij, zoals tijdens de mondelinge behandeling op 28 februari 2023 nader aan de orde zal komen.”

3.13 Op 28 februari 2023 heeft de mondelinge behandeling bij het gerechtshof plaatsgevonden. Verweerder heeft op de zitting pleitnotities voorgedragen. Verweerder heeft onder meer het volgende gezegd:

“Er is in dit dossier sprake van welbewust vooropgezet handelen, van kwade opzet en niet alleen door een cliënt die zijn niet-wetende advocaat fout informeert. Ik ken de gedragsregels en nam welbewust in mijn brief aan het hof van afgelopen vrijdag over het gedrag van [klager] in deze procedure de woorden 'ziekelijk' en 'pathologisch liegen' op.”

3.14 Op 11 maart 2023 heeft verweerder een e-mail verzonden aan een kantoorgenoot van klager met in de ‘cc’ klager zelf en alle overige leden van de maatschap van het kantoor van klager, waarin verweerder onder meer het volgende heeft geschreven:

“(...) Ik kom zo hier nog op terug, maar laat u eerst vanwege de ongebruikelijke inleidende woorden van deze mail direct al weten dat ik helaas gezien de manier van werken en communiceren van uw kantoorgenoot [klager] hem in het onderhavige dossier niet langer meer nog serieus kan nemen, en ik hoop écht voor hem en voor uw kantoor dat de toekomst niet met zich meebrengt dat straks niemand meer hem nog serieus zal nemen, in geen enkel toekomstig dossier. (...)”

3.15 Op 11 april 2023 heeft het gerechtshof arrest gewezen en is het vonnis in eerste aanleg in stand gebleven.  

3.16 Bij brief van 12 april 2023 heeft verweerder aan het gerechtshof het volgende geschreven:  

“Onder verwijzing naar het op 11 april 2023 gewezen arrest verzoek ik u om met het oog op het aanvragen van cassatieadvies het erheen te leiden dat mij op korte termijn het proces-verbaal van de zitting gehouden op 28 februari 2023 wordt toegezonden. Tevens zou ik daarbij graag ook de datum en zo mogelijk afschrift verkrijgen van het besluit van het hof, waarmee afwijzend werd beslist op het uitvoerig gemotiveerde verzoek van [mr. S] om aan [huurders] (en de wederpartij) in de eerste instantie een spreektijd toe te staan van 60 minuten, gedaan bij brief van [mr. S] van 1 maart 2022, waarin hij tevens tevergeefs had verzocht om ter zitting op een groot projectiescherm het door [verhuurder] in het geding gebrachte videofilmpje te mogen laten zien. Hoewel ook dit laatste verzoek van [mr. S] niet werd gehonoreerd heb ik er op de zitting van 28 februari 2023 nogmaals maar opnieuw tevergeefs gevraagd om de video-opname op de door [huurders] meegenomen laptop (voorzien van een optimale licht en kleurinstelling) te mogen laten zien en met in de hand de door [verhuurder] in het geding gebrachte transcriptie zin voor zin te vergelijken met de beelden en gesproken woorden van het videofilmpje. Dit met het argument dat dan in één keer voor iedereen duidelijk zou zijn dat de woordenwisseling zich geheel afspeelde op de trap naar beneden en dat van een insluiting op de overloop nimmer sprake is geweest en dat in de door [verhuurder] als productie 13 overlegde transcriptie woorden zijn toegevoegd, wegelaten en veranderd. Uit 4.22 van het arrest volgt dat het hof het filmpje tóch heeft bekeken en helaas alleen heeft vergeleken met de correcte transcriptie zoals ingebracht door [huurders], maar niet met de valse transcriptie zoals ingebracht door [verhuurder]. Omdat zeker is dat tijdens de zitting het filmpje niet is getoond verkrijg ik graag dan ook naast het proces-verbaal van de zitting informatie over wanneer wie van de leden van het hof het filmpje heeft gezien en op wat voor een soort scherm, en of daarvan ook een verslag is.”

Van deze brief heeft verweerder geen kopie aan klager gestuurd.

