ECLI:NL:TAHVD:2026:160 Hof van Discipline 's Gravenhage 260042

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:160
Datum uitspraak: 22-05-2026
Datum publicatie: 22-05-2026
Zaaknummer(s): 260042
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft aan klaagster een advocaat aangewezen voor het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter.  Vervolgens heeft klaagster een herhaald verzoek gedaan om aanwijzing van een advocaat voor dezelfde procedure. Het hof is van oordeel dat de deken op goede gronden heeft geweigerd aan klaagsters herhaalde verzoek te voldoen. Het standpunt van de deken dat het feit dat de aangewezen advocaat zich heeft onttrokken geen reden geeft voor aanwijzing van een nieuwe advocaat wordt door het hof onderschreven. De deken heeft er terecht op gewezen dat de aangewezen advocaat ‘dominus litis’ is. Het hof onderschrijft de toelichting van de deken dat de advocaat – in overleg met klaagster – de strategie bepaalt in de zaak. De advocaat mag geen handelingen verrichten tegen klaagsters wil, maar wanneer er sprake is van een verschil van mening over wat in de procedure naar voren moet worden gebracht, kan klaagster de advocaat niet dwingen bepaalde argumenten aan te voeren of om bepaalde incidenten op te werpen. Wanneer er geen overeenstemming kan worden bereikt over de strategie in de zaak, mag de aangewezen advocaat zich onttrekken. De deken heeft bij de eerste aanwijzing al te kennen gegeven dat dit geen reden zal zijn om een nieuwe advocaat aan te wijzen.  


Beslissing van 22 mei 2026
in de zaak 260042

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    
klaagster
    
tegen:
    

Deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Den Haag

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klaagster heeft op 5 februari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 16 februari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat zij al eerder een advocaat heeft aangewezen voor dezelfde procedure.

Bij het hof
1.3    Klaagster heeft op 16 februari 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klaagster heeft bij de deken een herhaald verzoek tot aanwijzing van een advocaat om haar bij te staan in een huurzaak ingediend. In het verzoek is volgende vermeld:  
“Door de deken is advocate W aangesteld. Deze advocaat is echter nooit beschikbaar voor overleg en schuift alles op haar jurist af. Terugbellen verzoeken worden niet nagebeld en e-mails worden niet beantwoord. Dit is tot zo'n. Maanden lang hebben we overleg gehad over de stukken van H wonen (meldingen die ik heb gemaakt en e-mail uitwisselingen). Deze stuk heb ik netjes aangeleverd. Echter alles gaat dusdanig hectisch bij hun dat ze zelf stukken wilde inleveren waar bijna niks van de stukken die ik heb aangeleverd tussen zaten. Toen ik zei dat dat niet meer normaal vond zei ze dat ze niet met mij advocaat wil zijn. De stukken die ze wilden inleveren waren opgesteld door haar jurist en in deze stukken word ik gerefereerd als zijnde "haar", de toont al aan hoe weinig er is gekeken voordat de stukken naar mij voorgoedkeuring zijn verzonden. Een antwoord op waarom de stukken er niet tussen zitten is nooit gekomen. Het lijkt er dus op dat alles gewoon kwijt is en ze het op deze manier proberen af te doen. Ik kreeg zelfs nog een mailtje met uw zaak heeft 0% kans van slagen. Gelet op de manier waarop ze hiermee zijn omgegaan ben ik bang dat ze nog gelijk hebben ook. Ik ben geschonden in mijn rechten en in plaats van een excuses zegt de advocate dat ik maar elders een andere advocaat moet zoeken.”

2.2    De deken heeft het verzoek van klaagster afgewezen. Aan de afwijzingsbeslissing is ten grondslag gelegd dat het een aanwijzingsverzoek betreft voor dezelfde procedure als waarin bij beschikking van 5 maart 2025 reeds een advocaat is aangewezen. De deken heeft opgemerkt dat in de beslissing van 5 maart 2025 aan klaagster is voorgehouden dat slechts éénmaal een advocaat wordt aangewezen. Nu dit een herhaald verzoek betreft, is verzoek van klaagster van 5 februari 2026 afgewezen. 


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klaagster heeft aan het beklag ten grondslag gelegd dat zij niet is gehoord alvorens het besluit is genomen. Ook merkt klaagster op dat mr. W een heel kort lijntje met de orde heeft omdat ze daar heeft gewerkt. Klaagster stelt aanwijzingen te hebben dat een en ander niet helemaal volgens de regels is verlopen.

