ECLI:NL:TAHVD:2026:164 Hof van Discipline 's Gravenhage 260005
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:164 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-05-2026 |
| Datum publicatie: | 22-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260005 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Het verzet tegen voorzittersbeslissing waarbij een klacht niet is verwezen is ongegrond. Voor zover klager heeft aangevoerd dat de voorzittersbeslissing is genomen zonder dat sprake is geweest van hoor-en wederhoor, wijst het hof erop dat er in de procedure in verzet invulling is gegeven aan dit beginsel door het bieden van de mogelijkheid van verweer, re- en dupliek. Hiervan is door klager en verweerster ook gebruikgemaakt. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Klager heeft de mogelijkheid gehad om bij de Raad van Discipline zijn standpunt over het dekenbezwaar, de wijze van totstandkoming ervan en het handelen van de deken in dat kader naar voren te brengen. Van die mogelijkheid heeft klager gebruik gemaakt. Dat betekent dat klager niet alsnog zijn bezwaren over -het handelen van- de deken aan de orde kan stellen door middel van een klacht tegen de deken. Daar is het klachtrecht niet voor bedoeld. |
Beslissing van 22 mei 2026
in de zaak 260005
naar aanleiding van het verzet
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof
van 22 januari 2026 in de klacht van:
klager
tegen:
verweerster
1 DE PROCEDURE
1.1 Met de beslissing van 22 januari 2026 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht tegen verweerster afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2026:16 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 2 februari
2026 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier:
- de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt;
- het verweerschrift;
- repliek;
- dupliek.
1.3 Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer.
2 FEITEN
2.1 Klager heeft op 22 december 2025 een viertal klachten in tegen verweerster ingediend. De klachten betreffende het handelen, dan wel nalaten daarvan, door verweerster. Het betreft de volgende klachten:
1. het, zonder klager daarvan in kennis te stellen, stukken met een zeer negatieve
aard en inhoud voor klager van de Rechtbank Zwolle door te sturen naar de LOTA.
Toelichting: In een gesprek dat ik heb gehad met mw. mr. P, rechter in de rechtbank
te Zwolle, heeft de rechter zich zeer negatief over mij uitgelaten. Praktisch alle
aspecten heb ik kunnen weerleggen. Desondanks heeft de rechter de Deken een mail
gestuurd met alle door mij weerlegde bezwarenaantijgingen. (Voor de goede orde: omdat
de rechter pertinent weigert bewijs van haar aantijgingen te leveren, heb ik tegen
haar een klacht ingediend). Ik ben van oordeel dat ik op zijn minst tevoren de
gelegenheid had moeten krijgen om mijn zienswijze over dat stuk aan de Deken kenbaar
te maken.
2. het weigeren om betrokkene aan te horen over het stuk van de rechtbank te Zwolle.
Toelichting: Nadat het mij duidelijk werd wat er had plaatsgevonden, heb ik de Deken
verzocht om een onderhoud om mijn kant van de zaak aan haar mee te delen. Dat verzoek
heeft de Deken afgewezen.
3. het niet naar klager sturen van het Dekenbezwaar dat verweerster heeft ingediend
bij de Raad van Discipline.
Toelichting: Het Dekenbezwaar zou worden behandeld in een zitting van de Raad van
Discipline van vrijdagochtend 12 december 2025. Die zitting heb ik over het hoofd
gezien en ben daar dus ook niet geweest (een fout mijnerzijds, deels veroorzaakt doordat
ik geen stukken heb ontvangen). Toen ik vrijdagmiddag de 12° werd geattendeerd op
mijn afwezigheid, werd het duidelijk dat ik nooit het Dekenbezwaar heb ontvangen.
De zitting werd verplaatst naar woensdag 17 december jl. Diezelfde vrijdagmiddag
werd het Dekenbezwaar per mail aan mij gestuurd. Omdat ik, wegens andere verplichtingen
geen tijd had om het stuk voordien te lezen, te becommentariëren en mijn verweer
samen te stellen, heb ik om uitstel verzocht. Dat uitstel werd niet gegeven, waardoor
ik mij tijdens de zitting van de Raad niet heb kunnen verweren. Er is derhalve geen
hoor en wederhoor toegepast, mede door toedoen van de Deken, waardoor ik ernstig in
mijn belangen ben geschaad. Tijdens de zitting heeft een vertegenwoordiger van de
Deken bevestigd dat het bezwaar niet tijdig aan mij was gestuurd.