3.17 Op 4 mei 2023 heeft een juridisch medewerker van het gerechtshof het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 februari 2023 aan verweerder en klager toegezonden. Verder schrijft deze medewerker:

“U vraagt ook om een afschrift van de beslissing op het verzoek van [mr. S] van 1 maart 2022; ik verwijs u daarvoor naar de door het hof zowel aan [mr. S] als aan u gezonden e-mail van 19 januari 2023. Behandeling van de overige in uw brief van 12 april jl. vervatte verzoeken is niet aan de orde; het hof heeft immers eindarrest gewezen.”

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder:

a) dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten;

b) dat hij zich op 12 april 2023 tot het gerechtshof heeft gewend, nadat arrest was gewezen en zonder daarvan afschrift te sturen aan klager.

4.2 Klager betwist gemotiveerd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling, zoals door verweerder in zijn klachtbrief richting de deken wordt gesuggereerd. Verweerder doet een zeer vergaande en bovenal valse beschuldiging aan het adres van klager, wat nog wordt versterkt met de aankondiging dat hierover nog een klacht wordt ingediend en een aangifte wordt gedaan. De door verweerder gebruikte bewoordingen in zijn correspondentie aan het gerechtshof zijn ontoelaatbaar, ongegrond en getuigen niet van onderlinge welwillendheid. Het is des te kwalijker dat verweerder deze bewoordingen heeft herhaald ter zitting en daar nog aan heeft toegevoegd dat hij die bewoordingen ook heel bewust heeft gekozen. Het schrijven van verweerder aan de maatschap van klager kan evenmin door de beugel en dient nergens toe. Deze wijze van communiceren draagt niet bij aan een oplossing in der minne.

4.3 Nadat het gerechtshof arrest had gewezen, heeft verweerder zich bovendien nog tot het gerechtshof gewend met uitvoerig toegelichte verzoeken, naast een verzoek om toezending van het proces-verbaal. Daarmee kon verweerder weliswaar de beoordeling niet meer beïnvloeden, maar wel de inhoud van het proces-verbaal. Verweerder had daarvan gelijktijdig afschrift aan klager moeten zenden, zodat hij, indien daartoe aanleiding was geweest, aan had kunnen geven wat voor zijn cliënte van belang was terug te zien in het proces-verbaal. Dit klemt te meer nu cassatie was ingesteld. Dit is overigens niet het enige bericht dat verweerder aan het gerechtshof heeft gestuurd zonder klager daarin te kennen.

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft overwogen geen aanleiding te zien om het (herhaalde) verzoek van verweerder om de zaak naar een andere raad te verwijzen, te honoreren. Dat een van de tuchtrechters van de Amsterdamse raad niet onafhankelijk zou hebben geoordeeld in een eerdere door de cliënten van verweerder aangebrachte tuchtzaak, kan - wat daar verder van zij - niet de conclusie dragen dat verwijzing van deze zaak naar een andere raad moet volgen.   

5.2  De raad is voorbijgegaan aan het bezwaar van verweerder tegen gevoegde behandeling van deze zaak en de zaak 25-074/A/NH (bij het hof 250303), omdat de zaken niet zijn gevoegd, maar slechts gezamenlijk op zitting zijn behandeld.

5.3 De raad heeft het beroep van verweerder op niet-ontvankelijkheid van klager verworpen. Klager heeft zijn klacht tegen verweerder ingediend bij de deken te Noord-Holland met een stuk dat tevens een reactie vormde op de eerder ingediende klacht van verweerder over klager (in de zaak 25-074/A/NH). Klager heeft toegelicht dat hij dat zo heeft gedaan omdat hem dat efficiënter leek. Als de klacht bij de deken in Amsterdam zou zijn ingediend, zou deze, net als met instemming van verweerder was gebeurd met de klacht in de zaak 25-074/A/NH, zijn verwezen naar een andere deken. Ook wanneer de klacht bij de deken in Amsterdam was ingediend, zou de raad te Amsterdam uiteindelijk over de klacht hebben te oordelen. Verweerder is volgens klager dus ook niet in zijn belangen geschaad. De raad acht deze toelichting van klager op de gang van zaken met betrekking tot de indiening van de klacht niet onnavolgbaar.  

