ECLI:NL:TAHVD:2026:163 Hof van Discipline 's Gravenhage 260008

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:163
Datum uitspraak: 22-05-2026
Datum publicatie: 22-05-2026
Zaaknummer(s): 260008
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: De advocaat privé
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Hoger beroep niet-ontvankelijk. Verweerder is bij beslissing van de raad van 8 december geschorst in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet. De raad heeft daarbij de termijn als bedoeld in artikel 60ab lid 5 Advocatenwet (indienen dekenbezwaar) op zes weken bepaald. Verweerder heeft zich op 18 december 2025 uitgeschreven als advocaat. De deken heeft daarop besloten om geen dekenbezwaar in te dienen. Uit artikel 60ab lid 5 Advocatenwet volgt dat de schorsing na de termijn van zes weken van rechtswege vervalt als niet binnen die termijn een dekenbezwaar is ingediend. Nu dat niet is gebeurd, is de aan verweerder opgelegde schorsing in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat komen te vervallen. Gelet hierop heeft verweerder geen belang meer bij een beoordeling van de beslissing van de raad. 


Beslissing van 22 mei 2026
in de zaak 260008

naar aanleiding van het hoger beroep van:


verweerder


tegen:


de deken

1    INLEIDING

1.1    Verweerder is bij beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) van 8 december 2025 (met ingang van de tweede werkdag na de uitspraak van de beslissing) geschorst in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet. De raad heeft daarbij de termijn als bedoeld in artikel 60ab lid 5 Advocatenwet (indienen dekenbezwaar) op zes weken bepaald. Verweerder heeft zich op 18 december 2025 uitgeschreven als advocaat. De deken heeft daarop besloten om geen dekenbezwaar in te dienen. Uit artikel 60ab lid 5 Advocatenwet volgt dat de schorsing na de termijn van zes weken van rechtswege vervalt als niet binnen die termijn een dekenbezwaar is ingediend. Nu dat niet is gebeurd, is de aan verweerder opgelegde schorsing in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat komen te vervallen. Gelet hierop heeft verweerder geen belang meer bij een beoordeling van de beslissing van de raad. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk. 

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    Het hof verwijst naar de beslissing van de raad van 8 december 2025 (zaaknummer: 25-799/AL/OV). In deze beslissing is het verzoek van de deken op grond artikel 60ab lid 1 Advocatenwet toegewezen en is verweerder geschorst in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat, met ingang van de tweede werkdag na de uitspraak van de beslissing. De termijn als bedoeld in artikel 60ab lid 5 Advocatenwet is bepaald op zes weken na de beslissing. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:266 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 7 januari 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    een e-mail van 10 februari 2026 van de deken;
-    de reactie van 19 februari 2026 van verweerder op de e-mail van de deken van 10 februari 2026;
-    de reactie van 24 februari 2026 van de deken op de e-mail van verweerder van 19 februari 2026.

2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 16 maart 2026. Daar is verweerder verschenen en gehoord. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van handgeschreven aantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. De deken is, zoals tevoren was aangekondigd, niet verschenen. 

3    FEITEN

3.1    Het hof neemt feiten van de raad, voor zover in hoger beroep nog van belang, over omdat hiertegen geen beroepsgrond is aangevoerd. Het hof stelt in aanvulling hierop de volgende feiten vast.

3.2    Verweerder heeft zich op 18 december 2025 uitgeschreven als advocaat.

3.3    De deken heeft niet binnen zes weken na de beslissing van de raad van 8 december 2025 een dekenbezwaar ingediend

3.4    Op grond van artikel 60ab lid 5 Advocatenwet is de schorsing op 20 januari 2026 van rechtswege komen te vervallen.

4    VERZOEK

4.1    De deken heeft de raad op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet verzocht om verweerder met onmiddellijke ingang in de uitoefening van de praktijk te schorsen. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de deken – kort gezegd – naar voren gebracht dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de betamelijkheidsnorm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Verweerder heeft wegens het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en het onttrekken van minderjarige kinderen aan het wettig gezag zeven maanden in voorlopige hechtenis gezeten, tot 13 november 2025. Omdat hij zich niets gelegen laat liggen aan rechterlijke uitspraken, hij de onjuistheid van zijn handelen niet inziet en daarmee het vertrouwen in het beroep van advocaat ernstig heeft geschaad, is verweerder niet meer in staat tot een behoorlijke praktijkvoering, aldus de deken.