4. het zonder reden vermelden van de geboortedatum van klager op het Dekenbezwaar.
Toelichting: Op het Dekenbezwaar staat mijn geboortedatum. Dat is op grond van de
regels van de AVG verboden omdat er geen enkel noodzaak was om zulks te doen. De
vermelding van de mijn geboortedatum heeft dan ook geen andere functie dan (verboden)
leeftijdsdiscriminatie.
Klager vindt dat de Deken niet heeft gehandeld zoals het een goed deken betaamt, door geen of nauwelijks aandacht te besteden aan de belangen van de betrokken advocaat. Daardoor heeft de Deken gefaald in het uitoefenen van haar functie.
2.2 Het Bureau Orde van Advocaten Overijssel heeft op 8 januari 2026 de klacht van klager doorgestuurd naar het Hof van Discipline. Hierbij is opgemerkt dat klager erop is gewezen dat zijn klachten zien op behandeling van het dekenbezwaar dat tegen hem is ingediend en dat hij in de initiële bodemzaak (bij de Raad van Discipline) zijn klachten over de gang van zaken kenbaar heeft gemaakt, althans had kunnen maken. De behandeling van het dekenbezwaar heeft plaatsgevonden op 17 december 2025 en de uitspraak volgt eind januari 2026.
2.3 Het hof heeft bij voorzittersbeslissing van 22 januari 2026 bepaald dat de klacht van klager niet wordt verwezen. De klachten van klager horen naar het oordeel van de voorzitter thuis in het debat over het dekenbezwaar. Binnen die kaders heeft klager zijn klachten betreffende het handelen dan wel nalaten van verweerder aan de orde kunnen stellen en klager moet die procedure doorlopen om daarover het oordeel van de tuchtrechter te verkrijgen. Klager kan niet buiten die procedure om separaat zijn klachten over verweerder in een aparte procedure aanhangig maken.
3 HET VERZET
De gronden van verzet
3.1 Klager heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat de voorzitter niet de
bevoegdheid heeft om de klacht niet door te sturen naar een andere deken. In artikel
46c lid 5 Advocatenwet is bepaald: “De voorzitter verwijst de zaak naar een deken”.
Uit deze tekst blijkt niet dat er aan de voorzitter
een keuze wordt gegeven, evenmin is het een "kan" bepaling, noch worden er keuzemomenten
toegekend. De voorzitter had de klacht dus moeten doorsturen. De voorzitter had
op zijn minst, althans voor zover hij van oordeel is dat hoor en wederhoor ook in
deze procedure thuishoort, aan klager naar zijn mening moeten vragen over het standpunt
van de deken. Alleen al vanwege die omissie, schending van hoor en wederhoor, kan
het oordeel van de voorzitter volgens klager niet in stand blijven.
3.2 In de voorzittersbeslissing is vastgesteld dat de klachten betrekking hebben op de gang van zaken rondom de inhoud van het dekenbezwaar. Dat heeft het hof dan niet goed begrepen. De klachten zijn gericht tegen het optreden van de deken en niet tegen de inhoud van het dekenbezwaar, op een enkel punt na. De eerste twee klachten hebben betrekking op het optreden van de deken, lang voordat het dekenbezwaar werd ingediend. De derde klacht, het onnodig noemen van klagers leeftijd, zou klager bij de bespreking van de klacht hebben genoemd. Dat laat echter onverlet dat het optreden van de deken in deze -het welbewust tegen de regels van de AVG ingaan- een afzonderlijke klacht meer dan rechtvaardigt. De vierde klacht, het niet toesturen van het dekenbezwaar, staat uiteraard niet vermeld in de dekenklacht. Volgens klager is het oordeel van de voorzitter dat de klachten thuishoren in het debat over de dekenklacht feitelijk onjuist en inhoudelijk niet houdbaar. Dat oordeel van de voorzitter kan dus niet in stand blijven.
3.3 Klager heeft in repliek aangevoerd dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen de dekenklacht en het handelen van de deken waartegen de klachten zich richten. De dekenklacht kent een aparte route. Los daarvan staat het optreden/handelen van de deken. Dat zijn verschillende fenomenen en moeten ook onderscheidenlijk worden behandeld. Een deel van de klachten tegen het handelen van de deken vond plaats, lang voordat de dekenklacht werd ingediend.
