ECLI:NL:TAHVD:2026:159 Hof van Discipline 's Gravenhage 260085
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:159 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-05-2026 |
| Datum publicatie: | 22-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260085 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Naar het oordeel van het hof heeft de deken zich terecht op het standpunt gesteld dat de procedure waarvoor klager om aanwijzing van een advocaat heeft verzocht bij de kantonrechter kan worden gevoerd. Bijstand van een advocaat is daarbij niet vereist. Ook onderschrijft het hof het standpunt van de deken dat het starten van een executiegeschil -in kort geding- geen redelijke kans van slagen heeft nu vaststaat dat het vonnis en de dwangbevelen waarvan klager schorsing wenst alle onaantastbaar zijn. Terecht heeft de deken erop gewezen dat voor uitspraken waartegen geen rechtsmiddelen (meer) openstaan slechts grond voor schorsing bestaat ingeval van -kort gezegd- misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW). Datzelfde geldt voor dwangbevelen die onaantastbaar zijn. |
Beslissing van 22 mei 2026
in de zaak 260085
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Midden-Nederland
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 18 februari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing
van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 2 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat voor de procedure waarvoor klager om een advocaat heeft verzocht -een executiegeschil bij de kantonrechter- verplichte vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht is. Daarnaast is de deken er niet van overtuigd dat deze procedure een redelijke kans van slagen heeft en dat klager voldoende pogingen heeft gedaan om zelf een advocaat te vinden.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 5 maart 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken
uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op basis van meerdere executoriale titels is beslag gelegd op klagers uitkering. De totale schuld is € 10.480,58 en de beslagvrije voet bedraagt € 708,-. De executie wordt uitgevoerd via verschillende gerechtsdeurwaarders.
2.2 K. gerechtsdeurwaarders (K.) heeft op grond van een onherroepelijk vonnis van de kantonrechter derdenbeslag gelegd voor een vordering van D. Wonen wegens een huurschuld. Gerechtsdeurwaarderskantoor J. (J.) heeft middels een dwangbevel derdenbeslag gelegd inzake CJIB Mulderovertredingen en DUO vorderingen. K. heeft op 9 januari 2025 van J. voor deze vorderingen een verdeelverzoek gekregen, aangezien K. coördinerend gerechtsdeurwaarder is. Dit betekent dat K. de centrale deurwaarder is die optreedt wanneer er meerdere beslagen zijn op de uitkering van één persoon. Deze deurwaarder beheert de verdeling van de afgedragen bedragen onder schuldeisers, berekent de bekslagvrije voet en is het enige aanspreekpunt voor het UWV.
2.3 Klager wenst een executiegeschil te starten en zo nodig een kort geding tot (tijdelijke) schorsing van de executie, namelijk totdat duidelijkheid bestaat over de hoogte van de vorderingen en de verrekening van de betalingen. Er is volgens klager sprake van samenloop van beslagen en onduidelijkheid over de rechtmatige inning en verdeling van de betalingen.
3 Standpunt deken
3.1 De deken heeft aan de afwijzingsbeslissing van 2 maart 2026 ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het vereiste in artikel 13 Advocatenwet dat het moet gaan om een procedure waarin vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is. De bevoegde rechter voor een executiegeschil is niet uitsluitend de rechtbank. Ook een kantonrechter kan (als voorzieningenrechter) in een executiegeschil optreden. De kantonrechter is immers op grond van artikel 438 Rv bevoegd kennis te nemen van executiegeschillen als het de executie van een door die kantonrechter afgegeven executoriale titel betreft en/of een dwangbevel dat gebaseerd is op een vordering die ten gronde tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoort. De kantonrechter is bevoegd in huur- en arbeidszaken en ten aanzien van vorderingen tot € 25.000,-.
