ECLI:NL:TAHVD:2026:161 Hof van Discipline 's Gravenhage 260041

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:161
Datum uitspraak: 22-05-2026
Datum publicatie: 22-05-2026
Zaaknummer(s): 260041
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de procedure die klager wil voeren verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat niet noodzakelijk is. Het betreft een procedure bij de kantonrechter, waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De verplichting voor de deken om op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen geldt alleen voor personen die een advocaat zoeken voor een procedure waarbij een advocaat verplicht is of voor een procedure waarin zij uitsluitend door een advocaat kunnen worden bijgestaan.

Beslissing van 22 mei 2026
in de zaak 260041

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    
klager
    
tegen:
    

Deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Rotterdam

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 5 februari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 12 februari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat het verzoek van klager niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet. Omdat klager slechts één schriftelijke afwijzing van een door hem benaderde advocaat heeft gestuurd, is het niet mogelijk om te beoordelen of klager voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. Daarnaast is voor de procedure die klager wil voeren bijstand van een advocaat niet verplicht.

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 14 februari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken;
-    de repliek.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1  Klager heeft verzocht om aanwijzing van een advocaat voor een door hem opgestelde ‘aanvraag dagvaarding’ met de navolgende inhoud.

De Eis
De vordering omvat twee hoofdzakelijke punten:

1. Financieel: Het terugstorten van een bedrag van € 4500,00, zijnde het bedrag dat bovenop het
verzekerde bedrag voor de uitvaart is betaald.

2. Goederen : Het terugplaatsen van alle ontvreemde goederen die uit de woning van de overledene
zijn weggenomen.

Gronden voor de Eis

De vordering is gebaseerd op de volgende vermeende feiten en omstandigheden:

. Onrechtmatige daad bij ABN AMRO op 4 september 2024, waarbij een machtiging voor de
nalatenschap werd verkregen en later niet op non-actief is gezet, ondanks de verwerping van de
nalatenschap door de gedaagde op 13 september 2024 bij de notaris.
. Identiteitsfraude en diefstal:
Aangifte is gedaan van identiteitsfraude en diefstal van eigendommen uit het huis van de overledene
op 25 september 2024. De gedaagde zou op dat moment nog in bezit zijn geweest van de
huissleutels.
. Gebruik van valse machtiging:
Een betaling van € 5766,19 aan de uitvaartondernemer fa. H is verricht met een valse machtiging
op 30 oktober 2024.
. Intimidatie: Wekelijkse intimidatie door Uitvaart H betalingen en fysieke mishandeling door
een betrokkene (..) waarvan melding is gemaakt bij de politie
.”


2.2  De deken heeft aan de afwijzing van het verzoek van klager ten grondslag gelegd dat, omdat uit de door klager overlegde bescheiden blijkt dat de vordering minder dan € 25.000,-- bedraagt, de kantonrechter bevoegd is. Voor de procedure bij de kantonrechter is een advocaat niet verplicht. De deken heeft erop gewezen dat klager de procedure zelf kan voeren, of een niet-advocaat als gemachtigde in kan schakelen (bijvoorbeeld een deurwaarder of jurist) om hem bij te staan. Klager heeft opgemerkt dat de gerechtsdeurwaarder hem wil bijstaan, daarom vindt de deken dat klager geen advocaat nodig heeft. 

2.3  Daarnaast heeft de deken aan de afwijzingsbeslissing ten grondslag gelegd dat klager voor de identiteitsfraude, gebruik van een valse machtiging en intimidatie aangifte kan doen bij de politie. Hiervoor is evenmin een advocaat nodig. De deken heeft opgemerkt dat het hoofdkantoor van ABN AMRO Bank gevestigd is in Amsterdam. De deken acht zich niet bevoegd een advocaat aan te wijzen in het arrondissement Amsterdam. Klager kan zich hiervoor wenden tot de deken Amsterdam.

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft aangevoerd dat het verwerpen van de erfenis heeft plaatsgevonden in Rotterdam. Klager heeft in repliek opgemerkt dat hij naar wegen zoekt om de rechtsgang met betrekking tot het erfrecht voort te zetten, hij ervaart echter dat de toegang tot het recht feitelijk wordt bemoeilijkt. Klager heeft erop gewezen dat hij afwijzingen heeft ontvangen van zes advocaten, dat hij contact heeft gehad met een gerechtsdeurwaarder en twee buitengewoon opsporingsambtenaren. Ook heeft klager opgemerkt dat aangifte doen bij de politie niet mogelijk is gebleken.

Verweer
3.2    De deken heeft erop gewezen dat in artikel 13 Advocatenwet is bepaald dat de deken in het arrondissement waar de zaak moet dienen een advocaat kan toewijzen aan een rechtzoekende in een zaak, waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden. De deken heeft zijn standpunt dat klager de procedure bij de kantonrechter zelf kan voeren en dat klager ook niet advocaat als gemachtigde kan inschakelen herhaald.

3.3    De deken heeft verder opgemerkt dat als klager een procedure tegen de ABN AMRO Bank aanhangig wil maken, hij hiervoor een aanwijzingsverzoek dient te doen bij de Orde van Advocaten in Amsterdam aangezien ABN AMRO Bank aldaar is gevestigd. 

4    BEOORDELING

Toetsingskader
4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voor de procedure die klager wil voeren verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat niet noodzakelijk is. Dit omdat het een procedure bij de kantonrechter betreft, waarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De verplichting voor de deken om op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen geldt alleen voor personen die een advocaat zoeken voor een procedure waarbij een advocaat verplicht is of voor een procedure waarin zij uitsluitend door een advocaat kunnen worden bijgestaan.

4.3    Op grond van het vorenstaande heeft de deken het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat terecht afgewezen. Het beklag is ongegrond. 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 12 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
                                

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 22 mei 2026.