5    BEOORDELING RAAD
    
5.1    Op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet kan een advocaat door de raad op verzoek van de deken worden geschorst, als tegen hem een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang is geschaad of dreigt te worden geschaad. Ook (absoluut ongeoorloofde) privé-gedragingen waardoor het vertrouwen in de advocaat wordt geschaad, vallen onder deze bepaling. 

5.2    Het feitencomplex overziende heeft de raad geoordeeld dat in voldoende mate is komen vast te staan dat verweerder strafbare feiten heeft gepleegd (wederrechtelijke vrijheidsberoving, onttrekken aan het wettig gezag van zijn twee biologische kinderen en het voorhanden hebben van een stroomstootwapen) en dat de opstelling van verweerder zeer zorgelijk is, zodat sprake is van een ernstig vermoeden van een handelen door verweerder waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig is geschaad. De raad is tot de slotsom gekomen dat het niet verantwoord was dat verweerder zijn werk als advocaat voortzette, gezien zijn beperkte besef van- en inzicht in het ongeoorloofde van zijn handelen. Het doorlopen van een reguliere tuchtrechtprocedure kon dan ook niet worden afgewacht. Het verzoek van de deken is toegewezen. 

5.3    De raad heeft de in artikel 60ab lid 5 Advocatenwet genoemde termijn voor het indienen van een dekenbezwaar bepaald op de maximale termijn van zes weken.

6    ONTVANKELIJKHEID

Standpunt verweerder

6.1    Verweerder heeft zich in zijn reactie op de e-mail van de deken van 10 februari 2026, waarin de deken aangeeft dat de beslissing van de raad van rechtswege is komen te vervallen, op het standpunt gesteld dat hij nog altijd belang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Volgens verweerder behoudt hij als uitgeschreven advocaat een actueel procesbelang bij het vaststellen van de onjuistheid van de inmiddels vervallen 60ab-beslissing. Op de mondelinge behandeling bij het hof heeft hij nader toegelicht dat zijn belang bij een beslissing in hoger beroep met name is gelegen in de mogelijkheid een schadevergoedingsvordering in te stellen. Daarnaast kan het oordeel dat de beslissing van de raad onjuist was, volgens verweerder een rol spelen bij de onderhandelingen met de orde over een eventuele terugkeer in de advocatuur. 

Het oordeel van het hof 

6.2    De schorsing op grond van artikel 60ab Advocatenwet is een tuchtrechtelijke spoedvoorziening jegens een advocaat in het geval dat een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad. Omdat een artikel 60ab-schorsing een ordemaatregel is, is in lid 5 van dit artikel bepaald dat de klacht of het bezwaar op grond waarvan het ernstig vermoeden is gerezen - als deze al niet bij de raad is ingediend - binnen een redelijke door de raad te bepalen termijn ter kennis van de raad moet worden gebracht. De schorsing op grond van artikel 60ab Advocatenwet is aldus een tuchtrechtelijke spoedvoorziening die dient ter overbrugging van de periode tot aan een onherroepelijke beslissing in de (verwante) tuchtprocedure. In artikel 60ab lid 5 Advocatenwet is dan ook bepaald dat bij overschrijding van de termijn de beslissing op het in het eerste lid bedoelde verzoek van rechtswege vervalt. (HvD 4 april 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:58.)

6.3    De raad heeft verweerder in de beslissing van 8 december 2025 geschorst in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat, met ingang van de tweede werkdag na de uitspraak van de beslissing. De raad heeft daarnaast de termijn als bedoeld in artikel 60ab lid 5 Advocatenwet bepaald op zes weken na de beslissing. Nadat verweerder zich op 18 december 2025 heeft uitgeschreven als advocaat, heeft de deken besloten om geen dekenbezwaar in te dienen. Gelet op artikel 60ab lid 5 Advocatenwet is de schorsing op 20 januari 2026 van rechtswege komen te vervallen. Omdat de schorsing van rechtswege is komen te vervallen, is het belang komen te ontvallen aan deze zaak en komt het hof niet toe aan beoordeling van de door verweerder gestelde belangen. Voor toetsing van het van rechtswege vervallen van een beslissing is geen plaats. 

6.4    Het hof zal het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.  

7    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. J. Blokland, P. Fortuin, M. van Roosmalen en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 22 mei 2026.