3.2 Uit de stukken blijkt dat het executoriaal beslag een vonnis van de kantonrechter over een huurachterstand betreft en vorderingen van CJIB Mulderovertredingen en DUO. Deze vorderingen bedragen in totaal niet meer dan € 25.000,-. Van verplichte vertegenwoordiging door een advocaat is dan ook geen sprake in de procedure die klager wil starten.
3.3 Verder is de deken er op grond van de stukken niet van overtuigd dat het starten van een executiegeschil -in kort geding- een redelijke kans van slagen heeft. In dit verband heeft de deken opgemerkt dat voor uitspraken waartegen geen rechtsmiddelen (meer) openstaan slechts grond voor schorsing bestaat ingeval van -kort gezegd- misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW). Datzelfde geldt voor dwangbevelen die onaantastbaar zijn. Vast staat dat het vonnis en de dwangbevelen waarvan klager schorsing wenst inmiddels alle onaantastbaar zijn.
3.4 Volgens de deken is er sprake van misbruik van bevoegdheid tot de tenuitvoerlegging van een executoriale titel als deze op een feitelijke of juridische misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan klagers zijde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
3.5 Een vonnis berust volgens de deken niet snel op een klaarblijkelijke feitelijke of juridische misslag. De rechter die op een executiegeschil moet beslissen, mag de zaak immers niet opnieuw beoordelen; het vonnis is niet voor niets onherroepelijk. Bovendien zal de rechter die de veroordeling in het verleden heeft uitgesproken het feitencomplex nauwkeurig hebben bestudeerd, zodat evenmin snel sprake zal zijn van een klaarblijkelijke juridische misslag: een overduidelijke miskenning of misvatting van (de werking van) het recht. Ook van een noodtoestand zal niet snel sprake zijn. Een noodtoestand kan alleen bestaan uit feiten die aan het licht zijn gekomen nadat het vonnis is gewezen. Immers, anders had de rechter die het vonnis heeft gewezen al rekening kunnen houden met die feiten. De rechter die het executiegeschil behandelt, mag niet ‘op de stoel’ gaan zitten van de rechter die het oorspronkelijke vonnis gewezen heeft.
3.6 Datzelfde geldt voor een dwangbevel. De deken heeft erop gewezen dat de onderliggende vordering een zuiver bestuursrechtelijke discussie is. De civiele rechter zal dan ook niet snel in het vaarwater van de bestuursrechter gaan zitten, De toetsing van het dwangbevel is in essentie dan ook beperkt tot de vraag of aan alle formaliteiten is voldaan en of de executie niet buitenproportioneel is in verhouding tot de vordering. Van buitenproportioneel beslag is sprake als er beslag gelegd wordt op goederen die in te hoge waarde staan ten opzichte van de hoogte van de vordering. Volgens de deken is van dit alles is geen sprake, althans dit heeft klager onvoldoende onderbouwd.
3.7 De deken heeft gesteld dat klager is verzocht, met het oog op het vaststellen van een redelijk belang bij de te voeren procedure, om inzicht te verschaffen in de gronden voor het schorsen van de executie. Klager heeft aangegeven het executiegeschil (in kort geding) te willen starten om duidelijkheid te krijgen over de hoogte van de vorderingen en de verrekening van uw betalingen. Klager is nauwelijks ingegaan op het feit dat er sprake moet zijn van feitelijke of kennelijke misslagen of een noodtoestand. Het beslag betreft daarbij een beslag op de uitkering voor een totale schuld van € 10.480,58, waarbij rekening is gehouden met de beslagvrije voet. Daarmee is klager verzekerd van een bestaansminimum. Dat is niet buitenproportioneel te noemen.
3.8 Volgens de deken is een executiegeschil niet bedoeld om de door klager genoemde informatie te verkrijgen, maar enkel en alleen om een schorsing wegens misbruik van recht te verkrijgen. Klager kan de gewenste informatie eenvoudig bij de betrokken deurwaarders opvragen. Uit de beschikbare stukken blijkt bovendien dat de betrokken gerechtsdeurwaarders klager meermaals geïnformeerd hebben over de hoogte van de diverse vorderingen, alsmede het feit dat K. de coördinerend deurwaarder is. Ook heeft klager een account waarmee hij zijn dossier(s) digitaal kan inzien.