Klachtonderdeel a)

5.4 Tegenover het gerechtshof heeft verweerder klager toegedicht dat hij zich schuldig maakt aan ‘ziekelijk gedrag dat zich het beste laat beschrijven als pathologisch liegen, althans onjuist informeren en stemming maken tegen personen zonder te beschikken over ook maar een begin van bewijs’, het verspreiden van onware informatie en ongefundeerde stemmingmakerij. Op de zitting bij het gerechtshof heeft verweerder benadrukt dat hij de woorden ‘ziekelijk’ en ‘pathologisch liegen’ welbewust heeft gebruikt. De raad heeft overwogen dat verweerder zich hiermee bij het gerechtshof over klager heeft uitgelaten op een wijze die naar algemeen spraakgebruik grievend, onnodig en onheus is. Ook is niet gebleken dat verweerder bij het bezigen en herhalen van deze bewoordingen een functioneel belang had. Het bezigen van dergelijke kwalificaties zonder dat deze een redelijk doel dienen, past een behoorlijk handelend advocaat niet. Verweerder heeft daarmee de grenzen van het betamelijke overschreden. 

5.5 De raad heeft verder overwogen dat verweerder zich met zijn e-mail van 11 maart 2023 aan een kantoorgenoot van klager en alle overige leden van de maatschap van zijn kantoor eveneens onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. In deze e-mail heeft verweerder kort gezegd de manier van werken en communiceren van klager benoemd, waardoor hij hem niet langer meer serieus zou nemen. De inhoud en gekozen bewoordingen in de e-mail zijn ongepast en niet constructief. Ook is niet duidelijk wat klager (al dan niet namens zijn cliënten) met deze e-mail heeft willen bereiken, behalve het in een kwaad daglicht stellen van klager bij zijn kantoorgenoten. De bezwaren die verweerder heeft tegen het optreden van klager als advocaat, behoort hij niet aan de orde te stellen door klager bij zijn kantoorgenoten te beschimpen. Verweerder heeft ook op dit punt onbetamelijk gehandeld.

5.6 Tegenover de deken (bij de beschuldiging van heling) is verweerder naar het oordeel van de raad gebleven binnen de vrijheid die hem als advocaat van de wederpartij bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt is gegeven. De raad heeft klachtonderdeel a) ongegrond verklaard voor zover het betreft het bericht van verweerder aan de deken. Voor het overige is dit klachtonderdeel gegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

5.7 Verweerder heeft niet betwist dat hij zich op 12 april 2023 tot het gerechtshof heeft gewend, nadat arrest was gewezen, zonder daarvan afschrift te sturen aan klager. Volgens verweerder hoefde hij geen afschrift van zijn bericht aan klager te sturen, omdat de procedure al was beëindigd en de inhoud van de procedure niet meer door hem kon worden beïnvloed. De raad heeft verweerder hier niet in gevolgd en overwogen dat verweerder in zijn brief verzoeken aan het gerechtshof doet, die raken aan de procedure. Hij vraagt namelijk in de kern schriftelijke vastlegging van door het gerechtshof genomen beslissingen. Hierover had verweerder klager, als advocaat van de wederpartij, moeten informeren zodat klager ook de kans had gekregen om hierop te reageren. Door dit niet te doen heeft verweerder naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.8 Met betrekking tot de maatregel heeft de raad overwogen dat verweerder onvoldoende blijk geeft van een betamelijke en professionele beroepsuitoefening. Dat acht de raad ernstig, temeer nu verweerder de grievende uitlatingen die hij heeft gedaan blijft verdedigen en herhalen, ook nu nog tegenover de raad. Verweerder toont geen enkele vorm van reflectie op zijn handelen. Verweerder rechtvaardigt zijn handelen met het argument dat hij voor de belangen van zijn cliënten opkomt. Weliswaar is dat de taak van een (partijdige) advocaat, maar verweerder lijkt uit het oog te verliezen dat hij daarbij de belangen van derden niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel en dat het zijn taak is om de standpunten van zijn cliënten op zakelijke wijze te belichten. In het onderhavige geval is dat onvoldoende gebeurd. In dit kader wordt opgemerkt dat verweerder weinig professionele distantie van zijn cliënten lijkt te tonen en zich (daardoor) van een onprofessionele toon bedient. Op grond van de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen acht de raad oplegging van een berisping in dit geval passend en geboden.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1 Verweerder voert primair aan dat hij bij de Amsterdamse raad geen eerlijke behandeling van de klacht heeft gehad. De beslissing kan geen standhouden en de zaak moet alsnog van begin af aan door een andere deken en een andere raad worden beoordeeld