Het verweer
3.4 Verweerster heeft tegen het verzet aangevoerd dat klager middels zijn klachten
zijn ongenoegen over (de inhoud van) het dekenbezwaar en het daaraan voorafgaande
traject nogmaals kenbaar tracht te maken. Klager stelt in zijn verzetschrift dat zijn
klachten hoofdzakelijk juist niet zien op de inhoud van het dekenbezwaar, maar op
het optreden van de deken voorafgaand aan het
dekenbezwaar. De redenatie van klager dat zijn klachten tegen de deken buiten de
rechtsstrijd van de kwestie van het dekenbezwaar vallen acht verweerster niet juist.
Het signaal van de rechtbank, waar het optreden van de deken in eerste instantie op
zag, heeft geleid tot een nader onderzoek door de LOTA en uiteindelijk tot een dekenbezwaar.
De handelwijze van de deken in deze ziet derhalve wel op dezelfde rechtsstrijd, waardoor
klager zich over dat voortraject en het optreden van de deken daarin tijdens de zitting
van 17 december 2025 had kunnen beklagen. De opmerking van klager dat hij onvoldoende
voorbereidingstijd heeft gehad kan niet zien op zijn klachten, aangezien deze naar
zijn eigen zeggen hoofdzakelijk niet zien op de inhoud van het dekenbezwaar.
3.5 Verweerster heeft erop gewezen dat het enige bezwaar dat klager heeft over de inhoud van het dekenbezwaar het vermelden van zijn geboortedatum betreft. Het benoemen van een dergelijke klacht vergt in verweersters optiek nagenoeg geen voorbereidingstijd. Klager heeft derhalve ruimschoots de mogelijkheid gehad zijn klacht over verweerster kenbaar te maken. Klager heeft getracht het klachtrecht te gebruiken, terwijl hij daartoe eerst andere mogelijkheden had en die niet, of wellicht onvoldoende, heeft benut.
3.6 Voor wat betreft het verwijt van klager dat er naar aanleiding van verweersters reactie geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden merkt verweerster het volgende op. De voorzitter van het Hof van Discipline heeft terecht uit de klachten van klager gefilterd dat deze zien op de kwestie rondom het dekenbezwaar. Een nadere toelichting van klager had dat niet anders gemaakt.
3.7 Verweerster hecht er waarde aan nogmaals te wijzen op de uitspraak van de Raad van Discipline van 16 februari 2026, waarin klager een schrapping is opgelegd. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TADRARL:2026:46.
4 BEOORDELING
Verzet mogelijk?
4.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet
op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advw. In dit artikel is bepaald dat
de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om
de klacht te laten onderzoeken en af te handelen.
4.2 De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.
Maatstaf
4.3 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of
de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de
voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.4 Voor zover klager heeft aangevoerd dat de voorzittersbeslissing is genomen zonder dat sprake is geweest van hoor-en wederhoor, wijst het hof erop dat er in de procedure in verzet invulling is gegeven aan dit beginsel door het bieden van de mogelijkheid van verweer, re- en dupliek. Hiervan is door klager en verweerster ook gebruikgemaakt.
4.5 De gronden die klager aan zijn klachten tegen de deken ten grondslag heeft gelegd -te weten dat de deken geen gesprek heeft gehouden met klager, dat de deken heeft geweigerd klager te horen en dat de deken klagers geboortedatum heeft vermeld- komen voort uit dezelfde rechtsstrijd die eerder tussen partijen is gevoerd in het kader van het dekenbezwaar. Het optreden van de deken heeft plaatsgevonden in het proces van totstandkoming van het dekenbezwaar. Al deze punten horen dan ook thuis in het debat over het dekenbezwaar.
4.6 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Klager heeft de mogelijkheid gehad om bij de Raad van Discipline zijn standpunt over het dekenbezwaar, de wijze van totstandkoming ervan en het handelen van de deken in dat kader naar voren te brengen. Van die mogelijkheid heeft klager gebruik gemaakt. Dat betekent dat klager niet alsnog zijn bezwaren over -het handelen van- de deken aan de orde kan stellen door middel van een klacht tegen de deken. Daar is het klachtrecht niet voor bedoeld.
4.7 Op grond van het voorgaande is het verzet van klager ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin, voorzitter, mrs.
M.S.A. van Dam en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 mei 2026.