3.9 Tot slot heeft klager volgens de deken niet aangetoond dat er sprake is van een spoedeisend belang dat het starten van een executiegeschil rechtvaardigt. Ook heeft klager niet aangetoond dat hij voldoende pogingen heeft gedaan om zelf een advocaat te vinden.
4 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
4.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij heeft
in beklag aangevoerd dat voor de huurrechtzaak door de Raad voor Rechtsbijstand een
toevoeging is verleend met kenmerk 4PZ1060 (2023). Voor zover bekend is deze toevoeging
nog steeds actief. Ondanks deze toevoeging heeft klager geen juridische bijstand ontvangen.
4.2 Klager heeft erop gewezen dat de zaak een executiegeschil betreft naar aanleiding van een vonnis van de Rechtbank Midden‑Nederland, gewezen op 21 juni 2023. Daarnaast loopt een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam die momenteel is aangehouden wegens het ontbreken van rechtsbijstand. Voor de verdere behandeling van deze civiele procedures is rechtsbijstand noodzakelijk. Zonder advocaat kan klager zijn rechten niet effectief uitoefenen. De weigering om een advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet belemmert volgens klager zijn toegang tot de rechter.
Verweer
4.3 De deken heeft aangevoerd dat het bestaan van een actieve toevoeging op zichzelf
niet de aanwijzing van een advocaat rechtvaardigt.
4.4 De deken heeft er voorts op gewezen dat klager zijn stelling dat voor de door hem gewenste procedure rechtsbijstand door een advocaat verplicht is, niet heeft onderbouwd. De enkele stelling van de klager dat (uitsluitend) de rechtbank bevoegd is, is niet voldoende voor de deken. Uit de stukken is duidelijk gebleken dat het gaat om een schuld van in totaal € 10.480,58, waaronder een huurschuld. Klager heeft het verder over een lopende procedure bij het Gerechtshof Amsterdam. Het verzoek om een advocaat aan te wijzen zag niet op deze procedure. En overigens is de deken Midden-Nederland is niet bevoegd een advocaat aan te wijzen voor een procedure die in het arrondissement Amsterdam aanhangig is.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
5.2 Naar het oordeel van het hof heeft de deken zich terecht op het standpunt gesteld dat de procedure waarvoor klager om aanwijzing van een advocaat heeft verzocht bij de kantonrechter kan worden gevoerd. Bijstand van een advocaat is daarbij niet vereist. Klager mag zelf een procedure voor de kantonrechter starten. Nu op grond van artikel 13 Advocatenwet door de deken alleen een advocaat kan worden aangewezen in zaken waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven, dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, heeft de deken klagers verzoek om aanwijzing terecht afgewezen.
5.3 Ook onderschrijft het hof het standpunt van de deken dat het starten van een
executiegeschil -in kort geding- geen redelijke kans van slagen heeft nu vaststaat
dat het vonnis en de dwangbevelen waarvan klager schorsing wenst alle onaantastbaar
zijn.
Terecht heeft de deken erop gewezen dat voor uitspraken waartegen geen rechtsmiddelen
(meer) openstaan slechts grond voor schorsing bestaat ingeval van -kort gezegd- misbruik
van bevoegdheid (art. 3:13 BW). Datzelfde geldt voor dwangbevelen die onaantastbaar
zijn.
5.4 Wat de procedure bij het gerechtshof in Amsterdam betreft is de deken Midden-Nederland niet bevoegd. Klager moet zijn aanwijzingsverzoek wat die kwestie betreft richten aan de deken in Amsterdam.
Conclusie
5.5 Het beklag tegen de beslissing van de deken zal op grond van het vorenstaande
ongegrond worden verklaard.
6 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 2 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 22 mei 2026.