6.2 Verweerder heeft ter toelichting aangevoerd dat hij de raad heeft verzocht om de zaak naar een andere raad te verwijzen, omdat de gemachtigde van klager (die lid is van de Amsterdamse Raad van de Orde) inmiddels een tuchtklacht tegen zichzelf had lopen in een ander gerelateerd dossier. Ook is tegen de deken die deze zaak onderzocht heeft een serieuze tuchtklacht lopende. Dat verweerder geen zorgvuldige en eerlijke beoordeling van klacht heeft gehad blijkt ook uit de uitspraak in de andere behandelde zaak (25-047/A/NH), waartegen verweerder ook hoger beroep heeft ingesteld (250303). Met een bizarre en evident onhoudbare feitelijke ‘onderbouwing’ is de suggestie gewekt alsof verweerder zich schuldig zou maken aan misbruik van het advocatentuchtrecht, terwijl die uitspraak ziet op de eerste en enige tuchtrechtelijke klacht die verweerder heeft ingediend tegen klager. Hier wordt door dezelfde tuchtrechters op misplaatste wijze stemming gemaakt tegen verweerder, terwijl geheel onbesproken is gelaten dat mr. S vanwege zijn bijstand aan huurders door de cliënte van klager en zijn gemachtigde geïntimideerd is met meerdere ongegrond gebleken klachten. Verder is de raad in gebreke gebleven om op deugdelijke wijze zelfstandig het verzoek tot verwijzing te toetsen. De griffier van de raad liet al op 22 januari 2025 blijken dat er contact was geweest met de voorzitter. Op voorhand werd het beeld gewekt dat de uitkomst de uitspraak zou volgen, die op 27 januari 2025 nog gedaan moest worden in een verzetzaak van huurster. Eén van de tuchtrechters in die verzetzaak had de ambitie om deken in Amsterdam te worden. Vanwege de positie van de gemachtigde van klager had die tuchtrechter nooit aan de behandeling van die verzetzaak mogen deelnemen. Die tuchtrechter is daarover aangeschreven en zijn verweer daarop overtuigt niet. De stukken maken deel uit van het dossier. Verweerder kreeg hiervoor maar 2/3 minuten spreektijd. In de uitspraak is hierop niet ingegaan.

6.3 Subsidiair voert verweerder aan dat de raad er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de deken de door klager ingediende klacht inhoudelijk in behandeling heeft genomen onder hetzelfde zaaknummer als de door verweerder tegen klager ingediende klacht. Daardoor is de inhoudelijke behandeling van beide klachten door elkaar gaan lopen. Verweerder is door deze vermenging in zijn belangen geschaad en dat blijkt uit zijn klacht tegen de deken. De onderhavige procedure moet minimaal aangehouden worden totdat op de klachten tegen de deken is beslist.