3.2    Volgens klaagster klopt de onderbouwing van afwijzingsbeslissing niet. Het beroep is erop gericht dat klaagster een schadevergoeding krijgt omdat haar spullen uit de woning zonder haar akkoord zijn vernietigd en zij veel kosten heeft moeten maken wegens dit "besluit". Ook kloppen de argumenten van de orde niet, de eerder aangewezen advocaat was namelijk niet beschikbaar. 

Verweer
3.3    De deken heeft aangevoerd dat voor zover klaagster benoemt dat mr. W korte lijntjes heeft met de Orde omdat zij daar zou hebben gewerkt, dit niet relevant is voor de beklagprocedure. Daarnaast heeft de deken opgemerkt dat een hoorplicht geen deel uitmaakt van de procedure die wordt gehanteerd bij een verzoek om aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet.

3.4    Verder heeft de deken erop gewezen dat zij bij de aanwijzing van mr. W duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat de deken maar een keer overgaat tot aanwijzing van een advocaat. De deken stelt dat zij klaagster erop heeft geattendeerd dat, indien er geen overeenstemming kan worden bereikt omtrent de strategie, de advocaat het recht heeft om zich te onttrekken en dat dit geen reden zal vormen om een nieuwe advocaat aan te wijzen. Voorzover klaagster meent dat de onttrekking door de aangewezen advocaat onrechtmatig is gedaan, is door de deken gewezen op het dekenonderzoek dat is ingesteld naar aanleiding van een klacht van klaagster over mr. W. 

3.5    In reactie op de stelling van klaagster dat de beslissing op “onwaarheden” gebaseerd is, omdat het hoger beroep gericht zou zijn op een schadevergoeding en niet op de terugkeer in haar woning heeft de deken opgemerkt dat beide aanwijzingsverzoeken van klaagster betrekking hebben op het hoger beroep tegen het vonnis van 15 oktober 2024. Het kan niet zo zijn dat het hoger beroep zich enkel richt op het verkrijgen van een schadevergoeding van de vernietigde spullen. Een hoger beroep is er juist voor bedoeld om de inhoud (althans een deel) van het uitgebrachte vonnis aan te vechten. Dat klaagster van mening is dat het hoger beroep (inzake hetzelfde vonnis) om een schadevergoeding gaat, doet volgens de deken niet af aan het feit dat het een herhaald verzoek betreft.


4    BEOORDELING

Toetsingskader
4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Bij beslissing van 5 maart 2025 heeft de deken aan klaagster een advocaat aangewezen voor het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van 15 oktober 2024. Vervolgens heeft klaagster op 5 februari 2026 een herhaald verzoek gedaan om aanwijzing van een advocaat voor dezelfde procedure.

4.3    De deken heeft op goede gronden geweigerd aan klaagsters herhaalde verzoek om een advocaat aan te wijzen te voldoen. Zij heeft eerder voor dezelfde procedure een advocaat aangewezen. Het standpunt van de deken dat het feit dat de aangewezen advocaat zich heeft onttrokken geen reden geeft voor aanwijzing van een nieuwe advocaat wordt door het hof onderschreven. De deken heeft er terecht op gewezen dat de aangewezen advocaat ‘dominus litis’ is. Het hof onderschrijft de toelichting van de deken dat de advocaat – in overleg met klaagster – de strategie bepaalt in de zaak. De advocaat mag geen handelingen verrichten tegen klaagsters wil, maar wanneer er sprake is van een verschil van mening over wat in de procedure naar voren moet worden gebracht, kan klaagster de advocaat niet dwingen bepaalde argumenten aan te voeren of om bepaalde incidenten op te werpen. Wanneer er geen overeenstemming kan worden bereikt over de strategie in de zaak, mag de aangewezen advocaat zich onttrekken. De deken heeft bij de eerste aanwijzing al te kennen gegeven dat dit geen reden zal zijn om een nieuwe advocaat aan te wijzen.

4.4    De deken heeft er terecht op gewezen dat de procedure ingevolge artikel 13 Advocatewet geen hoorplicht kent. Tenslotte heeft klaagster haar stelling dat de beoordeling van haar verzoek niet volgens de regels is verlopen niet met feiten onderbouwd. Het hof zal hier daarom niet op ingaan. 

4.5    Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de deken het verzoek van klaagster op goede gronden heeft afgewezen. Het hof zal het beklag van klaagster ongegrond verklaren. 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 16 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 22 mei 2026.