6.4 Ten onrechte heeft de raad blijkens de summiere motivering de klacht over de uitlating van verweerder tegenover het gerechtshof beoordeeld zonder concreet en inhoudelijk in te gaan op de diverse door verweerder gegeven voorbeelden van door klager bij herhaling aan meerdere rechters verstrekte onware informatie. De raad heeft in feite alleen overwogen dat naar algemeen spraakgebruik het gebruik van de woorden ‘ziekelijk’ en ‘pathologisch liegen’ grievend, onnodig en onheus zijn, maar heeft ten onrechte niet naar behoren onderzocht of in dit geval sprake was van onnodig grievend taalgebruik. Verweerder heeft uitgelegd dat zijn woorden een rechtvaardigingsgrond hadden en dat hij daarmee het gerechtshof en klager wilde ‘wakker schudden’ in de hoop dat klager zich tijdens de mondelinge behandeling niet opnieuw schuldig zou maken aan ernstige onjuiste beeldvorming over huurster. Verweerder heeft in detail uitgelegd hoe een opname van een zeer ernstige verbale bedreiging aan het adres van huurster op 9 oktober 2020 door de wederpartij compleet is misbruikt. De raad heeft hierover ter zitting niet één vraag gesteld en zwijgt hierover ook in de uitspraak. Ook heeft de raad geen gewicht toegekend aan het feit dat verweerders uitlating beperkt is gebleven tot de beslotenheid van het gerechtshof en klagers kantoorgenoten en dat hij deze op geen enkele wijze publiek heeft gemaakt, zoals bijvoorbeeld het geval was in een vergelijkbare zaak waarin een advocaat voor leugenaar werd uitgemaakt zonder dat dit door het hof als onrechtmatig werd gekwalificeerd. De uitspraak kan op dit punt geen standhouden.

6.5 Verweerder betwist dat hij door zijn ‘verzuim’ om klager de brief van 12 april 2023 toe te zenden, formeel in strijd heeft gehandeld met de gedragsregels. Die schrijven voor om gedurende de procedure elkaar (uiteraard) te informeren. De procedure was al tot een einde gekomen.

6.6 Tot slot maakt verweerder bezwaar tegen de opgelegde maatregel van berisping en de uitgesproken veroordeling in de kosten.

Verweer klager

6.7 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

7.2 Voor zover verweerder bezwaar maakt tegen de behandeling van de klacht door de deken, gaat het hof daar in deze klachtzaak niet over. Dat komt aan de orde in de klachtzaak van verweerder tegen de deken. Uiteindelijk is de onderhavige zaak terechtgekomen bij de juiste raad voor verdere behandeling en beslissing en heeft verweerder van de gang van zaken geen nadeel ondervonden. De beroepsgronden die verweerder heeft gericht tegen de behandeling van de klacht door de raad en de wijze waarop dat is gebeurd, kunnen evenmin slagen. Wat verweerder heeft gesteld over partijdigheid van raad, betreft andere zaken en ook andere leden van de raad (die in de onderhavige kwestie niet deelgenomen hebben aan de behandeling door de raad). De behandeling in hoger beroep bij het hof heeft bovendien mede ten doel om eventuele onjuistheden en omissies bij de behandeling door de raad recht te zetten.

7.3 Inhoudelijk ziet het hof op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Anders dan verweerder ziet het hof in de door verweerder gebruikte bewoordingen bij het gerechtshof geen rechtvaardigingsgrond. Voor het schrijven van de e-mail aan de kantoorgenoten van klager bestond al helemaal geen aanleiding. Verweerder miskent tot slot dat de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet meebrengt dat hij zich op 12 april 2023 niet eenzijdig tot het gerechtshof had mogen wenden, reeds omdat zijn bericht meer inhield dan het louter opvragen van het proces-verbaal van de zitting. Daaraan doet niet af dat de procedure al tot een einde was gekomen.

7.4 Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerder en zal de beslissing van de raad bekrachtigen. Het hof ziet geen aanleiding om de door de raad opgelegde maatregel te matigen.

8 PROCESKOSTEN

8.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                

a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);

b) € 1.050,- [€ 525,- per punt] kosten voor rechtsbijstand van klager;

c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

d) € 1.000,- kosten van de Staat.

8.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

9 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1  bekrachtigt de beslissing van 28 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 24-888/A/NH;

9.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

9.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is gewezen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam, K. Teuben, J.M. Frons en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter             

De beslissing is verzonden op 5 juni 2026 .